Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

BEGIN OF EINDE ?

Mijn pleegmoeder maakte haar belofte waar en we gingen met ons drie op zaterdag naar de stad. Ik kan jullie verzekeren dat dit een unieke gebeurtenis was.

Ik kreeg een nieuwe jas, pantalon en warme bottines. Ook dat was een unicum in mijn leven.
'S avonds nuttigden we met z'n allen het avondmaal in Grand Bazar als afsluiter. 
Al bij al een hele fijne dag.
Maar....hoe hard ik ook mijn best deed, met de beste wil van de wereld kon ik geen blijheid voelen.

De gebeurtenissen van de afgelopen week bleven zich in mijn hoofd eindeloos herhalen.
Ik sliep en at vrijwel niet meer en durfde  "ma" noch "pa" in de ogen kijken. Ik vermeed hen zoveel mogelijk omdat ik bang was dat ik op een onbewaakt moment het grote geheim zou verklappen.
Er was nochtans geen aanleiding toe want mijn pleegmoeder was nog steeds extra mild tegenover mij en dat viel zelfs mijn pleegvader op.
" Het gaat goed tussen jullie he" zei hij, en mijn hart brak bijna.
Je moest eens weten waarom, dacht ik dan.

Die maandag daarop begon ik te werken op een andere fabriek.
Ditmaal een fabriek dat droge voeding inpakte.
Fabriek was eigenlijk een groot woord want het was meer een hangar die aan het woonhuis was aangebouwd en die overkoepeld was met glas.
Het was er steeds berekoud want dat was nodig voor de producten.
Enkel tussen de middag konden we ons opwarmen aan een potkacheltje en onze boterhammen op eten.

Alle meisjes (zes in totaal) waren  ongeveer van mijn leeftijd en dat was leuk.
De baas was een oude vrijgezel die samen met zijn moeder de zaak runde.
Hij was een stille lieve man. De moeder was duidelijk de baas. Maar zij was zo ongelooflijk dik dat ze nooit uit het kantoor kwam tijdens de werkuren.

Ik verdiende er een paar centen meer dan op het mijn vorige werk. De arbeid was er wel harder harder en smeriger.
De afstand tussen werk en thuis was ook iets lange maar met de fiets was het heel goed te doen. Wanneer je jong bent heb je vlugge benen he!
In diezelfde straat waar het fabriekje gelegen was stond een kleine kapel. Daar sprong ik na het werk vaak even binnen .
Zo stelde ik de thuiskomst met een uurtje uit.

Want het ging niet goed met me!
Ik voelde me wegglijden en had donkere gedachten.
Ondanks alles hield ik van mijn pleegouders Kinderliefde is immers oneindig.
Ik moest er keihard voor vechten, maar dat gaf niet, ik was een vechter in hart en nieren.
Maar nu was die vechtlust weg.
Er kwam boosheid en beredenering voor in de plaats.
Het besef dat ik niets kon waarmaken van al wat ik ook maar droomde, deed mij afglijden in een afgrond.
Ik leefde op automatische piloot.

Thuis was men zeer tevreden over mij.
Geen opstandigheid meer bij valse aantijgingen en
geen gemor meer bij de vele klusjes die ik moest doen.
Ik was vrijwel onzichtbaar, onbestaande, en zo had mijn pleegmoeder het graag.
Werken en geen vragen stellen. Gewoon gelaten ondergaan wat ze mij toebracht.

Maar diep in mij woede een storm die ik voor iedereen verborg.
Ik zocht wanhopig naar oplossingen maar vond er geen.
Ik leefde tegen mijn zin! Was dit een nieuw begin? Of het het einde?
©Huismusje

IJDELE HOOP

Terwijl ik al die droge vruchten stond in te pakken gingen mijn gedachten vaak terug naar mijn schoolperiode
Dan dacht ik aan de woorden van mijn juf en het PMS, die mij zeiden dat ik zeker de capaciteit bezat om verder te studeren.
De capaciteiten misschien dan wel, maar de kansen niet!
Bij mijn pleegouders thuis had men geen oren naar mijn kunnen.
Het enige dat telde was geld.
Geld dat ik hen zogenaamd schuldig was doordat mijn moeder hen niet betaalde.

Nu waren mijn pleegouders geen rijke mensen. Dat wist ik ook wel.
Maar alle kinderen die ik kende waren geen van allen rijkeluiskinderen en kregen toch waar ze recht op hadden, en vaak ook meer dan dat
Ik vroeg mij vaak af waarom mijn pleegmoeder niet uit werken ging zoals zovele andere moeders deden.
De meeste moeders van mijn vriendinnetjes deden wel iets. Of ze werkten thuis en deden naaiwerk voor anderen. Of ze gingen een paar uren poetsen. Sommigen hadden zelfs een fulltime job, al was dat toen meer uitzondering dan regel.

Bij mijn pleegouders was er steeds geldgebrek.
Niet omdat er niet gewerkt werd, want mijn pleegvader deed vaak dubbele schiften en hij had een tweede job bij een banketbakker in het weekend. Neen, het kwam omdat mijn pleegmoeder geen geld kon beheren.
Het kwam omdat er in haar bovenkamer iets niet klopte.

Geen enkele vrouw van een handarbeider haalde het in haar hoofd om de kleding van haar zoontje op maat te laten maken door een gerenommeerde kledingzaak. Idem dito voor zijn schoenen. En dit terwijl de rest van de huishouding vrijwel in lompen liep.
Maar ik kon er dan wel opstandig over worden, beter werd ik er niet van.
Ik zag mijn toekomst somber in. Want ik hield niet van  fabriekswerk.

Eén dag op de week mocht ik helpen op het kantoor van de fabriek. e bazin had gemerkt dat kantoorwerk mij erg aansprak. En ik deed dit erg graag.
De facturen die binnenkwamen van de leveringen had ik al geklasseerd nog voor de baas het kon doen. En ik mag met enige fierheid zeggen dat ik dit feilloos deed.
Zo liet de bazin mij al eens een order uitschrijven of de telefoon opnemen. En dan was ik telkens in mijn nopjes.
Beetje bij beetje leerde ik wat bij van het kantoorwerk.
De bazin opperde dat ik als leermeisje op kantoor zou kunnen komen werken.
Ik moest dan één dag op de week naar school en de rest van de week zou ik dan bij hen het vak leren.
Op leercontract dus.
Ik was door het dolle heen.  Dat was wat ik wou! En ik kreeg hier die kans zomaar in mijn schoot geworpen!

Mijn pleegouders konden daar niks tegen hebben, dacht ik, want ik zou werken en leren tegelijk. En zo zouden we beide tevreden zijn.
Maar dat was buiten de hebzucht van mijn pleegmoeder gerekend!
Ik zou lang niet het loon hebben dat ik nu had. "En je verdiend nu al te weinig om je verblijfskosten te vergoeden" werd mij toegesnauwd.
En die éne dag school zou ook weer geld kosten.
"Waar dacht ik dat dit vandaan moest komen?"
Ik opperde nog dat ze een vergoeding zouden krijgen en kinderbijslag. Maar dat bleek in mijn geval niet waar te zijn.
Ik was immers een illegaal pleegkind, en zij zouden die vergoeding nooit kunnen aanvragen zonder het achterste van hun tong te moeten laten zien.

Toen ik mijn bazin en baas op de hoogte bracht, hoopte ik nog dat zij het zouden oplossen. Maar tevergeefs.
Ik bleef wat ik was. Ik zou mijn ganse leven een fabrieksarbeidster blijven.
En ik voelde mij daar doodongelukkig bij.

©Huismusje

EEN DRUPPEL TEVEEL

Het was stilte voor de storm!
De stilte zat langs de kant van mijn pleegouders, de storm zat in mij.
Nog steeds ging ik braaf naar de fabriek, gaf mijn centjes af, en kreeg er niets voor terug.
Ik was immers aan het afbetalen, weet je wel! Al die jaren dat ik bij hen had ingewoond, en waarvoor zij het beloofde geld van mijn biologische moeder niet hadden gekregen.
Op mijn vraag hoeveel dat dit dan wel was kreeg ik enkel een schampere lach als antwoord.
Ik zou nooit genoeg kunnen verdiene  om alles terug te betalen, werd mij gezegd.
Het zag er allemaal uitzichtloos uit en ik werd daar erg  moedeloos van. Al jaren voelde ik mij ellendig.
Het was alle dagen vechten om rechtop te kunnen blijven.

Ik was als baby geboren met een omgekeerd bioritme, ik nam de dag voor de nacht.
Maar door al de problemen "thuis" sliep ik alsmaar slechter en slechter.
Ik hield meer en meer van de nacht en van het alleen zijn.
Wanneer iedereen sliep had ik niets te vrezen.
Dan kon ik lezen Of dromen van dingen die ik miste. Of gewoon niets doen en mijn hoofd tot rust laten komen.
Dan hoefde ik geen scheldwoorden te aanhoren en straf of slagen te vrezen.

Maar dat had natuurlijk een nadeel.
Meermaals ging ik werken na slechts één of twee uren geslapen te hebben.
Wanneer je jong bent heb je wel een groot uithoudingsvermogen, maar eens houdt het op.
Zo kwam het dat ik op een keer gewoon in slaap viel op de fabriek tijdens de lunchpauze bij de warme kachel.
Op een dag barstte de bom!
Mijn pleegmoeder zei dat er geen brood genoeg was voor mij om mee te nemen naar het werk.
Ik werd naar de bakker gestuurd achter brood en koffiekoeken.
De koffiekoeken waren , natuurlijk, voor mijn pleegbroer.
Ik sputterde wat tegen, want ten eerste moest ik mij dan reppen om nog op tijd op het werk te komen, en ten tweede, ik wilde ook wel eens een keer koffiekoeken mee hebben.
Waarom kon ze niet zelf even gaan vroeg ik? Of mijn pleegbroer?
Haar antwoord: "ik was een kreng en een luiaard en als ik niet naar de bakker ging dan kon ik vertrekken zonder eten."
Ik hield voet bij stek,  ik zou niet naar de bakker gaan als ik geen koffiekoeken kreeg. Dat was heel onverstandig van mij!
Mijn pleegmoeder werd ziedend, en zij klauwde haar handen in mijn haren en zei dat ik moest maken dat ik wegkwam, of......

En toen brak er iets in mij!
Het werd mij allemaal teveel!
Het geklooi met oom D dat ik moest verzwijgen... het getreiter van mijn pleegbroer...  mijn uitzichtloze situatie... het gebrek aan liefde en genegenheid...het werd me allemaal teveel.
Het leek net alsof op dat moment alle voorbije jaren met razendsnelle flitsen door mijn hoofd schoten.
Ik voelde geen pijn, alleen een gloeiende razernij die uit elke porie van mijn lichaam opborrelde.
 
Ik moet er op dat moment als een waanzinnige hebben uitgezien. Want mijn pleegmoeder lostte haar greep en deinsde achteruit. Maar ze was niet snel genoeg.
Ik voelde niets en ik zag niets. Enkel een obstakel dat mij pijn deed. Een obstakel dat ik uit de weg moest ruimen.
En ik werd er mij  pas van bewust, door het gillen van mijn pleegbroer en doordat mijn pleegvader aan mijn kleren trok en met zijn vuisten op mijn rug sloeg, dat ik haar keel aan het dichtknijpen was.

Uiteindelijk deed mijn pleegvader wat men bij vechtende katten ook doet en gooide koud water over ons heen.
Ik ben hem er nog steeds dankbaar voor. Want het was zowel haar redding, als de mijne.

Zij zakte door haar benen. En terwijl "pa" zich met haar bezig hield, nam ik haar doos slaappillen van het nachtkastje en slikte ze allemaal door. Daarbij nog alle andere pijnstillers die ik vond.
En toen ben ik kalm naar buiten gelopen, kletsnat en zonder jas.
Het was winter maar ik voelde de kou niet. Ik ben wat verderop in de straat in een portiek gaan zitten. Het is daar dat men mij bewusteloos vond.

Men kende me en wist men waar ik woonde.
Omdat wij geen telefoon hadden belden de buren de ziekenwagen.

Men had mijn maag leeg gepompt en dat was geen prettig gevoel. Mijn mond was kurkdroog en zag zwart van een goedje dat men ye slikken had gegeven.
Maar het meest onaangename was dat mijn pleegmoeder naast mijn bed stond.
Ik was er zeker van dat ik haar gedood had, al had ik haar horen vloeken toen ik buiten liep.
Maar het zijn verwarde flarden die ik heb van die ogenblikken.

Ik meende dat ik kalm de straat was opgelopen, maar nadien vertelde men mij dat ik dat luid gillend had gedaan.
Eerst dacht ik dat ik droomde toen ik haar naast mijn ziekenhuisbed zag staan. Maar toen ik besefte dat ze er werkelijk stond ben ik weer beginnen gillen en wou  het bed uitspringen.

Het is moeilijk te geloven maar mijn pleegmoeder deed tegenover het verpleeg personeel als of ze niet wist wat er aan de hand was.
Waarom en hoe, vroeg de dokter? Mijn pleegmoeder gaven geen krimp.

Na een week in het ziekenhuis mocht ik weer naar "huis".
Maar ik mocht niet gaan werken. Ik had een zware depressie.
Dagen aan stuk leek ik een slaapwandelaar. Was mij niet bewust van de dingen die rondom mij gebeurde.

Ik heb maanden thuisgezeten zonder te kunnen werken.
Mijn pleegmoeder vond dit allesbehalve prettig, maar ze zweeg.
Het énig dat ze mij zei was dat ik voorgoed bij hen weg zou moeten. Dat vond ik fijn om horen.
Ik wou niet meer blijven!
©Huismusje

PLAATSING

Ik was net geen vijftien jaar.
Al maanden liep ik rond als een zombie. Ik had een zware depressie volgens de dokters van het ziekenhuis.
Naar het waarom heeft nooit iemand gezocht.
Van pillen slikken wordt ze wel weer vrolijk moeten ze  gedacht hebben.
Maar mijn situatie bij mijn pleegouders was verre van vrolijk. Nooit geweest, en dat zou het ook nooit worden.

Mijn pleegmoeder was bijzonder pissig omdat het zo lang duurde voor ik weer mocht gaan werken. Tegen de dokter durfde ze niets zeggen maar ik kreeg elke dag te horen dat wie niet werkt ook niet te eten krijgt.
"Ik was een geboren luiaard, een parasiet zoals een luis of een bloedzuiger, een komediant."
Het zijn enkele specifieke woorden die mij zijn bijgebleven omdat ze mij ondanks de vele pillen pijn deden. Want er zullen er vast nog lelijker uit haar mond zijn gekomen.

Het was een feit dat ik het werken op een fabriek haatte. Maar ik deed het wel!
Er zijn zovele mensen die op een fabriek werken, en met plezier, maar er zijn er evenveel die daarbij hun verstand op nul zetten en zo de dag doorkomen.
Omdat het moet. Omdat ze geen andere keuze hebben.
Ik behoorde tot die laatste.

Ik was echter te jong om mijn verstand op nul te kunnen zetten.
Ik was een opstandige tiener. Ik wilde meer. Meer kunnen... meer worden...meer zijn.
Maar het lukte mij niet.

Wanneer ik daar met mijn pleegouders probeerde over te praten, kreeg ik steevast het deksel op mijn neus en een resem scheldnamen bovenop.
Zo kwam ik aan het einde van mijn incasseringsvermogen. Met tot gevolg een totale lethargie.

Ik zat nog ongewassen en in mijn pyjama aan tafel toen er werd gebeld.
Mijn pleegmoeder zei: "Aha, eindelijk zijn we van je af " en deed de deur open.
Haar woorden drongen niet echt tot mij door. Achter haar aan kwamen twee politieagenten binnen en twee mannen in burger. De twee laatsten waren van de Jeugdbrigade.
Die mannen kende ik omdat zij sinds mijn twaalfde op controle waren geweest.
Maar nooit hadden ze mijn visie gevraagd. Ze luisterden enkel naar de klachten van mijn pleegmoeder. Zelfs mijn pleegvader was nooit aanwezig tijdens die controles.

Met groot machtsvertoon gebood men mij om me aan te kleden "En wel nu meteen!" blafte de agent.
Een van de politieagenten ging met me mee de slaapkamer in en bleef bij me tot ik aangekleed was. De andere politieagent bleef demonstratief met zijn hand op zijn revolver en wijdbeens voor de deur staan.
Het beeld van dat alles blijft tot op vandaag op mijn netvlies gebrand staan.

Terwijl ik deed wat men mij gebood, hoorde ik de twee mannen van de jeugdbrigade tegen mijn pleegmoeder zeggen;" Het heeft lang geduurd, onze verontschuldigingen daarvoor, maar vanaf nu nemen wij uw zorgen uit uw handen.". " Als u hier en hier zou willen tekenen?"
Mijn pleegmoeder weigerde dat en zei dat men die papieren maar moesten voorleggen aan mijn "echte" moeder.
Er was daarover nog enig geharrewar tussen mijn pleegmoeder en de heren. Maar uiteindelijk staken zij de papieren terug weg zonder handtekening. De politiemannen namen me bij de armen tussen hen in naar buiten.
Daar stond een combi van de politie en daar werd ik hardhandig ingeduwd.
Eén van de agenten stapte mee vanachter in de combi. Net alsof ik een zware crimineel was.

Op straat bleven mensen staan en sloegen het tafereel gade.
Ik ging door de grond van schaamte, al begreep ik er niks van en beleefde alles zoals in een kwade droom.
Mijn pleegmoeder stond in het deuropening samen met mijn pleegbroer.
Ze wuifden beide lachend naar mij zoals men wuift naar een baby. DaDa... Toen gingen ze lachend naar binnen en gooiden de voordeur dicht nog voor de politieauto zich in beweging zette.
Na wat een eeuwigheid leek te duren, vertrok de politiewagen uiteindelijk ook.
Ik stelde de agenten vele vragen maar kreeg enkel de opdracht om mijn mond te houden.
Ik werd afgeleverd in de kelders van het Antwerps justitiepaleis en werd daar meteen in een cel gestoken.
Men kwam mij zeggen dat de jeugdrechter niet beschikbaar was en dat ik moest wachten tot na de middag.
Op de middag werd ik uit mijn cel gehaald om te gaan eten.
Een lange houten tafel stond gedekt in het midden van een gang tussen een rijen van cellen in. Ik zag oude mannen (in mijn ogen toch) die geboeid zaten te eten.
Ik zag een resem rijkswachters tussen hen in staan.
Ook mij wilde men handboeien omdoen maar één van die rijkswachters zei dat dit niet nodig was.
Er was een warme maaltijd geserveerd, maar ik kreeg geen hap door mijn keel.

Omdat ik ogenschijnlijk te dwars was om te eten trok men mij van de tafel weg en smeet me terug in mijn cel.

Uiteindelijk, na urenlang wachten in die cel, kwam men mij halen.
Het was één van die mannen van de jeugdbrigade die met mij naar boven ging naar het kabinet van de jeugdrechter.
De jeugdrechter zijn naam was Maes. Meneer Maes, moest ik zeggen.
Hij las in stilte enkele papieren door en daarna las hij ze hardop voor aan mij.
Maar ik herinner mij niets meer van , ook niets van war hij me zegde.
Wel hoorde ik daar voor het eerst de volledige naam van mijn biologische moeder.
Hoorde dat zij onvindbaar was en dat mijn vader onbekend was.
Tevens vernam ik dat de Procureur des Konings mijn voogd was.
Ik heb mij later meermaals afgevraagd wat de taak van die man dan wel mocht zijn geweest ten overstaan van mij.
Want een voogd is toch iemand die toezicht moet houden op zijn pupil, niet?
Als dat zo is dan had die man mij voorzeker beschouwd als een afgedankte lap die men deponeert in een oude dekenkist op een stoffige zolder.
Na het vele palaveren heen en weer tussen de jeugdrechter, zijn bijzitters en de man van de jeugdbrigade (wiens naam en gezicht ik ook nooit zal vergeten) werd er aan mij gevraagd wat ik dacht dat er met mij moest gebeuren.
Men moest het mij twee keer vragen omdat ik zo onder de indruk was én zo onder de pillen zat dat ik er me niet eens bewust van was dat mij een vraag was gesteld..
Ik zei dat ik naar "huis" wou, maar daar werd ietwat schamper mee gelachen.
Er werd mij meegedeeld dat ik naar een "home" zou gaan in eerste instantie om tot rust te komen.
Later zou men dan een evaluatie uitvoeren om te zien wat er verder met mij moest gebeuren.

Met een slag van de hamer werd het einde van de zaak beslecht. Met een slag van de hamer was er over mijn lot beslist.
Nog maar eens zonder tot de kern van de zaak doorgedrongen te zijn. En onder dat ik de kans had gekregen om mijn verhaal te doen. Al zou ik op dat moment niet in staat zijn geweest om zulks te doen i

Tussen twee rijkswachters in werd ik terug naar de kelders van het justitiepaleis gebracht waar een politiecombi klaarstond om mij naar het home te brengen. Al wat ik kon denken was:"Ik wou dat ik dood was."

DIKKE BOMENBREKEN OOK!

Dikke bomen barsten ook. Ik was nog een jong twijgje, heel breekbaar en kwetsbaar.

Voor de tweede maal die dag zat ik in een politiewagen.
We reden langs herkenbare straten. Ik had dan ook jarenlang op m 'n ééntje door de stad gezworven.
Het leek wel of we op weg waren naar "huis".
Ik durfde geen vragen stellen uit angst dat men mij weer met een snauw het zwijgen zou opleggen. Al  waren deze politiemannen iets vriendelijker.

De auto met de man van de jeugdbrigade reed voor ons uit.
Ik ervaarde alles als in een roes.
We kwamen aan in Berchem in een prachtige en rustige straat met het ene statige herenhuis na het andere.
Bij een van die herenhuizen stopte de politiewagen.
De man van de jeugdbrigade kwam mij halen, de politiewagen reed door. Hij nam mij stevig bij de arm en belde aan.
Nog steeds kon en durfde ik niets zeggen of vragen.

Naast de hoge dubbele eiken deur hing een koperen plaat met daarop de toepasselijke naam"Wingerdbloei".
De gevel van het huis was dan ook begroeid met dat eeuwige groen.
Er werd opengedaan door één van de bewoonsters en we kwamen in een grote wit marmeren hal met een imposante wit marmeren trap.
Net naast de voordeur leidde enkele marmeren treden naar een lager gelegen kantoor. Iets verderop in de hal was weer een dubbele hoge eiken deur. Het geheel voelde koud en kil aan.
Het huis telde drie verdiepen een kelderverdiep en tuin. Het was een imposant huis.
In feite was een prachtig huis. Maar dat besefte ik pas jaren later. Nu was het enkel iets onbekend voor mij en het vergrootte mijn al niet zo minieme angst.

De man van de jeugdbrigade daalde de drie treden af, klopte kort op de deur van het kantoor en ging ging binnen. Hij sloot de deur achter hem en liet mij alleen achter in de hal. Ik stond te daveren op mijn benen en het leek alsof ik er elk moment zou doorzakken.
Na wat een eeuwigheid leek werd ik ook binnentreden in het heilige der heiligen. Het was het kantoor van de directrice.
De kamer was niet zo heel groot. Er stonden enkele antieke kasten en een antiek bureau. Allemaal volgestouwd met bergen papieren en dossiers.
De directrice zelf zou men kunnen beschrijven als een manwijf. Maar dat zou vreselijk afbreuk doen aan haar persoonlijkheid. Want zoals ik later zou ondervinden was zij best menselijk en zeer begaan met de noden van de aan haar toevertrouwde meisjes.
Zij was van Siciliaanse afkomst. en Zij was inderdaad een lesbienne, één van het mannelijke type, maar dat wist en herkende ik toen nog niet.
Zij was een ruwe bolster met een blanke pit.
Bij haar begroeting groeide mijn angst nog een beetje meer door haar zware bulderende stem.
Wat ze allemaal tegen mij zei weet ik niet meer. ik was te zeer onder de indruk van de afgelopen uren.

Uiteindelijk nam één van de opvoedsters mij mee naar boven en gaf mij uit een enorme linnenkast wat toilet gerief en beddengoed.
Voor het eerst kreeg ik een tandenborstel, een beker en tandpasta in mijn handen, want aan tandenpoetsen werd bij mijn pleegouders niet gedaan.
Ik kreeg ook twee dikke handdoeken, één badlaken, lekker geurende zeep, shampoo, kam en haarborstel. Alles spiksplinternieuw, buiten de handdoeken dan, maar zelfs die roken heerlijk. Ondanks mijn triestheid voelde ik mij met die spullen de koning te rijk.
Mijn kleding zou ik later op de week samen met de opvoedster aan ophalen bij mijn pleegouders
Ik dacht bij me zelve dat dit niet veel tijd in beslag zou nemen want ik bezat immers weinig of geen kleding.
Ze toonde mij de badkamer met ligbad waar we zo dikwijls als we nodig achten mochten baden, weliswaar na afspraak met de opvoedster.
Verder toonde ze mij mijn kamertje.
Het was een klein chambretje, met kast, bed en lavabo en dat enkel kon worden afgesloten met een wollen gordijn. Dat laatste vond ik niet zo denderend. Maar het was regel dat wanneer de gordijn dicht was die door niemand mocht geopend worden. En die regel werd door iedereen gerespecteerd, ook door de opvoedsters. Tenzij in noodgevallen natuurlijk.

Wij werden onderverdeeld in drie leeftijdscategorieën en ondergebracht in drie verschillende panden in dezelfde straat. Ik werd gehuisvest in de eerste omdat ik bij de jongste categorie hoorde.
De meisjes die al wat ouder waren kregen een eigen kamer in het tweede huis om vervolgens naar het derde huis te verhuizen waar er minder toezicht en dus meer vrijheid was.

De aanpassing in het home was een lange en moeizame weg. Het kweken van vertrouwen in mensen die ik niet kende liep heel traag.
Omdat de mensen waar ik van hield mij niets dan pijn en verdoet bezorgden.
Naïef als ik was, was ik ondanks alles blijven geloven dat mijn pleegouders van mij hielden.
Toen dan plots het besef kwam dat ik mezelf al die tijd voor de gek had gehouden, overviel mij een levensmoeheid die eindigde in een wanhoopsdaad.
En voor die wanhoop werd ik gestraft.
Nee, Ik was geen sterke boom. Ik was een geknakte twijg.

©Huismusje

GEPLAATST KIND.

Vanaf nu stond ik geboekt als een "geplaatst kind". Maar ik stond niet onder toezicht van de jeugdrechter zoals de meeste geplaatste kinderen, zo bleek.
Mijn biologische moeder had de volle kinderrechten over mij. Maar omdat zij terecht was gekomen in een tehuis voor ongehuwde moeders, en ik niet erkend werd door mijn biologische vader, werd de Procureur Des Koning aangesteld als toeziende voogd. Omdat zij onvindbaar was nam die man de verantwoording tijdelijk over.
Op de rechtbank bleek men een dik dossier bleek  over te bezitten. Ik vraag mij nu nog steeds af wat daar allemaal in stond. Ik heb het nooit mogen inkijken.

De opvoedster van het home had mij gezegd dat in de loop van de week mijn kleding zouden gaan ophalen bij mijn pleegouders. Ik keek daar erg naar uit, niet voor de kleding want ik bezat weinig of niets en wat ik bezat was niet toonbaar en kon me enkel maar in verlegenheid brengen tegenover de andere meisjes in het home.
Maar ik keek uit naar het weerzien van mijn pleegouders. Zoals ik al schreef bleef ik van hen houden en tegen beter weten in wilde ik geloven dat zij ergens nog van mij hielden. Was het niet pleeg-ma, dan wel pleeg-pa.
Maar ik zou al gauw ontdekken dat ik beter kon stoppen met hopen en dromen.

Na het ontbijt werd ik bij de directrice geroepen.
Vlak naast de deur van haar kantoor stonden een drietal plastiek tassen.
Dat waren mijn kleren, zei ze mij.
Ik moet haar ofwel heel onnozel hebben staan aangapen, ofwel heel teleurgesteld, want ze streek medelijdend over mijn haren.

Je pleegvader heeft dit deze morgen gebracht, zei de directrice, er zit een brief bij die ik je zal voorlezen: Je pleegouders hopen dat je nu eindelijk gaat leren wat werken is... Tevens hopen zij dat je nu gaat beseffen dat je het al die tijd goed hebt gehad bij hen... maar niet apprecieerde wat ze allemaal voor je hebben gedaan...ze hopen dat het goed met je komt.
Dat was het!

De brief was niet ondertekend maar ik kon aan de hanepoten zien dat hij geschreven was door mijn pleegmoeder. Ik kon het steeds nog niet helemaal vatten, maar ik wist dat ik er vanaf nu helemaal alleen stond.
Het besef dat dit alles mij overkwam door het toedoen van mijn pleegouders was als een mokerslag
Nu deden zij wat ze mijn biologische moeder zo vaak en zo hatelijk hadden verweten. Ze lieten mij aan mijn lot over.
Bovendien maakten zij mijn schuldgevoel nog wat groter, maakten ze de wond nog wat dieper.
Met één klap was alles waarin ik geloofde, en dat was al heell weinig, weggeveegd.

Ik voelde mij als een getergde tijger in een kooi. Ik kon brullen wat ik wou, ik bleef gevangen. Overgeleverd aan.....ja, aan wie eigenlijk??
Er bleef mij maar één ding over en dat was roeien met de riemen die ik had.
Mij schikken naar alles en iedereen, en er het beste van maken.

En toen zei de directrice iets dat mij weer hoop gaf...dat mij weer liet dromen.
Ze liet me weten dat mijn toeziende voogd beslist had dat ik niet naar mijn pleegouders toe mocht gaan en zij niet naar mij mochten komen. Dat een totale breuk met mijn pleegouders nodig en in mijn voordeel zou zijn.

En in al mijn naïviteit werd ik boos op die vent. Ik kende hem totaal niet, had hem nooit gezien of gesproken, en hij mij niet. Wat wist hij nu van mij? Hoe kon hij nu weten wat voor mij het beste was? Ging hij me in huis nemen dan? Of ging hij me laten wegrotten, zoals hij al die jaren hiervoor had gedaan? Waar was hij al die tijd?

Het is maar best dat ik op al die vragen het antwoord nog niet kende op dat moment. Ik had hier waarschijnlijk niet meer gezeten.

©Huismusje

HET HOME (1)

Ik beleefde de eerste dagen in “het home” als in een kwade droom!
De vele regeltjes drongen maar mondjesmaat tot mij door. Net zo met de gesprekken die men met mij hield.
Wat had het voor zin dat ik praatte over het leven bij mijn pleegouders? Men wist het allemaal zoveel beter.
Wat had ik aan woorden als: “Het komt allemaal wel in orde” en “Je hebt nog een gans leven voor je”?
Voor mijn part konden ze allemaal de boom in!

Ik sprak mijn gedachten echter nooit uit. Ik had voor mezelf uitgemaakt dat ik nooit nog mijn gevoelens zou tonen. En ik slaagde daar wonderwel in.
Ik kreeg dan ook meteen de bijnaam “Het standbeeld”
Maar liever dat dan mijn tranen te laten lopen in het bijzijn van wie dan ook.
Ik volgde de regeltjes zonder morren of discussie.
Slechts met twee had ik het moeilijk!

Zo mochten we overdag niet zonder begeleiding naar de slaapzaal.
Wanneer we iets nodig hadden moesten we steeds aan een opvoedster vragen om met ons mee te gaan.
Dit was natuurlijk om diefstal tegen te gaan, want de ene had al meer dan de andere.
Ik heb haren in het rond zien vliegen en bloed zien vloeien omdat het ene meisje beweerde dat de andere een paar panty's had gejat van haar.
Tja, die waren niet goedkoop en we moesten ze zelf  van ons zakgeld kopen.

Dat zakgeld bedroeg -30BF.per week en dat kreeg je pas als men je eerste loon had ontvangen. Van dat zakgeld moest je zowel je sigaretten kopen als je snoepgoed.
Je werd ook verplicht om je aankopen in het home zelf te doen.
Het winkeltje was twee huizen verder gelegen in het tweede pand.
Had je geen werk, had je ook geen zakgeld. Dus daarom werd er regelmatig gestolen.
Ik kon die slaapkamer regel dus wel begrijpen, maar de manier hoe die regel werd toegepast door de opvoedsters was gewoon machtsmisbruik. Want de ene keer mocht het, de andere keer niet. En een verklaring kreeg je niet.

Wanneer je bijvoorbeeld schrijfpapier wou halen op je kamer moest je met sterke argumenten afkomen, wou je de toelating krijgen. Bij alles moest je steeds weer een uitleg geven waarom,
en dan nog kreeg je niet altijd de toelating.
Ook moest je soms een engelengeduld hebben, want de opvoedster ging alleen met je mee naar boven wanneer het haar uitkwam, en dat duurde soms wel uren.
Het was net of men je wou testen hoelang het zou duren voor opstandig zou worden. Dan volgde er natuurlijk straf!
In eerste instantie kreeg je een weigering. Dus als je wou schrijven of lezen en je papier of je boek lag boven, kon je het vergeten!
Vervolgens werd er een boete gegeven. Deze boete hield in dat er enige franken van je zakgeld afgingen, of dat men het helemaal afnam, al naargelang de overtreding.
Tenslotte nam men je je weekend af en dat was voor de meeste de ergste straf.
Voor mij maakte dat laatste niet uit want ik had niemand bij wie ik op weekend kon gaan.

Met een andere regel had ik het nog het moeilijkst!
Zo mocht je je niet afzonderen en moest je steeds in groep van minstens drie bij elkaar zitten, lopen of staan.
Het home had een redelijk grote tuin met mooie eikenbomen en ik wandelde daar graag.
Enkel in gezelschap van m ’n gedachten en gewoon tot rust komen in mezelf. Maar dat was dus verboden.
Je had op geen enkel moment wat privacy. En dat viel mij echt zwaar.

Diegene die niet uit werken gingen moesten het huis onderhouden. Dat was iets dat ik wel graag deed.
Poetsen, wassen, strijken, afwassen, koken of het ontbijt klaar zetten, ik deed het allemaal zonder tegenspraak.
Het gebeurde met een beurtrol. Elke week hing er een lijst uit met de taken die we op ons moesten nemen. Ook elke taak werd door minstens drie meisjes gedaan.

De eerste maand van mijn verblijf nam ik hun taak meestal over om toch maar bezig te kunnen zijn en niet te hoeven denken.
De smerigste karwei was eens per week alle maandverbanden verbranden in de tuin.
Het was vies en het stonk van jewelste, maar vooral kroop er veel tijd in.
Ook die taak nam ik graag op mij. Al was het maar om heel even alleen te kunnen zijn zijn!

Doordat van de ene op de andere dag mijn medicatie was weggevallen kon ik niet slapen. Dus ik was constant moe. Maar ik was binnenin ook erg onrustig, zo onrustig dat hyperventileerde.
Maar ik vertikte het om ook maar iets te vragen of iets te zeggen.
Ik leefde als een slaapwandelaar. Men kon me niets verwijten of ten laste leggen.
Zo kwam ik de eerste maand door in “het home”.

©Huismusje

HET HOME (2)

Reeds een maand verbleef ik het home. Ondertussen had de directrice mij de brief gegeven die mijn pleegmoeder had geschreven in de eerste week. Zij had maar een klein gedeelde voorgelezen toen in haar kantoor. Misschien vond zij dat raadzamer om mij niet overstuur te maken. Ze kon natuurlijk niet weten dat al wat in die brief stond geschreven voor mij al jaren dagelijkse kost was.
Ik kon lezen mijn pleegmoeder mij liet weten dat mijn plaatsing uit hun huis mijn verdiend loon was. Dat ik het enkel aan mezelf te danken had dat het zo was mis gelopen tussen ons.
Dat ik het niet waard was om zulke brave mensen als zijzelf.........en zo wat van dat gebral.
In eerste instantie wilde ik een brief terugschrijven, maar ik mocht niet van de directrice.
Achteraf bekeken was dat misschien maar goed zo, want zelfs via een brief bleef pleeg-ma mij pijn doen
Ik was kwaad om haar oneerlijkheid en schijnveiligheid.
Jaren later besefte ik pas dat die bewuste brief een goed doordachte strategie was geweest van mijn pleegmoeder. "Pa" heeft van die brief nooit wat af geweten.
Pleeg-ma wist dat alle brieven die toekwamen in het home werden opengemaakt en gelezen voor wij ze te zien kregen.
En op die manier kon ze mijn geloofwaardigheid ondermijnen nog voor ik ze geuit had.

Zij kon natuurlijk niet weten dat ze van mijn kant niets te vrezen had. Dat ik mijn lippen stijf op elkaar hield.
omdat ik reeds vele malen ondervonden had dat er niemand om maalde hoe de vork werkelijk in de steel zat.

Omdat ik zo naar wat privacy verlangde, sloop ik 's nachts uit mijn houten kamertje.
De opvoedster sliep weliswaar op ons verdiep, maar wel in haar eigen kamer.
De marmeren trap ongehoord afdalen was geen probleem, maar de overloop ernaar toe was een ander paar mouwen, want dat was een vloer van parket.
Zo van die echte oude parket die bij elke stap kraakt, maar het lukte mij toch vrij vaak om beneden te komen zonder te worden gesnapt.
Mijn doel was de keldertrap.
Daar ging ik gewoon wat zitten niksen. Slapen kon ik nog steeds niet.
Soms nam ik een boek mee en soms had ik schrijfgerei bij me.

Tot mijn verwondering was ik lang niet de enige die op dat idee kwam.
Zo kwam het dat we dikwijls met meer dan vijf bij mekaar zaten op die ijskoude keldertrap. In dunne nachtkleding en op onze blote voeten met enkel het licht van de nood lampen.

Beetje bij beetje begon ik mijn draai te vinden.
Want hoe meer ik mij afzijdig hield hoe meer men mijn gezelschap opzocht.
Men begon spontaan zijn eigen verhaal te vertellen en ik luisterde gewillig.
Op die manier leerde ik dat ik niet alleen was die een slechte thuis had.
Dat noch mijn biologische moeder, noch mijn pleegouders de enige waren die kinderen mishandelden, verwaarloosden of in de steek lieten.
Stuk voor stuk had elkeen zijn eigen redenen om zo te handelen met hun kinderen. En wij waren zonder uitzondering daarvan de dupe.
Wij werden opgesloten, gestraft. En hun leven ging rustig verder zijn gangetje.

Tegen de opvoedsters of tegen de directrice vertelde ik niets, maar stilaan ontdooide ik wel tegenover mijn huisgenoten.
Zij wisten tenminste wat verdriet was! Zij twijfelden niet aan de echtheid van mijn woorden. Zij wisten dat het waarheid was, want zij waren ook daar geweest op één of andere manier.
Nog steeds met de nodige terughoudendheid, maar toch al wat opener en bereidwilliger, liet ik ook met mondjesmaat wat vriendschap toe.
Men leerde mij roken, men leerde me mij goed te voelen bij troost en men leerde mij wat knuffelen was.
(Dat laatste was niet steeds bedoeld als troost alleen, maar dat wist ik toen niet.)
Wij zaten allemaal in hetzelfde schuitje. Wij hadden zonder uitzondering weinig vertrouwen in volwassenen.
Wij hadden enkel elkaar. En we hadden elkaar nodig.
Stilaan verdween het meisje op de achtergrond en werd ik een jonge vrouw.

©Huismusje

HET HOME (3)

Er roerde wat in het home wat mij betreft.
De opvoedsters probeerden mij aan de praat te krijgen over mijn leven bij mijn pleegouders.
Mijn medebewoners echter hadden mij gewaarschuwd dat wanneer je veel negatiefs vertelde over je "thuis" men je zeker niet op weekend zou laten gaan.
Van dat op weekend gaan zou bij mij toch geen sprake zijn maar desalniettemin loste ik geen woord.
Ik besefte maar al te goed dat het hen niet te doen was uit oprechte interesse in mij.
Het was hen enkel te doen om een juist profiel van mij te kunnen opmaken.

Buiten één opvoedster die bijna de pensioengerechtigde leeftijd bereikt had, waren de anderen vrij jong. Twee van hen waren zelfs stagiairs.
Iets in mij verzette zich om hen ten koste van mijn ellende goede punten te laten behalen.
Uiteindelijk werden dan maar de grote kanonnen ingezet en moest ik tweemaal per week bij de directrice op kantoor komen.
Nu had zij de "moederlijke aanpak" goed onder de knie en na een beetje peuteren vertelde ik het een en ander.
Maar wat ik vreemd vond was dat ze mij op een keer  vroeg naar de financiële situatie van mijn pleegouders.

Nu was mij door pleeg-ma altijd opgedragen om te zwijgen over het bijbaantje van pleeg-pa.
Uit wraak en boosheid legde ik haarfijn uit hoe en waar hij werkte.
Ook werd er steeds gevraagd naar mijn moeder.
Net als bij een verhoor werd die vraag steeds als bij verrassing gesteld.
Nu, daar hoefde ik ook niet om te liegen, ik had haar nog nooit gezien of gehoord.
Maar ik vertelde haar niet wat mijn pleegmoeder mij allemaal naar mijn hoofd slingerde over haar.
Want ik meende dat men mij naar haar toe wilde sturen.

Dat was wishful thinking natuurlijk.
In gedachten zag ik hoe mijn jonge knappe moeder mij zou komen ophalen en mij zou meenemen om bij haar te gaan wonen.
Natuurlijk zou zij prachtig wonen, en ging ik daar een heerlijk leiden en leefde ik nog lang en gelukkig.

In de plaats daarvan liet de directrice mij onomwonden weten dat ik niet in het home zou kunnen blijven.
Er moest betaald worden voor mijn verblijf daar.
Bij de anderen werd dat gedaan door de ouders, goedschiks of kwaadschiks, al dan niet opgelegd door de wet.
Maar ik had geen ouders.
Mijn pleegouders hadden geen rechten, maar ook geen plichten tegenover mij.
Mijn droom moeder was niet te vinden of was niet in staat om te betalen voor mij. Dat werd mij klaar en duidelijk medegedeeld.
Eens temeer stond ik met mijn rug tegen de muur.
Net toen ik mij een beetje begon te integreren, kreeg ik dat nieuws te verwerken.

De directrice zei me dat er toch een klein lichtpuntje was.
Mijn toeziende voogd was van mening dat ik terug naar school toe moest. En dat kon niet vanuit het home als niemand ervoor betaalde. Omdat het gedeeltelijk een privé instelling was, of zoiets. Maar wanneer ik die man in een brief zou laten weten dat ik liever ging werken, dan kon ik misschien toch blijven. Want dan kon ik mezelf bedruipen.
Ondertussen had men alvast werk gezocht en gevonden.
Ik twijfelde niet lang. Had tenslotte ook niet veel keuze. Ik schreef de brief.
De week daarop reds begon te werken op een marsepein fabriekje.
Het was gelegen in dezelfde straat als het home.

En weer begon ik de toekomst vol goede moed in te zien.
Nu zou ik eindelijk zakgeld krijgen. En ik zou in het weekend al eens mee op groep uitstap mogen.
Uit verhalen van hen die dit al hadden mogen doen kon ik opmaken dat die uitstappen altijd heel leuk waren.

En dus werkte ik ijverig op dat fabriekje. Ik probeerde te vergeten welke hekel ik had aan fabriekswerk. Ik volgde stipt de regels van het home en zorgde ervoor dat men mij geen enkele opmerking of verwijt kon maken.

Maar hoe hard ik ook mijn best deed. En hoe klein de dromen ook waren die ik probeerde waar te maken, het wou maar niet lukken.

©huismusje

DEJA VU

Op een maandag morgen begon ik dus vol goede moed en hoopvol te werken op de confiserie  schuin tegenover het home.
Het was wederom een klein familie bedrijfje met drie werknemers de baas en de bazin.
De baas was een kleine dikkerd met slechts één arm en één been.
Zijn vrouw was een kleine bange muis. Zij hadden vier kinderen onder de tien jaar..
Hij was een echte tiran. Zowel voor zijn personeel als voor vrouw en kinderen.
Zijn arm en zijn been was hij kwijtgeraakt door een flink pak volt door zijn lijf te krijgen bij het hangen van een luchter tijdens een verhuis.
Zijn vrouw kon nog net de stroom afzetten. Meer dood dan levend brachten ze hem naar het ziekenhuis.
Maar onkruid vergaat niet en hij was daar het levende bewijs van.

Omdat hij maar een halve vent was, moest er steeds iemand mee om te gaan leveren want zware of grote dozen dragen kon hij natuurlijk niet.
Omdat ik de jongste was mocht ik mee gaan leveren.
Ik was dolblij!
Ten eerste had ik nog bijna nooit in een auto gezeten en ten tweede was ik liever onderweg dan in een verhitte kelder amandelen te staan pellen. Hetgeen de minst leuke taak was en daarom natuurlijk ook werd toebedeeld aan de laatst bijgekomen.
Dus voor mij een welkome afwisseling.

Soms reden we gewoon de stad in. Maar zij hadden ook klanten in Wallonië.
Wanneer we voor een ganse dag weg waren gingen we op zijn kosten wat eten in een wegrestaurant of cafetaria.
Praten tegen mij deed hij weinig, maar dat gaf niet want ik had veel te veel om te bekijken.
Zo nu en dan vroeg hij iets over mijn leven, maar ik omzeilde steeds die vragen met een nietszeggend antwoord.
 Of hij vroeg hij mij iets over het leven in het home, maar ook daarover hield ik mijn antwoorden karig.

Op een gegeven ogenblik waren we weer ver van huis.
Het was mooi zomerweer en hij stelde voor om koffiekoeken te kopen en die ergens buiten te gaan opeten.
Het was voor mij allemaal goed.
Hij reed een bosweg in en ergens op een open plek stopten we.
We bleven in de auto zitten met de deuren open.
Toen we gegeten hadden stelde hij voor om nog wat te wandelen.
Ik had geen flauw vermoeden van wat mij stond te gebeuren.

Hij vroeg mij of ik niet graag wat geld voor mezelf zou hebben?
Ik dacht dat hij bedoelde dat hij mijn overuren in het zwart ging uitbetalen. Ik wist dat hij dit deed bij de andere meisjes. En dus zei ik  natuurlijk ja.
Mijn bevestigend antwoord zette hem meteen aan tot daden die ik niet had voorzien, noch zien aankomen.
In details ga ik niet treden, maar het kwam erop neer dat door mijn "ja" hij het idee had dat ik hem zeer genegen ging zijn.
Toen dat niet zo bleek te zijn werd hij heel vals.
Hij zou mij achterlaten daar in dat bos en vertellen in het home dat ik was weggelopen. Ik zou beter maar eens goed nadenken. Ondertussen bleef hij moeite doen om mij te overmeesteren, en geloof me, voor een halve vent had hij enorm veel kracht.

Uiteindelijk was ik zo radeloos dat ik het op een lopen zette.
Ik riep hem nog toe dat ik bij de eerste beste telefooncel de politie zou bellen, hetgeen natuurlijk pure bluf was van mij.
Ik vertrouwde immers geen politie.
Ik liep de weg terug af die we gekomen waren, wetende dat aan de rand van het bos een drukke verkeersweg liep.
Hij haalde mij even later in met zijn auto en gebood mij om in te stappen. Zei sorry, had mij verkeerd begrepen verklaarde hij. Het zou niet weer gebeuren.

Hij vertelde mij gauw nog even dat één van zijn  meisjes dat ook met hem deed en dat hij haar daar dik voor betaalde. Maar dat meisje was een vrouw van midden twintig. Geen vijftien, zoals ik.
Ik stapte in want wist anders niet hoe ik thuis moest  komen. Ik wist niet eens waar we waren!  Maar ik was vooral bang dat hij anders zijn bedreiging zou uitvoeren en gaan vertellen dat ik was weggelopen. Ik wist ondertussen al verdomd goed dat men hem eerder zou geloven dan mij.

Dit alles gebeurde op een woensdag, en op vrijdag kreeg ik mijn ontslag.
Ik had in het home tegen niemand iets gezegd van het voorval. Dat zwijgen als vermoord beter is dan praten had ik ook al jong geleerd.

Toen Juffrouw Beatrix, zo noemde de directrice, van mijn ontslag hoorde riep ze mij bij zich.
Of ze een vermoeden had weet ik niet, maar ze vroeg mij herhaaldelijk of er wat gebeurd was. Maar ik bleef zwijgen.
Juffrouw B. vond het niet zo best dat ik ontslagen was, het zou in mijn nadeel werken bij mijn voogd, zei ze. Maar ik vond nog diezelfde week ander werk,
ditmaal in een boekbinderij.
Er werkten nog meisjes uit het home, dus 's morgens gingen we met z'n allen samen naar het werk. Het werk zelf was leuk en de sfeer was heel aangenaam.
Ik was er graag. En men  had mij graag.
Maar dit was niet het mooie einde van een sprookje!


PS: Jaren later wandelde ik met dochterlief in haar kinderwagen toen plots en auto naast mij stopte. Ik dacht dat de man de weg wou vragen en stapte naar hem toe.
Het was de baas van het marsepein fabriek. Hij vroeg of ik ondertussen veranderd was van gedacht en nu misschien  wat extra geld kon gebruiken.
Ik ben zwijgend voortgestapt en liet de smeerlap voor wat hij was.
©huismusje

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten