HET HOME (1)


Ik beleefde de eerste dagen in “het home” als in een kwade droom!
De vele regeltjes drongen maar mondjesmaat tot mij door. Net
zo met de gesprekken die men met mij hield.
Wat had het voor zin dat ik praatte over het leven bij mijn
pleegouders? Men wist het allemaal zoveel beter.
Wat had ik aan woorden als: “Het komt allemaal wel in orde”
en “Je hebt nog een gans leven voor je”?
Voor mijn part konden ze allemaal de boom in!
Ik sprak mijn gedachten echter nooit uit. Ik had voor mezelf
uitgemaakt dat ik nooit nog mijn gevoelens zou tonen. En ik slaagde daar
wonderwel in.
Ik kreeg dan ook meteen de bijnaam “Het standbeeld”
Maar liever dat dan mijn tranen te laten lopen in het
bijzijn van wie dan ook.
Ik volgde de regeltjes zonder morren of discussie.
Slechts met twee had ik het moeilijk!
Zo mochten we overdag niet zonder begeleiding naar de
slaapzaal.
Wanneer we iets nodig hadden moesten we steeds aan een
opvoedster vragen om met ons mee te gaan.
Dit was natuurlijk om diefstal tegen te gaan, want de ene
had al meer dan de andere.
Ik heb haren in het rond zien vliegen en bloed zien vloeien
omdat het ene meisje beweerde dat de andere een paar panty's had gejat van
haar.
Tja, die waren niet goedkoop en we moesten ze zelf van ons zakgeld kopen.
Dat zakgeld bedroeg -30BF.per week en dat kreeg je pas als
men je eerste loon had ontvangen. Van
dat zakgeld moest je zowel je sigaretten kopen als je snoepgoed.
Je werd ook verplicht om je aankopen in het home zelf te
doen.
Het winkeltje was twee huizen verder gelegen in het tweede pand.
Had je geen werk, had je ook geen zakgeld. Dus daarom werd
er regelmatig gestolen.
Ik kon die slaapkamer regel dus wel begrijpen, maar de
manier hoe die regel werd toegepast door de opvoedsters was gewoon
machtsmisbruik. Want de ene keer mocht het, de andere keer niet. En een verklaring kreeg je niet.
Wanneer je bijvoorbeeld schrijfpapier wou halen op je kamer
moest je met sterke argumenten afkomen, wou je de toelating krijgen. Bij alles
moest je steeds weer een uitleg geven waarom,
en dan nog kreeg je niet altijd de toelating.
Ook moest je soms een engelengeduld hebben, want de
opvoedster ging alleen met je mee naar boven wanneer het haar uitkwam, en dat
duurde soms wel uren.
Het was net of men je wou testen hoelang het zou duren voor opstandig zou
worden. Dan volgde er natuurlijk straf!
In eerste instantie
kreeg je een weigering. Dus als je wou schrijven of lezen en je papier of je
boek lag boven, kon je het vergeten!
Vervolgens werd er een boete gegeven. Deze boete hield in
dat er enige franken van je zakgeld afgingen, of dat men het helemaal afnam, al
naargelang de overtreding.
Tenslotte nam men je je weekend af en dat was voor de
meeste de ergste straf.
Voor mij maakte dat laatste niet uit want ik had niemand
bij wie ik op weekend kon gaan.
Met een andere regel had ik het nog het moeilijkst!
Zo mocht je je niet afzonderen en moest je steeds in groep van
minstens drie bij elkaar zitten, lopen of staan.
Het home had een redelijk grote tuin met mooie eikenbomen
en ik wandelde daar graag.
Enkel in gezelschap van m ’n gedachten en gewoon tot rust komen in mezelf. Maar dat was dus verboden.
Je had op geen enkel moment wat privacy. En dat viel mij
echt zwaar.
Diegene die niet uit werken gingen moesten het huis
onderhouden. Dat was iets dat ik wel graag deed.
Poetsen, wassen, strijken, afwassen, koken of het ontbijt
klaar zetten, ik deed het allemaal zonder tegenspraak.
Het gebeurde met een beurtrol. Elke week hing er een lijst uit met de taken die we op ons
moesten nemen. Ook elke taak werd door minstens drie meisjes gedaan.
De eerste maand van mijn verblijf nam ik hun taak meestal
over om toch maar bezig te kunnen zijn en niet te hoeven denken.
De smerigste karwei was eens per week alle maandverbanden
verbranden in de tuin.
Het was vies en het stonk van jewelste, maar vooral kroop er
veel tijd in.
Ook die taak nam ik graag op mij. Al was het maar om heel
even alleen te kunnen zijn zijn!
Doordat van de ene op de andere dag mijn medicatie was
weggevallen kon ik niet slapen. Dus ik was constant moe. Maar ik was
binnenin ook erg onrustig, zo onrustig dat hyperventileerde.
Maar ik vertikte het om ook maar iets te vragen of iets te zeggen.
Ik leefde als een slaapwandelaar. Men kon me niets verwijten of ten
laste leggen.
Zo kwam ik de eerste maand door in “het home”.




















