EEN DRUPPEL TEVEEL

Het was stilte voor de storm!De stilte zat langs de kant van mijn pleegouders, de storm zat in mij.
Nog steeds ging ik braaf naar de fabriek, gaf mijn centjes af, en kreeg er niets voor terug.
Ik was immers aan het afbetalen, weet je wel! Al die jaren dat ik bij hen had ingewoond, en waarvoor zij het beloofde geld van mijn biologische moeder niet hadden gekregen.
Op mijn vraag hoeveel dat dit dan wel was kreeg ik enkel een schampere lach als antwoord.
Ik zou nooit genoeg kunnen verdiene om alles terug te betalen, werd mij gezegd.
Het zag er allemaal uitzichtloos uit en ik werd daar erg moedeloos van. Al jaren voelde ik mij ellendig.
Het was alle dagen vechten om rechtop te kunnen blijven.
Ik was als baby geboren met een omgekeerd bioritme, ik nam de dag voor de nacht.
Maar door al de problemen "thuis" sliep ik alsmaar slechter en slechter.
Ik hield meer en meer van de nacht en van het alleen zijn.
Wanneer iedereen sliep had ik niets te vrezen.
Dan kon ik lezen Of dromen van dingen die ik miste. Of gewoon niets doen en mijn hoofd tot rust laten komen.
Dan hoefde ik geen scheldwoorden te aanhoren en straf of slagen te vrezen.
Maar dat had natuurlijk een nadeel.
Meermaals ging ik werken na slechts één of twee uren geslapen te hebben.
Wanneer je jong bent heb je wel een groot uithoudingsvermogen, maar eens houdt het op.
Zo kwam het dat ik op een keer gewoon in slaap viel op de fabriek tijdens de lunchpauze bij de warme kachel.
Op een dag barstte de bom!
Mijn pleegmoeder zei dat er geen brood genoeg was voor mij om mee te nemen naar het werk.
Ik werd naar de bakker gestuurd achter brood en koffiekoeken.
De koffiekoeken waren , natuurlijk, voor mijn pleegbroer.
Ik sputterde wat tegen, want ten eerste moest ik mij dan reppen om nog op tijd op het werk te komen, en ten tweede, ik wilde ook wel eens een keer koffiekoeken mee hebben.
Waarom kon ze niet zelf even gaan vroeg ik? Of mijn pleegbroer?
Haar antwoord: "ik was een kreng en een luiaard en als ik niet naar de bakker ging dan kon ik vertrekken zonder eten."
Ik hield voet bij stek, ik zou niet naar de bakker gaan als ik geen koffiekoeken kreeg. Dat was heel onverstandig van mij!
Mijn pleegmoeder werd ziedend, en zij klauwde haar handen in mijn haren en zei dat ik moest maken dat ik wegkwam, of......
En toen brak er iets in mij!
Het werd mij allemaal teveel!
Het geklooi met oom D dat ik moest verzwijgen... het getreiter van mijn pleegbroer... mijn uitzichtloze situatie... het gebrek aan liefde en genegenheid...het werd me allemaal teveel.
Het leek net alsof op dat moment alle voorbije jaren met razendsnelle flitsen door mijn hoofd schoten.
Ik voelde geen pijn, alleen een gloeiende razernij die uit elke porie van mijn lichaam opborrelde.
Ik moet er op dat moment als een waanzinnige hebben uitgezien. Want mijn pleegmoeder lostte haar greep en deinsde achteruit. Maar ze was niet snel genoeg.
Ik voelde niets en ik zag niets. Enkel een obstakel dat mij pijn deed. Een obstakel dat ik uit de weg moest ruimen.
En ik werd er mij pas van bewust, door het gillen van mijn pleegbroer en doordat mijn pleegvader aan mijn kleren trok en met zijn vuisten op mijn rug sloeg, dat ik haar keel aan het dichtknijpen was.
Uiteindelijk deed mijn pleegvader wat men bij vechtende katten ook doet en gooide koud water over ons heen.
Ik ben hem er nog steeds dankbaar voor. Want het was zowel haar redding, als de mijne.
Zij zakte door haar benen. En terwijl "pa" zich met haar bezig hield, nam ik haar doos slaappillen van het nachtkastje en slikte ze allemaal door. Daarbij nog alle andere pijnstillers die ik vond.
En toen ben ik kalm naar buiten gelopen, kletsnat en zonder jas.
Het was winter maar ik voelde de kou niet. Ik ben wat verderop in de straat in een portiek gaan zitten. Het is daar dat men mij bewusteloos vond.
Men kende me en wist men waar ik woonde.
Omdat wij geen telefoon hadden belden de buren de ziekenwagen.
Men had mijn maag leeg gepompt en dat was geen prettig gevoel. Mijn mond was kurkdroog en zag zwart van een goedje dat men ye slikken had gegeven.
Maar het meest onaangename was dat mijn pleegmoeder naast mijn bed stond.
Ik was er zeker van dat ik haar gedood had, al had ik haar horen vloeken toen ik buiten liep.
Maar het zijn verwarde flarden die ik heb van die ogenblikken.
Ik meende dat ik kalm de straat was opgelopen, maar nadien vertelde men mij dat ik dat luid gillend had gedaan.
Eerst dacht ik dat ik droomde toen ik haar naast mijn ziekenhuisbed zag staan. Maar toen ik besefte dat ze er werkelijk stond ben ik weer beginnen gillen en wou het bed uitspringen.
Het is moeilijk te geloven maar mijn pleegmoeder deed tegenover het verpleeg personeel als of ze niet wist wat er aan de hand was.
Waarom en hoe, vroeg de dokter? Mijn pleegmoeder gaven geen krimp.
Na een week in het ziekenhuis mocht ik weer naar "huis".
Maar ik mocht niet gaan werken. Ik had een zware depressie.
Dagen aan stuk leek ik een slaapwandelaar. Was mij niet bewust van de dingen die rondom mij gebeurde.
Ik heb maanden thuisgezeten zonder te kunnen werken.
Mijn pleegmoeder vond dit allesbehalve prettig, maar ze zweeg.
Het énig dat ze mij zei was dat ik voorgoed bij hen weg zou moeten. Dat vond ik fijn om horen.
Ik wou niet meer blijven!




















