DE HARMONIE.


Enkele deuren verder in onze straat zetelde een harmonie.
Iedere zaterdag en zondag kwamen zij op straat.
Al lang voor hun vertrek stond ik toe te kijken naar de majorettes in hun mooie uniformen.
Ze droegen een witte zijden blouse met op de voorkant acht gouden Twee op elke mouw aan de polsen, en op elke schouder nog twee goeden epauletten met gouden franjes.
Onder de blouse een korte spierwitte plooirok.
In die tijd was er van de minirok nog geen sprake dus dat oogde heel sexy.
Aan de voeten witte halfhoge laarsjes met een kleine hak en aan weerszijde een wit lederen kwastje dat bij elke stap vrolijk zwierde.
Op het hoofd een prachtige hoge witte "pelsenberenmuts" met een al even prachtige pluim cocarde.
Om het geheel af te maken droegen ze een dubbel gestoffeerde cape die tot net voorbij het middel viel.
De ene kant van de cape had eveneens een turquoise kleur, de andere kant was geel.
De cape werd zo gefrappeerd dat je beide kleuren zag.
Sneeuwwitte handschoenen en witte lederen manchetten die met een riempje rond de pols zaten maakte het mooie plaatje compleet.
Oeps, nu vergeet ik nog het belangrijkste attribuut, de majorettestok.
Geen twirling staaf zoals nu, maar een heuse majoor-tamboer stok met gouden sierkoorden, gouden kwast en grote nikkelen bol bovenaan.
Het muziekkorps zelf hadden een simpel grijze tenue met gele bies op de zijkant van de broekspijpen en op de mouwen van hun vest, en een grijze pet.
Wat wou ik graag deel uitmaken van de harmonie, maar het had geen zin om te dromen, want mijn pleegouders zouden nooit toestemming geven.
Wanneer het repetitie was draaide ik steeds rond in de nabijheid van het zaaltje.
De zaal was gelegen tussen twee huizen en een lange gang leidde het repetitielokaal achterin.
De voorzitster van de harmonie was de vrouw van de loodgieter en woonde eveneens in onze straat.
De zus van de voorzitster had aan de overkant van de straat een kapsalon, en daar ging pleeg-ma met mijn pleegbroer naar toe als zijn haar moest worden geknipt.
Mijn verlangen om ook bij de harmonie te gaan moet in het kapsalon ter sprake zijn gekomen want de voorzitster kwam aan de deur bellen om te vragen of ik lid wilde worden. Vermoedelijk wist zij ook gedeeltelijk hoe de situatie in mekaar zat.
De dame genoot een zeker aanzien in de buurt. Mijn pleegmoeder durfde haar dan ook niet meteen tegenspreken en gaf, weliswaar dik tegen haar zin, uiteindelijk haar fiat.
De waarborgsom voor het uniform werd betaald.
De verwijten daaromtrent nam ik er graag bij.
Elke galon moest van en weer op de blouse worden bevestigt bij elke wasbeurt.
En ook dat nam "ma" voor haar rekening. Want het was allemaal delicaat materiaal, en bij beschadiging werd de borgsom ingehouden bij het retourneren van.
Toen ik voor de allereerst keer meedeed aan een parade was ik trots als een pauw.
Ik had dan ook in een mum van tijd alle oefeningen onder de knie gekregen.
Ik had het gevoel dat iedereen enkel naar mij keek en dat beviel mij uitzonderlijk goed.
De vriendschap en het samenhorigheidsgevoel van alle leden deed me heel goed.
Er waren regelmatig fuiven en bals.
Elke uitstap was een avontuur naar een voor mij onbekende stad of dorp.
Ik beleefde daar mijn eerste liefde en eveneens mijn eerste liefdesverdriet.
Het leek een sprookje.
Maar aan alle sprookjes komt een einde.



















