DEJA VU


Op een maandag morgen begon ik dus vol goede moed en hoopvol te werken op de confiserie schuin tegenover het home.
Het was wederom een klein familie bedrijfje met drie werknemers de baas en de bazin.
De baas was een kleine dikkerd met slechts één arm en één been.
Zijn vrouw was een kleine bange muis. Zij hadden vier kinderen onder de tien jaar..
Hij was een echte tiran. Zowel voor zijn personeel als voor vrouw en kinderen.
Zijn arm en zijn been was hij kwijtgeraakt door een flink pak volt door zijn lijf te krijgen bij het hangen van een luchter tijdens een verhuis.
Zijn vrouw kon nog net de stroom afzetten. Meer dood dan levend brachten ze
hem naar het ziekenhuis.
Maar onkruid vergaat niet en hij was daar het levende bewijs van.
Omdat hij maar een halve vent was, moest er steeds iemand mee om te gaan leveren want zware of grote dozen dragen kon hij natuurlijk niet.
Omdat ik de jongste was mocht ik mee gaan leveren.
Ik was dolblij!
Ten eerste had ik nog bijna nooit in een auto gezeten en ten
tweede was ik liever onderweg dan in een verhitte kelder amandelen
te staan pellen. Hetgeen de minst leuke taak was en daarom natuurlijk
ook werd toebedeeld aan de laatst bijgekomen.
Dus voor mij een welkome afwisseling.
Soms reden we gewoon de stad in. Maar zij hadden ook klanten in Wallonië.
Wanneer we voor een ganse dag weg waren gingen we op zijn kosten wat eten in een wegrestaurant of cafetaria.
Praten tegen mij deed hij weinig, maar dat gaf niet want ik had veel te veel om te bekijken.
Zo nu en dan vroeg hij iets over mijn leven, maar ik omzeilde steeds die vragen met een nietszeggend antwoord.
Of hij vroeg hij mij iets over het leven in het home, maar ook daarover hield ik mijn antwoorden karig.
Op een gegeven ogenblik waren we weer ver van huis.
Het
was mooi zomerweer en hij stelde voor om koffiekoeken te kopen
en die ergens buiten te gaan opeten.
Het was voor mij allemaal goed.
Hij reed een bosweg in en ergens op een open plek stopten we.
We bleven in de auto zitten met de deuren open.
Toen we gegeten hadden stelde hij voor om nog wat te wandelen.
Ik had geen flauw vermoeden van wat mij stond te gebeuren.
Hij vroeg mij of ik niet graag wat geld voor mezelf zou hebben?
Ik
dacht dat hij bedoelde dat hij mijn overuren in het zwart ging
uitbetalen. Ik wist dat hij dit deed bij de andere meisjes. En
dus zei ik natuurlijk ja.
Mijn bevestigend antwoord zette hem meteen aan tot daden die ik niet had voorzien, noch zien aankomen.
In details ga ik niet treden, maar het kwam erop neer dat door mijn "ja" hij het idee had dat ik hem zeer genegen ging zijn.
Toen dat niet zo bleek te zijn werd hij heel vals.
Hij
zou mij achterlaten daar in dat bos en vertellen in het home dat ik was
weggelopen. Ik zou beter maar eens goed nadenken. Ondertussen bleef hij
moeite doen om mij te overmeesteren, en geloof me, voor een halve
vent had hij enorm veel kracht.
Ik riep hem nog toe dat ik bij de eerste beste telefooncel de politie zou bellen, hetgeen natuurlijk pure bluf was van mij.
Ik vertrouwde immers geen politie.
Ik liep de weg terug af die we gekomen waren, wetende dat aan de rand van het bos een drukke verkeersweg liep.
Hij haalde mij even later in met zijn auto en gebood mij om in te stappen. Zei sorry, had mij verkeerd begrepen verklaarde hij. Het zou niet weer gebeuren.
Hij vertelde mij gauw nog even dat één van zijn meisjes dat ook met hem deed en dat hij haar daar dik voor betaalde. Maar dat meisje was een vrouw van midden twintig. Geen vijftien, zoals ik.
Ik stapte in want wist anders niet hoe ik thuis moest komen. Ik wist niet eens waar we waren! Maar ik was vooral bang dat hij anders zijn bedreiging zou uitvoeren en gaan vertellen dat ik was weggelopen. Ik wist ondertussen al verdomd goed dat men hem eerder zou geloven dan mij.
Dit alles gebeurde op een woensdag, en op vrijdag kreeg ik mijn ontslag.
Ik had in het home tegen niemand iets gezegd van het voorval. Dat zwijgen als vermoord beter is dan praten had ik ook al jong geleerd.
Toen Juffrouw Beatrix, zo noemde de directrice, van mijn ontslag hoorde riep ze mij bij zich.
Of ze een vermoeden had weet ik niet, maar ze vroeg mij herhaaldelijk of er wat gebeurd was. Maar ik bleef zwijgen.
Juffrouw B. vond het niet zo best dat ik ontslagen was, het zou in mijn nadeel werken bij mijn voogd, zei ze. Maar ik vond nog diezelfde week ander werk,
ditmaal in een boekbinderij.
Er werkten nog meisjes uit het home, dus 's morgens gingen we met z'n allen samen naar het werk. Het werk zelf was leuk en de sfeer was heel aangenaam.
Ik was er graag. En men had mij graag.
Maar dit was niet het mooie einde van een sprookje!
PS: Jaren later wandelde ik met dochterlief in haar kinderwagen toen plots en auto naast mij stopte. Ik dacht dat de man de weg wou vragen en stapte naar hem toe.
Het was de baas van het marsepein fabriek. Hij vroeg of ik ondertussen veranderd was van gedacht en nu misschien wat extra geld kon gebruiken.
Ik ben zwijgend voortgestapt en liet de smeerlap voor wat hij was.





















