Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

TERUG NAAR AF!

Ik was nu zo'n zes maanden in het home.
Het werk in de boekbinderij was leuk en mijn collega's waren fijne mensen.
Nooit heb ik ook maar iemand een rotte opmerking horen maken over ons.
In het home zelf begon ik mij goed thuis te voelen. Op die korte tijd was ik al een heel pak socialer geworden. Het praten, met en over, ging me al een pak beter af.
De reden was dat ik merkte dat ik niet alleen stond met mijn ellende. Dat er nog andere meisjes waren die ook een slechte thuis hadden.

Met de opvoedsters ging het nog wat stroef en was ik  terug houdend. Ik vertrouwde ze nog steeds niet helemaal.
Op weekend ging ik nooit. Maar door de uitstapjes die we maakten begon ook dat gemis te minderen.
Tot ik op een vrijdagavond van het werk kwam en bij de directrice werd geroepen.

Zij liet mij een brief van mijn toeziende voogd lezen.
Hij was van oordeel dat ik toch terug naar school moest.
In eerste instantie was ik blij om zulks te lezen, want naar school gaan en leren was nog altijd iets dat ik graag wou doen.
Juffrouw B. liet mij weten dat er op maandagmorgen een sociaal assistente zou komen en dus niet naar het werk moest.

Mijn gevoel bij dit alles was een beetje dubbel.
Langs de éne kant voelde ik mij een beetje euforisch omdat ik weer naar school mocht gaan. Langs de andere kant zou ik mijn werk en werk makkers missen.
Ik hield niet zo van verandering. Dan voelde ik mij steeds voor lange tijd heel onzeker en verloren. Iets dat ik nu op latere leeftijd nog steeds zo ervaar.

Maar zoals steeds sloeg ik aan het fantaseren.
Ik zag mij al lopen met een splinternieuwe boekentas en dito schoolgerief.
Natuurlijk had ik lieve leerkrachten die mij ook graag hadden!
En de leerlingen zouden binnen de kortste keren allemaal mijn vriendinnen worden.
Tenslotte had ik doordat ik werkte wat nieuwe kleren mogen kopen en mede door de goede smaak van de jonge opvoedsters waren ze nog bij de tijd ook.
Dus zou ik alvast geen buitenbeentje meer zijn wat dat betreft.
Terwijl de andere werkten zou ik vakantie hebben en dan zou ik met een boek in de hand wat privacy kunnen opzoeken.
Ja, ik was al een heel eind weg in mijn fantasie.

Wie dat allemaal ging betalen, daar stond ik natuurlijk niet bij stil.

Op maandagmorgen brak dan het uur van de waarheid aan!
Zij kwamen met z'n tweeën.
De rechterhand van mijn voogd en naar ik vermoed, haar hulpje.
Mede door de aanwezigheid en de zachte aandrang van juf B. probeerde ik zo goed en zo kwaad mogelijk uit te leggen wat ik graag zou worden later.
Ik wou later een kantoorbaan, secretaresse of zo, liet ik weten.
Maar werken met verlaten of verwaarloosde kinderen leek me ondertussen ook wel wat. Hulp kunnen bieden waar nodig. En vooral het juist inschatten van de situatie.
Een schamper lachje was mijn antwoord.

Keer op keer vroeg ze mij of ik het wel zeker wist dat ik weer naar school wou? Haar vragen werden steeds indringender geformuleerd.
Ik begon het daardoor wat benauwd te krijgen. Waarom klinken haar vragen als een waarschuwing, vroeg ik mij af? Net alsof ik zou worden gestraft.
Maar ik luisterde niet naar mijn gevoel.
Ze zuchtte en stond op. Knikte met haar hoofd naar het hulpje (dat mij zat aan te staren als was ik een rariteit)dat het tijd was om op te stappen en stak het dossier weg.
Goed, zei ze, dat zullen we dan zien te regelen voor je, en ik mocht gaan.

Terug bij de meisjes kreeg ik natuurlijk honderden vragen over mij heen.
Ik antwoordde ze één voor één met groot enthousiasme.
En toch was er in mijn achterhoofd iets dat me zei.......maar wat?
Was het mijn wantrouwen of was het mijn ongeloof in geluk?
Was ik in de loop der jaren te pessimistisch geworden, een zwartkijker, een doemdenker?
Ik zette het nare gevoel van mij af en genoot van de aandacht van de meisjes.
Had ik maar geluisterd naar mijn gevoel.

©huismusje

HET SPROOKJE IS UIT.


Ik keek uit naar de dag dat ik weer naar school toe mocht. Ondertussen ging ik elke dag naar de boekbinderij.
Lange tijd hoorde ik niets maar dat maakte mij niet ongerust over.
Eerder was ik van mening dat het een goed teken was. Tenslotte liep het naar de kerstvakantie toe en meende ik te moeten wachten tot na de kerstvakantie.

Om de veertien dagen kregen we 's vrijdags ons loon.
Wanneer we een gegronde reden hadden konden we in de loop van die week geld aanvragen om een aankoop te doen.
Dat werd dan in beraad gehouden, want indien we ondertussen iets uithaalden dat niet volgens de regels van het home was, werd het ons geweigerd uiteraard.
Ik had gevraagd of ik een nieuw paar winter laarzen mocht kopen Ik moest dus wachten tot vrijdag voor het antwoord.
Maar ik was er nogal gerust in dat ik het zou krijgen, want meisjes die niets van thuis kregen mochten vlugger wat kopen dan de anderen.
Dus die vrijdagavond ging ik blij gezind naar het home in het vooruitzicht op een dagje heerlijk shoppen de dag nadien

Na het avondeten ging ik dus naar het kantoor van juffrouw B. om te horen of ik de toelating had.
Tot mijn verwondering kreeg ik te horen dat ik mijn koffers moest pakken want dat ik niet in het home zou blijven.
Waar ik wel naartoe ging werd mij niet gezegd.
Wel kreeg ik nogmaals te horen dat wanneer ik naar school ging, dit niet kon vanuit het home.
Het home was enkel bedoeld om meisjes te herbergen die ofwel werkten voor hun onderhoud, ofwel onderhouden werden door hun ouders.

Later kwam ik te weten dat het mede daardoor was dat mijn pleegouders geen contact namen met mij tijdens mijn verblijf in het home. Zij waren bang dat men hen alsnog kon dwingen om voor mij te betalen.

Zaterdagmorgen stond ik met mijn koffers in de gang.
Ik zag meisjes op weekend vertrekken, anderen gingen winkelen.
Heel even dacht ik eraan dat ik nog geen nieuwe laarsjes had, maar dat zou wel komen in het volgende home.
Een beetje nerveus was ik wel, want ik hechte mij niet zo gauw aan een andere situatie, omgeving of mensen.
Het was dus bang afwachten.

De assistente van mijn voogd kwam mij oppikken.
Mijn koffers, nou ja, koffers kon je het niet noemen, het waren eerder XXXL handtassen, maar het was al een hele verbetering tegenover de plastiek tassen waar mijn pleegouders mijn beetje kleding had ingepropt. En ik had ondertussen ook al enkele kledingstukken meer dan toen.
Mijn tassen dus werden zwijgend op de achterbank  van haar auto gezet en ik mocht voorin plaatsnemen.
Op mijn vraag waar we naartoe gingen zei ze mij dat ik moest zwijgen onder het rijden.

We reden richting centrum. Maar op een bepaald moment was de omgeving mij totaal onbekend.
Iets later stopten voor een groot en somber gebouw.
Een lange donkere bakstenen muur met een grote bruine poort in het midden.
Het leek wel een gebouw uit de middeleeuwen.
We reden een zijstraat in en ook daar weer die donkere muur.
Wat mij meteen opviel was de prikkeldraad bovenop de muur en de scherpe glazen pieken die als haaientanden uit de muur leken te groeien.
Ik zag hoge ramen met dikke zwarte tralies ervoor.

Ik had meisjes over dit gebouw horen praten in het home.
Meisjes die er vandaan kwamen en de gruwelijkste verhalen vertelden.
Verhalen over de manier waarop je werd behandeld. Verhalen over de onmenselijk strenge reglementen.
Over cellen en eenzame opsluiting, over macht geile nonnen.
En plots wist ik waar ik was!
Ik was in Sint Margharetha van Cortona.

©huismusje

SINT MARGARETHA VAN CORTONA (1)

De sociale assistente en ik gingen niet door de grote poort aan de voorkant naar binnen, maar via een deur in de zijstraat. 
Nadat zij aan de bel had getrokken, het was zo'n ouderwetse trekbel, kwam een non opendoen.
Dat trok me al niet erg aan want ik moest niet veel hebben van nonnen sinds ik snit en naad had gevolgd in een katholieke school. Daar had ik reeds ondervonden dat katholieken er niet voor terug deinzen om je te vernederen. En dat de naastenliefde die ze zo graag en vaak predikten niet was bedoeld voor de arme.
We staken een mooi geplaveid plein over met in het midden een mooi rozenperk. Gingen weer door een deur die uitkwam op een lange gang.
Wat bij mij al wat lichte paniek veroorzaakte was dat de non telkens met een enorme bos sleutels elke deur weer achter ons op slot draaide.
Ik mocht plaats nemen op een houten bank.
Diegenen die al eens een klooster hebben bezocht als toerist, zullen zich het interieur wel een beetje voor de geest kunnen halen.
Hoge ramen met glas in lood tekeningen.... meters hoge heiligenbeelden in grote nissen... etc.
Maar ik heb geen zin om het interieur te bespreken van de inkom. Want hoe rijkelijk het ook oogde voor de bezoeker, onze verblijven waren heel wat minder fraai.

Daar het weekend was nam Mere superieure de honneurs waar. (De eigenlijke directrice van het internaat was iemand die aangesteld was door de staat en was in het weekend vrij).
Ik heb meer dan een uur op die bank gezeten en probeerde een voorstelling te maken van wat mij hier te wachten stond.
Maar ik had me nooit kunnen inbeelden van wat er werkelijk ging komen.

De s.a. kreeg ik niet meer te zien. De non met de enorme sleutelbos verdween achter weer een andere deur.
Ik heb ze nooit geteld die deuren die op die lange gang uitkwamen, maar het waren er veel!.
Die gang kreeg je ook enkel en alleen te zien als nieuwkomer of bij het voorgoed verlaten van het internaat.

Mere superieure liet mij weten wat men vanaf nu van mij verwachtte.
Zo zou ik op het derde verdiep worden gelogeerd. Op de beneden verdieping was het home Sint Anna, maar ook dat was weer voor meisjes met betalende ouders en daar kwam ik dus niet voor in aanmerking.
Maar voor ik naar het verdiep mocht moest ik eerst met weer een andere non naar de douches.
Ik moest mij uitkleden en wassen terwijl de non toekeek. Zij kwam ook mijn haren inspecteren op luizen.
Ik voelde mij ongelooflijk gegeneerd en vernederd.
En toen kwam het ergste! Iets waar ik op dit moment niet dieper op in ga.
Ik moest een lange witte japon met blauwe strepen aantrekken over mijn naakte lichaam. De non nam mijn kleren, mijn schoenen mocht ik aandoen.
We gingen met de lift naar boven. Die lift werd ook steeds met een sleutel op slot gedaan.
Bovengekomen hoorde ik meisjes praten en borden rammelen.
Op dat moment voelde ik dat ik honger had
Maar we gingen niet richting meisjes en eten, we gingen door een deur met tralies. Daarachter zaten drie ijzeren deuren, met een klein getralied raampje dat langs de buitenkant werd afgesloten.
In de cel, want dat was het, lag enkel een matras op de grond, een piepklein tafeltje dat in de muur was verankerd met dikke ijzeren beugels en een dito stoel. Een grote witte emmer met deksel maakte het geheel af.

Omdat ik de neiging had, of misschien wel aanstalten maakte, om te vluchten, kreeg ik een stevige duw in mijn rug van de non en struikelde de cel in. De non zei me koudweg dat ik drie dagen in afzondering moest blijven. Dan zou ik worden onderzocht door een dokter en pas daarna zou ik naar mijn afdeling mogen. Dat was zo voor elke nieuwe loge, zei ze, en deed de ijzeren deur achter mij dicht.

Ik gilde in paniek dat dit een vergissing was! Dat ik naar school mocht gaan. Wat ik verder nog allemaal heb uitgeschreeuwd in mijn wanhoop, weet ik niet meer. Ik kreeg als antwoord dat zeker naar school zou moeten. Dat ik geen andere keuze zou hebben.
En weet je wat je nog gaat leren, zei de non, dat je niets, maar dan ook niets te willen hebt hier!
Anders is de volgende stap de jeugdgevangenis in Brugge.
En de cel ging dicht!

©huismusje

SINT MARGARETHA VAN CORTONA (2)

St.Margaretha van Cortona werd in de volksmond "Cartouche" genoemd, naar Louis Dominique Cartouche (1693-1721) Hij was een bende leider van meer dan tweehonderd rovers en moordenaars. (
En ons noemde men "De bende van Cartouche" naar de titel van het boek dat men later over hem schreef. Het waren geen fraaie benamingen.
En dan te bedenken dat de meeste geplaatste meisjes allemaal sores kenden of hadden gekend door een slechte thuis.
Er zaten meisjes die te maken hadden gehad met de losse pollen of de snelle rits van hun stiefvader of vriend van hun moeder. Er zaten meisjes die uit wanhoop zichzelf wat hadden willen aandoen omdat één of beide ouders liever dronken dan werkten. En er zaten meisjes, zoals ik, die geen ouders hadden, of waarvan de ouders niet konden of wilden voor hen zorgen.
Natuurlijk zaten er ook meisjes die thuis waren gaan lopen omdat ze niet met hun vriendje mochten omgaan van ma of pa.
En er zaten spijbelaars waarmee de de ouders zich geen raad wisten. Ook meisjes die aan de drugs waren geweest zaten er.
Het kwam er in feite op neer dat we een kleurrijk allegaartje waren.
Maar allen moesten we leven naar het strenge regime dat in het internaat werd toegepast.
En die was niet van de poes.

Het internaat telde drie verdiepen en op het eerste verdiep logeerden de meisjes voor wie hun ouders betaalden. Die afdeling noemde men "Home Sint Anna" zoals ik al in vorig logje schreef. Het waren die meisjes die Bojako al eens zag lopen op straat.

De anderen kwamen nooit buiten de poort. Tenzij ze op weekend mochten, hetgeen om de zes weken toegelaten was na een opsluiting van drie maanden, of diegenen die buiten het internaat gingen werken.

Het tweede verdiep was voor de al iets oudere meisjes en met zwaardere delicten op hun conto. Dieven of moordenaars waren het evenwel niet! Het waren meestal meisjes die weken of maanden op straat hadden gezworven. Sommigen hadden samengehokt met één of meerdere personen, sommige hadden drugs genomen en waren opgepakt in een kraakpand.

En dan had je het derde verdiep, daar zaten de jongere meisjes van veertien tot achttien jaar.
(In die tijd was men pas meerderjarig op ons eenentwintigste, en de jeugdrechter kon beslissen om je zolang binnen te houden, hetgeen ook vrij vaak gebeurde.
Op die derde verdieping kwam ik terecht.

De procedure voor alle nieuwkomers was dat je drie dagen in een cel in volledige afzondering werd gezet.
Je mocht pas bij de andere meisjes als je bij de psychiater was geweest en een gynaecologisch onderzoek had ondergaan.
Ik zat er dus vijf dagen in die cel vermits ik op een zaterdag was aangekomen, en er pas op maandag kon begonnen worden met mijn observatie. Pech dus!
Elk uur van de dag kroop vooruit. Temeer daar ik van die procedure niet op de hoogte was en dus niet wist of ik er ooit nog zou uitkomen.
Naar buiten kijken ging niet want het piepkleine raampje met tralies zat zowat tegen het plafond. Stoel en tafel zaten verankerd, en een bed stond er niet, enkel een matras tegen de grond.
Ik zag enkel de non die mij driemaal daags eten bracht. Maar die zei nooit één woord. Zij bezag je trouwens ook niet, haar ogen keken steeds aan je voorbij of naar de grond.
In plaats van een normaal bestek kregen ik enkel een houten lepel, kwestie van dat ik mijn polsen niet zou oversnijden met een metalen of plastiek bestek. Mijn warme maaltijd was steeds fijn geprakt, vlees aardappelen en groenten door mekaar.
Terwijl ik at bleef de non steeds met haar rug naar mij voor de open celdeur staan.
Vaak heb ik haar in gedachten vermoord. En elk uur dacht ik ook aan zelfmoord. Maar ik vermoed dat de nonnen dit wisten en daarom hun voorzorgen namen.
Het wassen gebeurde met lauw water in een grootmoeders teil. Ook daar bleef de non op staan kijken.
Zelfs mijn emmer mocht ik niet zelf uitdragen. Deze klus werd geklaard door een meisje dat gestraft was voor haar ongehoorzaamheid.
De vernedering was compleet!

Op donderdag mocht ik dan eindelijk naar de psychiater.
Het was een stokoude man. Zo een man waar de jeugd sowieso al een afkeer van heeft.
Een vette speknek, varkensogen, en een blik om van te gruwelen.
Ik kreeg tekeningen te zien, en ik moest zeggen wat ik daar in zag. Ik zag een vlinder in het eerste, twee negers in het tweede, en bij de derde zei ik dat ik het al een even lelijke vlek vond als de twee vorigen..
Hij stak zijn kaartjes woedend weg, en zei dat ik mocht gaan omdat ik weigerde om mee te werken.
Goed gezien van die vent! Onderzoek afgelopen!
De volgende dag naar een sociaal assistente. Vragen beantwoorden over de toestand bij mijn pleegouders. Niet hoe het mij daar was vergaan, maar hengelen naar hun financiële toestand.
De derde dag moest ik naar de dokter.
Volgens mij was hij een tweelingbroer van de psychiater, want hij zag er al net zo vettig uit, alleen droeg hij een brilletje op z'n neus.
Ik moest mij volledig uitkleden en in het midden van de kamer gaan staan. De dokter leunde met zijn rug tegen zijn bureau met zijn armen over mekaar.
En, zei hij "vertel me eens hoeveel keer jij seksuele betrekkingen hebt gehad? Nu was ik nog maagd op mijn vijftiende, maar toen ik dat zei lachte hij dit weg. "Dat zeggen ze allemaal" zei hij en knipoogde naar de non die hem assisteerde bij het onderzoek.
Leg je maar op de tafel" zei hij, en wees naar iets dat wij vrouwen nog vaak in ons leven zouden beklimmen.
Het was echter niet de luxe uitvoering van nu, het was een witte metalen tafel. Niks lederen bekleding, niks papier. De tafel werd door de non na elke "patient" met een sopje schoongemaakt.
Eerst met zijn hand naar binnen tot aan zijn elleboog meende ik. En toen nam hij een marteltuig en prikte er mee in mijn baarmoeder om vocht af te nemen. Ik heb twee dagen pijnlijk moeten plassen.
"Je bent inderdaad nog maagd" kreeg ik te horen, maar het bloed op de tafel bewees dat dit verleden tijd was.
Dat onderzoek was ook een vaste procedure. Want telkens je op weekend was geweest moest je het ondergaan.
Meisjes die gevreeën hadden kregen dan steevast twee rode pilletjes te slikken waarna ze, ook steevast, vijf dagen later ongesteld werden..

Maar na dit vernederend avontuur mocht ik mijn eigen kleren aandoen en mocht ik bij de andere meisjes op het verdiep.
We waren ongeveer met twintig.
Het reglement zou mij later op de dag worden uitgelegd, maar ik zat er niet mee.
Ik was al lang blij dat ik niet terug naar de cel hoefde.
Dat was hun tactiek! Ze maakten je blij met een dooie mus en je was er hen nog dankbaar voor ook.
Omdat je wist dat het erger kon!

©huismusje



HET REGLEMENT

Ik kan mij het volledige reglement niet meer herinneren, er waren teveel regels. Enkel diegene die op mij de meeste inruk hebben nagelaten staan in mijn geheugen gegrift.
De voornaamste kreeg je in eerste instantie te horen van de non in mitrailleur stijl. De andere leerde je gaande weg van de meisjes of wanneer je ze onbewust verbrak.
Steeds volgde er dan straf, en zo vergat je ze nooit meer.

Zo mochten we nooit met minder dan een groepje van vijf bij elkaar zitten.
Dit om te vermijden dat gegevens werden uitgewisseld die tegen de zedelijk indruiste. Of dat er plannen werden gesmeed, om het hazepad te kiezen uit de instelling bijvoorbeeld.
Wanneer we ons in de tuin of op de koer toch een keer afzonderden of gewoon met z'n twee op de bank zaten, dan kwam de non er als een waakhond tussen staan. En onze non had een indrukwekkend figuur!
Zij had de brede schouders die van staal leken te zijn gemaakt.
Zij had een indrukwekkende boezem die je in normaal omstandigheden zou kunnen beschrijvnl als moederlijk en uitnodigend om er je vermoeide hoofd tegen te leunen en troost te ontvangen.
Maar haar houding en haar streng gelaat en norse blik bracht je heel snel op andere gedachten.

Naar het toilet gaan wanneer het nodig was, was uit ten boze en werd zeer streng gestraft.
Op bepaalde tijdstippen moesten we ons allemaal in de gang twee aan twee opstellen om dan in volledige stilte naar het toilet te gaan.
Dat was een grote ruimte met muren van witte tegels en langs beide zijden de toiletten met halve deuren. We noemden het spottend "Ons plasvatorium."
Ooit hadden we een non die ons gebood om die deur open te laten terwijl we ons gevoeg deden. Zij wandelde dan steeds door de ganse ruimte heen en weer. Maar van "onze non" mocht de toiletdeur dicht. We kregen ook niet rustig tijd, het moest vlug gaan.
Enkel wanneer we ongesteld waren en we moesten ons verschonen werd er een uitzondering gemaakt.
Dan ging je eerst met de non naar de slaapzaal waar de linnenkasten stonden, je kreeg dan een door ons meisjes een van oud linnen zelfgemaakte katoenen verband met je persoonlijke nummer op geborduurd. Je mocht dan op je eentje naar het toilet, maar je moest wel je gebruikte verband tonen aan de non voor je het in de waston smeet. Kwestie van dat je niet zou profiteren van de situatie. En ook mocht je niet te vlug verversen, voor enkele druppels kreeg je geen nieuw verband leerden we al gauw.
In een rij van twee aan twee moesten we ook naar de eetzaal, slaapzaal, kerk, douche en de klas. En dit allemaal in stilte natuurlijk!

Elke donderdag mochten we douchen. ook daar was de regel, snel, snel, snel. Er waren ook enkele ligbaden, en het was een gunst als je mocht baden. Dit was dus voor de lievelingetjes van de non of opvoedsters.
Die laatsten zouden het nu niet zo gemakkelijk hebben als toen met ons. Wij zeiden ja en amen op vrijwel alles wat men ons gebood te doen. Hun nukken hadden een weerslag op onze dag.
Kwam bij dat het in de meeste gevallen stagiaires waren die goede punten moesten halen, dus van af en toe een kleine afwijking op de regels was geen sprake. Ook zagen ze nooit wat door de vingers, zij waren soms nog strenger dan de nonnen.

Om 20h. moesten we gaan slapen. De slaapzaal was onderverdeeld in houten chambrettes van twee op twee meter. Ze stonden in rijen van vier, veertig in totaal. Boven ons hoofd waren de chambrettes afgedekt met tralies of kippengaas. Er was een deur met een piepklein venstertje van gewapend glas en eveneens tralies ervoor. Enkel langs de buitenkant kon dit venstertje open of dicht worden gemaakt. Tussen twee rijen in stonden de lavabo's waar we 's avonds met een teil water mochten nemen om ons wassen in onze cel. Om negen uur 's avonds gingen de lichten uit en kwam de non onze deur op slot doen. Wanneer daar brand was uitgebroken Hadden we als ratten in de val gezeten. 
'S morgens om zes uur werden we gewekt door een ouderwetse schoolbel en mochten we ons wassen aan de lavabo's. We moesten ons wel wassen onder ons nachtkleed, een stukje naakt was strikt verboden.

Voor en na schooltijd (de klassen waren op het verdiep zelf) moesten we werken. 's morgens moesten we aardappelen schillen, de slaapzaal en recreatiezaal schoonmaken, of verstelwerk doen. Sommigen "mochten" in de keuken gaan helpen, sommigen mochten in de was-kelder helpen. (Beide waren gelegen in de catacomben van het klooster.)  Dat was een gunst en een begeerde job omdat er minder streng toezicht werd gehouden.

's Avonds moesten we de refter, de ziekenboeg, de isoleercellen, de toiletruimte en de gang schoonmaken.
Elke dag moesten we ook werken voor een fabriek. Dat ging van chocolaatjes inpakken tot kartonnen taartdozen vouwen voor bakkerijen. J(e ziet die gevouwen dozen bij de bakker als je taart op taartjes gaat kopen.)
Er was echter een uitweg voor al die klussen, want diegene die 's morgens naar de vroegmis gingen, die moesten niet helpen. Enfin, toch niet elke dag, want natuurlijk waren de nonnen niet achterlijk. Jullie mogen eens drie keer raden waar ik vaak te vinden was? Juist! Kon ik lekker verder soezen. Ik kende de mis in het latijn gans van buiten na een wijl.

Er waren heel veel regels. Grote en kleine, harde en minder harde.
Elk van die regels had zijn bijbehorende straf wanneer je ze overtrad.
We waren geen totaal individu meer, we waren één geheel.
Ik voelde mij er doodongelukkig, en ik niet alleen.
©Huismusje

KERST OP INTERNAAT.

Op het internaat stond alles in het teken van Kerstmis.
Er werd geen gedachte besteed aan geschenkjes, lekker eten en/of een nieuwe outfit.
Alles draaide rond geboorte van Jezus.
De kapel was prachtig versiert. We moesten nog meer bidden dan op gewone dagen want we zaten in de adventsperiode. En we werden er meermaals uitdrukkelijk op gewezen dat dit een periode was waarop we ons moesten bezinnen over onze zonden..

Hoe vaak de nonnen ook beweerden dat wij die grote zondaars waren, ze konden ons er niet van overtuigen dat dit zo was. We voelden ons integendeel slachtoffers van de maatschappij. En al dat bidden en bezinnen zou daar niets aan veranderen of ons ook maar een stap vooruit helpen.
Maar we deden er wijselijk het zwijgen toe.

Vele meisjes keken gretig uit naar het verlengde weekend bij hun ouders thuis.
Maar velen bleven ook in de instelling wegens niet welkom thuis.
Ik was één van hen.

Zoals ik al schreef moesten we regelmatig naar de psychiater. En wanneer ik onderweg was naar die man nam ik mij telkens voor om eindelijk eens te vertellen hoe de situatie bij mijn pleegouders werkelijk in mekaar zat.
Maar wanneer ik in die kale kamer op die harde houten stoel zat en naar het vette gezicht van de man keek, klapte ik dicht.
Het was in feite ook niet de bedoeling dat ik sprak, het was veeleer de bedoeling dat ik luisterde.
Dat ik zou toegeven dat het enkel en alleen mijn fout was dat het "thuis" was misgelopen.
Ik viel nog liever dood!

Sinds vele jaren had ik mij eigen gemaakt om te zwijgen of mijn verdriet en onmacht te verdoezelen met een kwinkslag.
Dat was mijn manier om de situatie aan te kunnen.
Maar die gediplomeerde deskundige zag niet door mij heen. En hij oordeelde steeds maar weer dat ik koppig was en weigerde om mee te werken.
Wat de man ook probeerde, ik zou nooit toegeven dat ik de schuldige was. De sukkelaar! Hoe graag hij het ook had zien gebeuren hij zou mij niet breken.

Elke week kregen we post.
De enveloppen waren zonder uitzondering open gescheurd.
Elke brief werd zorgvuldig door de nonnen gelezen, en als er in de brief iets stond dat de nonnen niet wilden dat je te lezen kreeg, was die passage met een dikke zwarte viltstift onleesbaar gemaakt.
Maar we leerden tussen de regels te lezen, en de schrijver, of schrijfster, leerde in "code" te schrijven.
In het begin keek ik ook telkens uit naar die wekelijkse avond. Maar er kwam niets.

Alle twee weken op zaterdag mochten de ouders ook op bezoek komen.
Daar had ik het heel moeilijk mee.
's Morgens werd er op die dag in ijltempo gepoetst, dan na het middagmaal vlug onze nette kleding aan ( als je die had) en dan naar de refter.
Daar zaten we dan te wachten tot de telefoon ging. ***Telkens er een bezoeker binnen kwam belde non-portierster naar boven om te zeggen dat die of die bezoek had en naar beneden mocht komen.***
Wanneer de bel rinkelde, ging de non naar haar bureeltje en even later riep ze dan de naam van diegene waarvan het bezoek in de grote zaal op de benedenverdieping was zat te wachten.

Bij elk telefoon gerinkel zag je de hoop in onze ogen. En meteen daarop de teleurstelling wanneer het niet onze naam was die werd afgeroepen.
Ik wist dat ik geen bezoek zou krijgen. Al hoop je steeds van wel.
Er waren nog meisjes die stellig wisten dat er niemand zou komen opdagen.
Sommigen omdat ze van heel ver moesten komen en het voor dat twee uur durend bezoek niet doenbaar was om de verplaatsing te maken. Sommigen omdat er geen geld was. En een zeer klein aantal omdat ze niemand van hun familie wilden zien, of vice versa.
 
Dat laatste was meestal zo wanneer ze pas in het gesticht waren aangekomen. Ze waren nog boos. Maar vooral hadden ze nog een grote weerstand.

Die weerstand probeerden de nonnen steevast te breken, en in de meeste gevallen lukte hen dat ook.

Eén van hun methoden was om iedereen bij mekaar in de refter te zetten wachten. ook diegene waarvan men zeker wist dat er geen bezoek zou komen.
Men verplichte ons om te blijven wachten tot het bezoekuur was afgelopen.
In de refter stond een piano en daar ging de non wat trieste muziek zitten op spelen. Kwestie van dat we ons goed bewust zouden zijn van onze eenzaamheid.
Na het bezoek vroeg de non dan aan diegene die wel bezoek hadden gehad, om ons ongelukkigen extra te gedenken in hun gebeden.
 
Zo hielden ze ons in hun macht. Zo lieten ze ons voelen dat wij zondaars waren.

En met kerstmis werd dit nog wat dikker in de verf gezet.
©Huismusje


ST MAR. VAN CORTONA (3)

Kerstmis kwam en ging, zo ook oud en nieuw.
Ik probeerde wanhopig alle emoties onder controle te houden.
Probeerde niet teveel te denken hoe het er bij mijn pleegouders zou aan toe gaan tijdens de feestdagen.
Wij, als achterblijvers in het internaat probeerden troost te vinden bij mekaar, al lukte dat niet makkelijk door de bemoeizucht en het bestendige toezicht van de nonnen en de opvoedsters.
We mochten immers niet bij mekaar kruipen. We mochten mekaar niet omarmen, of uithuilen bij elkaar.
Het enige dat we konden was stil in ons bed liggen huilen, er steeds op bedacht opdat de non die toezicht hield 's nachts, het niet zou horen.
Dat gunden we hen niet.

Het leven ging zijn gangetje met de dagelijks weerkerende routine en dicipline.
We waren robotten, zonder eigen mening of visie. We werden geleefd.
Ik was reeds meer dan tien maanden uit "huis" en ik had ondertussen taal noch teken gehad van mijn pleegouders.
Ik begon hen meer en meer te missen.
Het is raar dat je als kind al snel alle ellende kunt vergeten, en de omstandigheden maakte dat ik al vlug de situatie bij mijn pleegouders begon te verheerlijken.
Ik had ook geen alternatief.
Het meeste miste ik in feite nog de buurtbewoners uit de straat.
De mensen die mij opvingen na weer eens een heftige ruzie.
Mijn kameraden die steeds bereid waren naar me te luisteren en me meermaals zeiden dat ik niet eerlijk behandeld werd.
Van dat feit was ik wel op de hoogte ondertussen, maar het deed mij goed om te horen dat een ander er ook zo overdacht, en het maakte mij sterk om de situatie verder aan te kunnen.
Tot op die bepaalde hoogte, op die bewuste dag, die mijn leven een zo drastische wending gaf.

Het was weer "postdag" in het internaat. Ik bleef er al geruime tijd koel onder, want ik had er mij bij neergelegd dat er voor mij nooit een brief zou komen.
Mijn pleegouders wilden niet schrijven, mijn vrienden mochten niet schrijven.
Plots riep de non mijn naam!
De eerste seconden drong het niet echt tot mij door, daarom riep zij met meer nadruk nog eens mijn naam af.
Het was een brief van mijn pleegouders!
Gretig nam ik hem aan, al maakte ik mij terzelder tijd de bedenking dat deze brief mij ging kwetsen, mij nog meer verdriet ging doen dan ik al had.
Ik kon met de beste wil van de wereld niets goed meer van hen verwachten, hoe graag ik het ook wilde.
De brief was zoals de regels het voorschreven opengescheurd en reeds door de nonnen gelezen.
Dus toen ik opstond om hem uit haar handen te gaan aannemen, lachte zij mij toe, en kreeg ik een hartelijk schouderklopje erbovenop.
Mijn pleegmoeder was een slechte briefschrijfster, zinnen die geen aanbouw hadden, springend van de hak op de tak, en vooral veel taalfouten.
Zij schreef praktisch fonetisch.
Zo schreef ( en sprak) ze mijn naam nooit correct uit.
Van Lucienne maakte zij Lusjen.
Maar ze sprak mijn naam dan ook zelden uit, ze had velerlei andere benamingen voor mij.

Ik had een beetje moeite om haar geschrift te kunnen ontcijferen, maar het kwam erop neer dat ze wellicht een keertje op bezoek zouden komen.
Ze hadden nu pas toelating gekregen van de jeugdrechter.
Volgens mijn pleegmoeder had ze mij al vaak geschreven, maar kwamen die brieven telkens terug met de vermelding dat de inhoud niet toepasselijk was.
Er was maar één probleem, Luc (mijn pleegbroer) mocht niet meekomen van de jeugdrechter.
Ze moesten dus opvang voor hem zoeken, en mijn oudere pleegzuster die mij het licht in mijn ogen niet gunde, weigerde om hem op te passen.
Maar vermits hij negen was kon hij misschien alleen thuisblijven voor die drie à vier uurtjes, en de buurvrouw zou dan een oogje in het zeil houden.
Er stond niet in wanneer ze juist gingen komen, het eerst volgend bezoek was over twee weken, maar ze liet mij in het ongewisse.
Ze schreef ook dat ze blij was dat ik had ingezien dat ik totaal verkeerd was geweest, en dat het goed was dat ik tot inkeer was gekomen.
Ik weet nog steeds niet waar ze dat vandaan haalde, want ik had nooit toegegeven dat alles mijn fout was. Ook had ik hen nooit geschreven.
Maar ik stond er verder niet bij stil.
Ik was blij omdat ik niet vergeten was. Ik was blij voor de hoop die ik weer mocht hebben.
Ik was gelukkig met het feit dat ik erbij hoorde, want zolang je geen brief kreeg van "thuis" nam men vanzelfsprekend aan dat je je schuldig had gemaakt aan onvergeefelijke feiten.
Door de onmiskenbare blikken van de nonnen alleen al voelde je je schuldig wanneer er geen post kwam voor jou.

Ik zat een beetje perplex op mijn stoel en las de brief keer op keer over.
Want op het einde schreef mijn pleegmoeder " wel schatteke, tot op het bezoek"
Het was de allereerste keer in mijn leven dat ze me "schatteke" noemde, en het maakte mij aan het huilen.
Op slag was alle ellende die ik had moeten verduren van haar, vergeten.
Mijn hart smolt, en mijn haat jegens haar verdween op diezelfde moment.
En de liefde die ik ondanks alles steeds voor hen was blijven voelen, kwam in één klap weer.
De twee weken tot bezoektijd zouden mij eeuwig lijken.

Elke zondagmiddag mochten we brieven schrijven, en ik besloot om ook een brief te schrijven.
Iets dat ik tot nu steeds geweigerd had te doen.
We kregen één blad briefpapier, het moest dus van de eerste keer juist zijn.
We hadden wel de mogelijkheid om eerst een kladbrief te schrijven met potlood.
Wanneer je toch een fout had geschreven, moest je een ander blad gaan vragen, en dat werd dan met een laakdunkende blik aangereikt.
Ik ondervond op een keer dat die kladbriefjes door de nonnen uit de prullemand werden gehaald, glad werden gestreken, en in een kaft werden gestopt.
Dus ik wikte en woog mijn woorden heel zorgvuldig, want ook onze brieven werden eerst gelezen voor ze de poort uitgingen.
Ik weet niet meer wat ik heb neergepend, maar het zal wel heel emtioneel zijn geweest.
Of misschien wel juist koel en berekend, want ik was zò voorzichtig geworden in alles.
En niettegenstaande kinderliefde niet vlug verdwijnt, met mijn vertrouwen was het anders gesteld.
Ik had, en heb steeds mijn ganse leven, die dosis wantrouwen naar mijn pleegouders toe gehouden.
En heel terecht zou later blijken, maar voor nu had ik weer even hoop.
Hoop dat ik uit deze gevangenis ooit zou uitkomen.
Hoop dat ik iets van mijn leven zou kunnen maken.
Hoop, zoveel hoop, voor zovele dingen!


BEZOEKDAG


Het was zaterdag, en het was bezoekdag.

De wekelijkse poetsklus was achter de rug, en na het middagmaal gingen de meisjes zich omkleden om hun bezoek te ontvangen.
Diegen die geen bezoek kregen trokken naar de recreatiezaal. Zo ook ik.
Maar de non riep mij terug, en vroeg wat ik van plan was.
"Jij moet je gaan omkleden, want vandaag komen je pleegouders op bezoek."
Hoe zij dat zo stellig kon weten was mij op dat moment een raadsel, want ik wist van niets.
Wel had ik een brief gehad waarin mijn pleegmoeder beloofde om te komen, maar hun beloftes nam ik al lang niet meer au serieus.
Maar mére Emillienne (moeder overste) klonk heel overtuigend.
Ik dus naar de slaapzaal om mij te verfrissen.

Toen ik bij de anderen zat te wachten tot mijn naam werd afgeroepen, gingen er duizende gedachten en vragen door mij heen.
Wat gaan ze zeggen? Wat moet ik zeggen? Hoe moet ik reageren? Wat kan ik verwachten?
In feite was ik al bezig om mij te verdedigen nog voor er maar één woord was gesproken.
Ik zou mij niet laten uitkafferen. Ik zou niet de schuld op mij nemen. Ik zou niet.....!
Doodnerveus was ik.
En hoewel het bezoek een afwisseling was in de dagelijkse sleur, ik zag er enorm tegenop.
Het was zo om en nabij de tien maanden geleden dat ik hen nog had gezien of gesproken.

Klokslag 14.00h. begon de telefoon te rinkelen ten teken dat het bezoek begon binnen te sijpelen.
Telkens maakte mijn hart een sprong, en was het net of mijn blaas stond op springen.
Mijn naam werd als één van de eersten afgeroepen, en ik moest de neiging om te vluchten onderdrukken.
Maar omdat ik in het onderdrukken van gevoelens enorm bedreven was, volgde ik gedwee en in stilte de non naar beneden, en naar de grote bezoekerszaal.

Naast de dubbele deur van de zaal stonden langs de muur rijen tafels in L.vorm gerangschikt.
Daarop stonden alle benodigheden om het bezoek te verwennen.
Je kon er soep en koffie verkrijgen, frisdrank, broodjes met kaas of hesp en stukken taart of vlaai.
Wat je er moest voor betalen weet ik niet meer, maar wees maar zeker dat alles uitverkocht was op het einde van het bezoek.
De nonnen verdienden zo menig centje bij aan ons bezoek.


De zaal zelf had aan het einde een groot podium alwaar er toneel werd opgevoerd met bepaalde gelegendheden.
Die gelegendheden hadden zich voor mij nog niet voorgedaan, want ik was hier nog nooit geweest.

In het midden stonden netjes op een rij de tafels en de stoelen waar het bezoek mocht plaats nemen.
Ik keek rond maar zag in feite niets. Alles leek door mekaar heen te lopen op mijn netvlies.
De non gaf me een stevige duw in de goede richting.... en dan zag ik hen!

Mijn pleegmoeder kwam vrijwel nooit buiten, dus ik zag haar nooit anders dan met een oud kleed en een schort ervoor.
Nu zat haar haar netjes in de krul, zij had lippenstift op, en een outfit aan die ik nog nooit had gezien.
"Pa" had een hemd met das aan, iets dat hij ook enkel droeg bij speciale gelegenheden.
Mijn eerste gedachte was niet zo fraai want ik vroeg mij af waar ze plots het geld vandaan had om haar zo te kunnen uitdossen.
Zij stond op van haar stoel en ik kreeg een knuffel en een zoen.
Ik verstijfde, want ook dat was ik niet gewend.

Ik zou nog jaren verstijven bij elke lieve aanraking, dit ten gevolge van mijn liefdeloze jeugd ervaringen, maar dat besef had ik op dat moment nog niet.
Het leek er meer op dat ik hen afwees, en zo nam mijn pleegmoeder het ook op.
Maar ze sprak er mij toen niet over aan, ze deed net of ze het niet merkte.
Ook van mijn pleegvader kreeg ik een knuffel en een kus, hetgeen mij al beter beviel, maar ook niet helemaal van harte was.
Ik was het niet gewend om op die manier door hen te worden aangeraakt, en ik wist er mij geen raad mee.

Wat er allemaal is gezegd weet ik natuurlijk niet meer woord voor woord, maar het klonk allemaal heel vriendelijk en lief.
Ze hadden ook een tas met snoepgoed bij. Het was niet mijn favoriete snoepgoed, ze waren voortgegaan op de smaak van mijn pleegbroer, maar het was wel lief bedoeld.
Tegen het einde van het bezoek vroeg mijn pleegmoeder hoe ik zou vinden om terug bij hen te komen wonen.
Ik hoorde het in Keulen donderen, en wist niet wat te antwoorden.
Ik wou natuurlijk zo vlug mogelijk uit deze gevangenis, maar het liefst was ik terug naar het "home" gegaan.
Daar had ik zekerheid en geborgenheid.
Alles moest daar van twee kanten komen, maar dat deed het dan ook.
Het leven in het "home" verliep op eerlijkheid en vertrouwen langs beide zijde.

Mijn pleegmoeder wist mij te vertellen dat ik als proef eerst enkele keren op weekend zou komen.
Dat zou al heel vlug kunnen zei ze me.
Ik deed er nog steeds het zwijgen toe. Ik kon, ik wou niet geloven wat ik hoorde.
Doordat ik mij geen houding wist te geven kwam het over alsof ik liever bleef waar ik was.
"We praten er nog wel over, zei pa, als je op weekend komt.

Het bezoek was voorbij, en we gingen in stilte, twee aan twee terug naar boven.
Daar aangekomen moesten we onze tas met snoep afgeven, en moesten we naar de recreatiezaal.
Druppels gewijs begonnen de woorden van mijn pleegouders door te dringen.
En beetje bij beetje kwam er terug wat leven in mij.
Maar ik durfde het nog steeds niet geloven, de teleurstelling zou te erg zijn wanneer er nog maar eens niets van waar bleek te zijn.
Maar vooral was ik niet zeker dat het een goede zaak was dat ik terug ging. Doch in 'Cortona' blijven was ook geen optie.
Ik zou wel zien wat morgen zou brengen, eerst moesten de weekenden nog geregeld worden.
Dat was nu hetgeen ik naar uitkeek.
Niet naar mijn pleegouders an sich, maar naar de vrijheid, de straat en mijn vrienden.




NIEUW BEGIN?

Op een morgen wordt ik door de non van onze afdeling non uit de les gehaald.
Die lessen stelden trouwens niet veel voor. Als ik al gedacht en gehoopt had dat ik hier een opleiding zou vplgen, dan was ik er wel degelijk aan voor mijn moeite.
Het totale lessenpakket was op lager school niveau. Er wed veel meer aandacht besteed aan huishoudkunde, want de nonnen stoomden ons liever klaar om gedienstige, nederige, vrome vrouwen en moeders te worden.
(PING! De naam van die non schiet mij plotsklaps te binnen, zij noemde zuster Esmeralda)

Zodus, zuster Esmeralda haalt me uit de les. De sociale assistente, rechterhand van mijn toeziende voogd en procureur des Koning, wil met me praten.
De schrik slaat me om het hart want ik vrees dat men mij nog verder weg zal steken, naar nog een strenger instelling. Het doem beeld van de vrouwengevangenis in Brugge wordt ons regelmatig voor ogen gehouden. Ik zie anders geen enkele andere reden waarom dat mens met mij wil praten.

Wanneer ik in het kale kamertje binnenkom, heeft de dame reeds mijn dossier opengeslagen voor haar liggen. "Ga zitten" zegt ze heel kortaf.
Haar toon bevalt me niet. En zoals steeds wanneer men me af blaft voel ik de opstandigheid in me opborrelen.
Maar je mag het noodlot niet uitdagen heb ik geleerd, en dus ga ik gehoorzaam zitten.
Het is die machteloosheid die ik haat, en die mij in mijn verdere leven steeds parten zal blijven spelen.

"Je mag naar huis" zegt ze vlak en ik meen in haar toon te horen dat ze het daar helemaal niet mee eens is. Maar ze draait in elk geval niet rond de pot.
Waarschijnlijk heb ik haar met open mond zitten aanstaren. Dat was dan  ook het laatste wat ik uit haar mond verwacht had. Ik wist niet of mijn oren mij niet bedrogen, maar de s.a. ging onverstoord verder gaat zij verder.
"Je haalt goede resultaten hier in de klas, maar men heeft hier niet de mogelijkheden om je verder te onderwijzen."
"Je voogd is van mening dat je beter naar een buitenschool gaat, maar dat kan niet van hieruit."
"Je pleegouders gaan met de voorwaarden akkoord, en willen je terug opnemen in hun gezin."
"Er is een jeugdrechter aangesteld die je schoolresultaten maandelijks zal opvragen en je zult  elk kwartaal  bij hem moeten komen om je vorderingen te bespreken".
"Ik hoop dat je deze nieuwe en unieke kans gaat benutten, het gaat je wel."
En weg was ze....!

Zij had dit alle gezegd in een adem.
Geen woord over het hoe en wanneer.
Mijn pleegouders hadden ook niets laten weten.
Maar vooral twijfelde ik of ze met die voorwaarde akkoord gingen, en zo ja, waarom.
En welke school, welke richting?
Ik had meer dan twee jaar onderwijs gemist.
De lessen op het internaat telden niet mee want er werd meer gelet op je gedrag in de klas dan op je resultaten.

Terwijl  een non mij terug naar boven bracht, begon het heel langzaam tot mij door te dringen dat ik weldra vrij zou zijn.
Enerzijds was ik blij natuurlijk, maar anderzijds was ik bang.
Ik had reeds meer dan een jaar geleefd in een gemeenschap waarin ik mij geen zorgen hoefde maken.
Waar alles voor mij werd beslist. Enkel gehoorzamen was de boodschap en doen wat men je opdroeg zonder tegenspraak en zonder dralen.

Dat is niet makkelijk als je tiener bent.
Maar langs de andere kant werden vele zorgen je uit handen genomen.
Ik moest geen rekening houden met de buitenwereld. Ik moest niet beschaamd zijn voor mijn kleding, want niemand ging naar de laatste mode gekleed in het internaat.
Ik moest geen rekening houden met een wisselende gemoedsinstelling. Elke dag zag er immers hetzelfde uit.
De nonnen en de opvoedsters waren op dat vlak ook  op mekaar afgestemd.
Natuurlijk was ik blij dat men me loste , maar ik was ook bang voor hetgeen me bij mijn pleegouders te wachten stond.

Was het een nieuw begin, of was het een sprong in het diepe?
Ik zou het heel snel ondervinden!
Ik zou de drijfveer van mijn pleegouders heel vlug te weten komen.
Er zou nog veel ellende op mij afkomen.
Gelukkig wist ik dat toen nog niet.
Waarom hadden de deskundigen het niet kunnen voorzien.
Wie kreeg hier in feite een tweede kans?
©Huismusje

DE JEUGDRECHTER

Voor ik naar huis mocht moest ik eerst naar het Justitiepaleis om kennis te maken met de jeugdrechter. Een opvoedster van dienst begeleidde me.
De jeugdrechter leek me een vriendelijke man te zijn. Hij sprak niet uit de hoogte, stak ook geen donderpreken af, maar behandelde mij heel normaal.
“Jeugdrechter Maes” stelde hij zich kort en bondig voor. U bent mij toegewezen door uw toeziende voogd en u zal onder mijn toezicht staan tot uw eenentwintigste, liet hij me weten.

Hij vroeg me of ik het zag zitten om terug naar mijn pleegouders te gaan? "Tja, wat had je gedacht, dat ik liever bij die machtsgeile nonnen zat?" flitste er door mijn hoofd. Maar dat zei ik natuurlijk niet hardop. In de plaats knikte ietwat timide van, ja.
Je weet, vroeg hij, dat je terug naar school moet gaan en dit minstens tot je achttien bent? Weer knikte ik bevestigend.
Hij bekeek me over zijn donker omrande bril lang en onderzoekend aan. Mijn hart bontste in mijn keel en ik wist me geen houding te geven. Niettegenstaande hij me heel gemoedelijk aansprak vond ik het allemaal heel erg imponerend.
Bon, zei hij, dat is dan afgesproken. Het eerst volgende weekend verwachten je pleegouders je weer thuis. Ik wens je veel succes en hoop je hier nooit meer terug te moeten zien. Hij stond op en ging de kamer uit.

Een klerk kwam naar me toe, haalde een papier tevoorschijn dat ik moest tekenen zonder tijd te krijgen om het te lezen, en stopte het vervolgens in mijn dossier.

Dat dossier van mij had ondertussen al serieuze pproporties aangenomen en ik was nog steeds reuze benieuwd wat er allemaal in stond. Maar zoals ik reeds scchreef in een vorig item, ik heb er nooit de kans toe gekregen.

De opvoedster stond op en wij gingen naar buiten. Zij had blijkbaar nog niet veel zin om terug te keren naar het internaat en we gingen nog wat drinken in een café in de buurt. Zij een koffie en ik een Cola.
Het was bijna een jaar geleden dat ik nog een cola had geproefd. Hij smaakte heerlijk!

©Huismusje

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten