PLAATSING

Ik was net geen vijftien jaar.Al maanden liep ik rond als een zombie. Ik had een zware depressie volgens de dokters van het ziekenhuis.
Naar het waarom heeft nooit iemand gezocht.
Van pillen slikken wordt ze wel weer vrolijk moeten ze gedacht hebben.
Maar mijn situatie bij mijn pleegouders was verre van vrolijk. Nooit geweest, en dat zou het ook nooit worden.
Mijn pleegmoeder was bijzonder pissig omdat het zo lang duurde voor ik weer mocht gaan werken. Tegen de dokter durfde ze niets zeggen maar ik kreeg elke dag te horen dat wie niet werkt ook niet te eten krijgt.
"Ik was een geboren luiaard, een parasiet zoals een luis of een bloedzuiger, een komediant."
Het zijn enkele specifieke woorden die mij zijn bijgebleven omdat ze mij ondanks de vele pillen pijn deden. Want er zullen er vast nog lelijker uit haar mond zijn gekomen.
Het was een feit dat ik het werken op een fabriek haatte. Maar ik deed het wel!
Er zijn zovele mensen die op een fabriek werken, en met plezier, maar er zijn er evenveel die daarbij hun verstand op nul zetten en zo de dag doorkomen.
Omdat het moet. Omdat ze geen andere keuze hebben.
Ik behoorde tot die laatste.
Ik was echter te jong om mijn verstand op nul te kunnen zetten.
Ik was een opstandige tiener. Ik wilde meer. Meer kunnen... meer worden...meer zijn.
Maar het lukte mij niet.
Wanneer ik daar met mijn pleegouders probeerde over te praten, kreeg ik steevast het deksel op mijn neus en een resem scheldnamen bovenop.
Zo kwam ik aan het einde van mijn incasseringsvermogen. Met tot gevolg een totale lethargie.
Ik zat nog ongewassen en in mijn pyjama aan tafel toen er werd gebeld.
Mijn pleegmoeder zei: "Aha, eindelijk zijn we van je af " en deed de deur open.
Haar
woorden drongen niet echt tot mij door. Achter haar aan kwamen
twee politieagenten binnen en twee mannen in burger. De twee laatsten waren van de Jeugdbrigade.
Die mannen kende ik omdat zij sinds mijn twaalfde op controle waren geweest.
Maar nooit hadden ze mijn visie gevraagd. Ze luisterden enkel naar de klachten van mijn pleegmoeder. Zelfs mijn pleegvader was nooit aanwezig tijdens
die controles.
Met groot machtsvertoon gebood men mij om me aan te kleden "En wel nu meteen!" blafte de agent.
Een van de politieagenten ging met me mee de slaapkamer in en bleef bij me tot ik aangekleed was. De
andere politieagent bleef demonstratief met zijn hand op zijn revolver
en wijdbeens voor de deur staan.
Het beeld van dat alles blijft tot op vandaag op mijn netvlies gebrand staan.
Terwijl ik deed wat men mij gebood,
hoorde ik de twee mannen van de jeugdbrigade tegen mijn pleegmoeder
zeggen;" Het heeft lang geduurd, onze verontschuldigingen daarvoor,
maar vanaf nu nemen wij uw zorgen uit uw handen.". " Als u hier en hier
zou willen tekenen?"
Mijn pleegmoeder weigerde dat en zei dat men die papieren maar moesten voorleggen aan mijn "echte" moeder.
Er
was daarover nog enig geharrewar tussen mijn pleegmoeder en de heren. Maar uiteindelijk staken zij de papieren terug weg zonder handtekening. De politiemannen
namen me bij de armen tussen hen in naar buiten.
Daar stond een combi van de politie en daar werd ik hardhandig ingeduwd.
Eén van de agenten stapte mee vanachter in de combi. Net alsof ik een zware crimineel was.
Op straat bleven mensen staan en sloegen het tafereel gade.
Ik ging door de grond van schaamte, al begreep ik er niks van en beleefde alles zoals in een kwade droom.
Mijn pleegmoeder stond in het deuropening samen met mijn pleegbroer.
Ze wuifden beide lachend naar mij zoals men wuift naar een baby. DaDa...
Toen gingen ze lachend naar binnen en gooiden de voordeur dicht nog voor de politieauto
zich in beweging zette.
Na wat een eeuwigheid leek te duren, vertrok de politiewagen uiteindelijk ook.
Ik stelde de agenten vele vragen maar kreeg enkel de opdracht om mijn mond te houden.
Ik werd afgeleverd in de kelders van het Antwerps justitiepaleis en werd daar meteen in een cel gestoken.
Men kwam mij zeggen dat de jeugdrechter niet beschikbaar was en dat ik moest wachten tot na de middag.
Op de middag werd ik uit mijn cel gehaald om te gaan eten.
Een lange houten tafel stond gedekt in het midden van een gang tussen een rijen van cellen in. Ik zag oude mannen (in mijn ogen toch) die geboeid zaten te eten.
Ik zag een resem rijkswachters tussen hen in staan.
Ook mij wilde men handboeien omdoen maar één van die rijkswachters zei dat dit niet nodig was.
Er was een warme maaltijd geserveerd, maar ik kreeg geen hap door mijn keel.
Omdat ik ogenschijnlijk te dwars was om te eten trok men mij van de tafel weg en smeet me terug in mijn cel.
Uiteindelijk, na urenlang wachten in die cel, kwam men mij halen.
Het was één van die mannen van de jeugdbrigade die met mij naar boven ging naar het kabinet van de jeugdrechter.
De jeugdrechter zijn naam was Maes. Meneer Maes, moest ik zeggen.
Hij las in stilte enkele papieren door en
daarna las hij ze hardop voor aan mij.
Maar ik herinner mij niets meer van , ook niets van war hij me zegde.
Wel hoorde ik daar voor het eerst de volledige naam van mijn biologische moeder.
Hoorde dat zij onvindbaar was en dat mijn vader onbekend was.
Tevens vernam ik dat de Procureur des Konings mijn voogd was.
Ik heb mij later meermaals afgevraagd wat de taak van die man dan wel mocht zijn geweest ten overstaan van mij.
Want een voogd is toch iemand die toezicht moet houden op zijn pupil, niet?
Als dat zo is dan had die man mij voorzeker beschouwd als een afgedankte lap die men deponeert in een oude dekenkist op een stoffige zolder.
Na het vele palaveren heen en weer tussen de jeugdrechter, zijn bijzitters en de man van de jeugdbrigade (wiens naam en gezicht ik ook nooit zal
vergeten) werd er aan mij gevraagd wat ik dacht dat er met mij moest
gebeuren.
Men moest het mij twee keer vragen omdat ik zo onder de indruk was én zo onder de pillen zat dat ik er me niet eens bewust van was dat mij een vraag was gesteld..
Ik zei dat ik naar "huis" wou, maar daar werd ietwat schamper mee gelachen.
Er werd mij meegedeeld dat ik naar een "home" zou gaan in eerste instantie om tot rust te komen.
Later zou men dan een evaluatie uitvoeren om te zien wat er verder met mij moest gebeuren.
Met een slag van de hamer werd het einde van de zaak beslecht. Met een slag van de hamer was er over mijn lot beslist.
Nog maar eens zonder tot de kern van de zaak doorgedrongen te zijn. En onder
dat ik de kans had gekregen om mijn verhaal te doen. Al zou ik op dat moment niet in staat zijn geweest om zulks te doen
i
Tussen twee rijkswachters in werd ik terug naar de kelders van het justitiepaleis gebracht waar een politiecombi klaarstond om mij naar het home te brengen. Al wat ik kon denken was:"Ik wou dat ik dood was."




















