DIKKE BOMENBREKEN OOK!

Dikke bomen barsten ook. Ik was nog een jong twijgje, heel breekbaar en kwetsbaar.Voor de tweede maal die dag zat ik in een politiewagen.
We reden langs herkenbare straten. Ik had dan ook jarenlang op m 'n ééntje door de stad gezworven.
Het leek wel of we op weg waren naar "huis".
Ik durfde geen vragen stellen uit angst dat men mij weer met een snauw het zwijgen zou opleggen. Al waren deze politiemannen iets vriendelijker.
De auto met de man van de jeugdbrigade reed voor ons uit.
Ik ervaarde alles als in een roes.
We kwamen aan in Berchem in een prachtige en rustige straat met het ene statige herenhuis na het andere.
Bij een van die herenhuizen stopte de politiewagen.
De man van de jeugdbrigade kwam mij halen, de politiewagen reed door. Hij nam mij stevig bij de arm en belde aan.
Nog steeds kon en durfde ik niets zeggen of vragen.
Naast de hoge dubbele eiken deur hing een koperen plaat met daarop de toepasselijke naam"Wingerdbloei".
De gevel van het huis was dan ook begroeid met dat eeuwige groen.
Er werd opengedaan door één van de bewoonsters en we kwamen in een grote wit marmeren hal met een imposante wit marmeren trap.
Net naast de voordeur leidde enkele marmeren treden naar een lager gelegen kantoor. Iets verderop in de hal was weer een dubbele hoge eiken deur. Het geheel voelde koud en kil aan.
Het huis telde drie verdiepen een kelderverdiep en tuin. Het was een imposant huis.
In feite was een prachtig huis. Maar dat besefte ik pas jaren later. Nu was het enkel iets onbekend voor mij en het vergrootte mijn al niet zo minieme angst.
De man van de jeugdbrigade daalde de drie treden af, klopte kort op de deur van het kantoor en ging ging binnen. Hij sloot de deur achter hem en liet mij alleen achter in de hal. Ik stond te daveren op mijn benen en het leek alsof ik er elk moment zou doorzakken.
Na wat een eeuwigheid leek werd ik ook binnentreden in het heilige der heiligen. Het was het kantoor van de directrice.
De kamer was niet zo heel groot. Er stonden enkele antieke kasten en een antiek bureau. Allemaal volgestouwd met bergen papieren en dossiers.
De directrice zelf zou men kunnen beschrijven als een manwijf. Maar dat zou vreselijk afbreuk doen aan haar persoonlijkheid. Want zoals ik later zou ondervinden was zij best menselijk en zeer begaan met de noden van de aan haar toevertrouwde meisjes.
Zij was van Siciliaanse afkomst. en Zij was inderdaad een lesbienne, één van het mannelijke type, maar dat wist en herkende ik toen nog niet.
Zij was een ruwe bolster met een blanke pit.
Bij haar begroeting groeide mijn angst nog een beetje meer door haar zware bulderende stem.
Wat ze allemaal tegen mij zei weet ik niet meer. ik was te zeer onder de indruk van de afgelopen uren.
Uiteindelijk nam één van de opvoedsters mij mee naar boven en gaf mij uit een enorme linnenkast wat toilet gerief en beddengoed.
Voor het eerst kreeg ik een tandenborstel, een beker en tandpasta in mijn handen, want aan tandenpoetsen werd bij mijn pleegouders niet gedaan.
Ik kreeg ook twee dikke handdoeken, één badlaken, lekker geurende zeep, shampoo, kam en haarborstel. Alles spiksplinternieuw, buiten de handdoeken dan, maar zelfs die roken heerlijk. Ondanks mijn triestheid voelde ik mij met die spullen de koning te rijk.
Mijn kleding zou ik later op de week samen met de opvoedster aan ophalen bij mijn pleegouders
Ik dacht bij me zelve dat dit niet veel tijd in beslag zou nemen want ik bezat immers weinig of geen kleding.
Ze toonde mij de badkamer met ligbad waar we zo dikwijls als we nodig achten mochten baden, weliswaar na afspraak met de opvoedster.
Verder toonde ze mij mijn kamertje.
Het was een klein chambretje, met kast, bed en lavabo en dat enkel kon worden afgesloten met een wollen gordijn. Dat laatste vond ik niet zo denderend. Maar het was regel dat wanneer de gordijn dicht was die door niemand mocht geopend worden. En die regel werd door iedereen gerespecteerd, ook door de opvoedsters. Tenzij in noodgevallen natuurlijk.
Wij werden onderverdeeld in drie leeftijdscategorieën en ondergebracht in drie verschillende panden in dezelfde straat. Ik werd gehuisvest in de eerste omdat ik bij de jongste categorie hoorde.
De meisjes die al wat ouder waren kregen een eigen kamer in het tweede huis om vervolgens naar het derde huis te verhuizen waar er minder toezicht en dus meer vrijheid was.
De aanpassing in het home was een lange en moeizame weg. Het kweken van vertrouwen in mensen die ik niet kende liep heel traag.
Omdat de mensen waar ik van hield mij niets dan pijn en verdoet bezorgden.
Naïef als ik was, was ik ondanks alles blijven geloven dat mijn pleegouders van mij hielden.
Toen dan plots het besef kwam dat ik mezelf al die tijd voor de gek had gehouden, overviel mij een levensmoeheid die eindigde in een wanhoopsdaad.
En voor die wanhoop werd ik gestraft.
Nee, Ik was geen sterke boom. Ik was een geknakte twijg.




















