MENEER PASTOOR

Vroeger was het de gewoonte dat telkens wanneer je naar een nieuwe parochie verhuisde, meneer pastoor de nieuwe parochianen kwam verwelkomen. Zo ook bij ons.
Meneer pastoor kwam niet persoonlijk, maar stuurde zijn onderpastoor.
Die onderpastoor was een jonge energieke man, Prosper Heylen genaamd.
Hij runde "Het Pleintje".
"Het Pleintje" had tot doel om de kinderen van de straat te houden.
Veel was er niet aanwezig op dat pleintje, maar wij waren in die tijd ook snel tevreden.
Men kon er rolschaatsen huren, of tafelvoetbal spelen. Er stonden een schommel, wip en schuifaf. Gewoon wat kletsen op een bankje, meiden onder mekaar kon ook.
Elke dag had meneer pastoor wel een spel uitgedacht dat we met z'n allen konden spelen, zowel de jongens als de meisjes. En hij deed dan steeds heel enthousiast met ons mee.
Wanneer ik denk aan al die keren dat ik hem heb zien rennen met zijn rokken opgetrokken tot boven zijn knieën krijg ik nog de slappe lach.
Mijn pleegmoeder pakte meteen uit in alleschijnheiligheid.
Want tegenover de pastoor deed ze zich heiliger voor dan de paus.
Luc werd in alle glorie aan de pastoor voorgesteld. En hoewel ik ook aan tafel zat deed ze of ik lucht was.
Doch dat was buiten meneer pastoor gerekend!
Hij luisterde beleefd en geduldig naar de lofzang van pleeg-ma over Luc en wees toen naar mij. Hij vroeg of ik de dochter was?
Pleeg-ma die mij als haar werk van barmhartigheid zag, vertelde hoe ik bij hen in huis was gekomen en wat een opoffering zij zich voor mij getroostten.
"Mooi" zei meneer pastoor "dan kan zij wel naar 't Pleintje komen in de vakantie."
"Daar kan ze aan volksdansen doen als ze wil en kan ze mee op kamp in de grote vakantie. " Meteen noemde hij ook de kostprijs van het plaatje.
Mijn pleegmoeder wist niet meer waar ze het had!
Zij die vol lof haar kind de hemel had ingeprezen en meneer pastoor die enkel aandacht schonk aan mij.
"Zou je dat niet graag doen" vroeg de pastoor aan mij?
Ik durfde niet te antwoorden.
Het was grote vakantie en zoals gewoonlijk hadden mijn pleegouders werk gevonden voor mij.
Ditmaal in een dokters gezin nabij het 'Museum voor Schone Kunsten.'
Maar dat mocht niemand weten en meneer pastoor al zeker niet!
Ik keek een beetje angstig naar pleeg-ma omdat ik wist wat ze van mij verwachte. Maar ik wist ook dat ze niets kon doen of zeggen met de pastoor in de buurt.
Dus trok ik mijn stoute schoenen aan en zei: "Ja meneer pastoor, dat zou ik heel graag doen."
Mijn hart bonsde in mijn keel en mijn blaas leek op springen te staan. Het was de allereerste keer dat ik in opstand kwam.
"Oh ja" zei de pastoor nog "hoe zit het met haar plechtige communie?"
Want ik werd bijna twaalf!
Pleeg-ma haar ogen schoten vuur en haar gezicht liep rood aan. Telkens de voorbode van een razernij aanval wist ik.
Ze haalde het argument aan dat zij geen vergoeding voor mij kregen en dat mijn moeder onvindbaar was.
"Arm kind" zei meneer pastoor zacht. Pleeg-ma schrok danig van die uitspraak. Die woorden had nooit eerder niemand recht in haar gezicht durven uitspreken.
Ik wist dat ik het zou moeten bekopen als het bezoek zou weg zijn maar op dat eigenste moment voelde ik mij gesterkt.
Ik had eindelijk een bondgenoot. Iemand die voor mij opkwam.
Iemand die, en dat geloof ik sterk, de ware situatie meteen doorhad.
Hoe verklaar je anders dat meneer pastoor mij kwam halen met het busje terwijl "'t Pleintje" net om de hoek lag?
Of dat hij opdracht gaf aan een van de leiders om mij op te halen?
Dat hij er voor zorgde dat pleeg-ma het geld betaalde om mee op verlof te kunnen gaan en daar bovenop zakgeld om een snoepje of drankje te kopen? Als een pitbull zat hij aan haar vel.
De zomer voor ik naar het zesde leerjaar ging was mijn mooiste zomer.
Het was de eerste zomer dat ik dagelijks kon spelen net als andere kinderen van mijn leeftijd.
De eerste vakantie dat ik niet uit huis hoefde om te gaan werken.
Ik voelde mij vrij! Ik voelde mij machtig!
Ik had gezien en gehoord hoe zwak mijn pleegouders stonden. Hoe zij moesten buigen wanneer er iemand voor mij opkwam.
Vooral mijn pleegmoeder had het daar zeer lastig mee. "Pa" was zoals steeds weinig van zeggen.
Maar voor mij zou het nu allemaal gaan veranderen!
Niet dat het beter werd. Integendeel! Maar ik maakte het hun niet zo gemakkelijk meer als voorheen.
Het is vreemd hoe machtig je jezelf kunt voelen als je gesteund wordt door iemand die het goed met je meent.
Ik was plots heel wat minder angstig en verdedigde mij wanneer ik nog maar eens de schuld kreeg van iets dat ik niet had gedaan .
Ik liet mij niet meer uitschelden zonder terug te schelden.
Door dat onaangekondigd en kort bezoek van 'meneer Heylen' (zoals alle kinderen hem noemden) had ik plots de laffe en zwakke kant van pleeg-ma ontdekt.
Ik ontdekte meteen ook dat ik verbaal sterker was dan zij. Dat ik haar meermaals met woorden schaakmat kon zetten.
Het kwam mijn situatie niet ten goede want als kind kan je uiteindelijk niet op tegen volwassenen. En ik hing nog steeds van hen af!
Mijn triomf duurde dan ook niet lang want twee jaar nadien werd Meneer Heylen overgeplaatst.
Ik heb nog vaak naar hem geïnformeerd. De mede oprichtster van "Het Pleintje" vertelde me dat hij naar de parochie van 'Sint Andries' was overgeplaatst.
Na de dood van zijn ouders erfde hij de ouderlijke boerderij. Die heeft hij omgebouwd tot opvangtehuis voor drugsverslaafden.
ik heb hem nooit meer weergezien.
Als hij nog leeft moet hij hoogbejaard zijn.
Maar ik vergeet hem nooit!














