HET HOME (2)


Reeds een maand verbleef ik het home. Ondertussen had de directrice mij de brief gegeven die mijn pleegmoeder had geschreven in de eerste week. Zij had maar een klein gedeelde voorgelezen toen in haar kantoor. Misschien vond zij dat raadzamer om mij niet overstuur te maken. Ze kon natuurlijk niet weten dat al wat in die brief stond geschreven voor mij al jaren dagelijkse kost was.
Ik kon lezen mijn
pleegmoeder mij liet weten dat mijn plaatsing uit hun huis mijn verdiend loon
was. Dat ik het enkel aan mezelf te danken had dat het zo was mis
gelopen tussen ons.
Dat ik het niet waard was om zulke brave mensen als zijzelf.........en zo wat van dat gebral.
In eerste instantie wilde ik een brief terugschrijven, maar ik mocht niet van de directrice.
Achteraf bekeken was dat misschien maar goed zo, want zelfs via een brief bleef pleeg-ma mij pijn doen
Ik was kwaad om haar oneerlijkheid en schijnveiligheid.
Jaren
later besefte ik pas dat die bewuste brief een goed doordachte
strategie was geweest van mijn pleegmoeder. "Pa" heeft van die
brief nooit wat af geweten.
Pleeg-ma wist dat alle brieven die toekwamen in het home werden opengemaakt en gelezen voor wij ze te zien kregen.
En op die manier kon ze mijn geloofwaardigheid ondermijnen nog voor ik ze geuit had.
Zij kon natuurlijk niet weten dat ze van mijn kant niets te vrezen had. Dat ik mijn lippen stijf op elkaar hield.
omdat ik reeds vele malen ondervonden had dat er
niemand om maalde hoe de vork werkelijk in de steel zat.
Omdat ik zo naar wat privacy verlangde, sloop ik 's nachts uit mijn houten kamertje.
De opvoedster sliep weliswaar op ons verdiep, maar wel in haar eigen kamer.
De marmeren trap ongehoord afdalen was geen probleem, maar de overloop ernaar toe was een ander paar mouwen, want dat was een vloer van parket.
Zo van die echte oude parket die bij elke stap kraakt, maar het lukte mij toch vrij vaak om beneden te komen zonder te worden gesnapt.
Mijn doel was de keldertrap.
Daar ging ik gewoon wat zitten niksen. Slapen kon ik nog steeds niet.
Soms nam ik een boek mee en soms had ik schrijfgerei bij me.
Tot mijn verwondering was ik lang niet de enige die op dat idee kwam.
Zo
kwam het dat we dikwijls met meer dan vijf bij mekaar zaten op die
ijskoude keldertrap. In dunne nachtkleding en op onze blote
voeten met enkel het licht van de nood lampen.
Beetje bij beetje begon ik mijn draai te vinden.
Want hoe meer ik mij afzijdig hield hoe meer men mijn gezelschap opzocht.
Men begon spontaan zijn eigen verhaal te vertellen en ik luisterde gewillig.
Op die manier leerde ik dat ik niet alleen was die een slechte thuis had.
Dat
noch mijn biologische moeder, noch mijn pleegouders de enige waren die
kinderen mishandelden, verwaarloosden of in de steek lieten.
Stuk voor stuk had elkeen zijn eigen redenen om zo te handelen met hun kinderen. En wij waren zonder uitzondering daarvan de dupe.
Wij werden opgesloten, gestraft. En hun leven ging rustig verder zijn gangetje.
Tegen de opvoedsters of tegen de directrice vertelde ik niets, maar stilaan ontdooide ik wel tegenover mijn huisgenoten.
Zij
wisten tenminste wat verdriet was! Zij twijfelden niet aan de echtheid
van mijn woorden. Zij wisten dat het waarheid was, want zij waren ook daar geweest op één of andere manier.
Nog steeds met de nodige
terughoudendheid, maar toch al wat opener en bereidwilliger, liet ik
ook met mondjesmaat wat vriendschap toe.
Men leerde mij roken, men leerde me mij goed te voelen bij troost en men leerde mij wat knuffelen was.
(Dat laatste was niet steeds bedoeld als troost alleen, maar dat wist ik toen niet.)
Wij zaten allemaal in hetzelfde schuitje. Wij hadden zonder uitzondering weinig vertrouwen in volwassenen.
Wij hadden enkel elkaar. En we hadden elkaar nodig.
Stilaan verdween het meisje op de achtergrond en werd ik een jonge vrouw.





















