De begrafenis
Vrijdag rijden Karel en ik samen naar Leuven. Eerst een paar boodschappen doen, dan iets gaan eten en proberen tussen 13 en 14 uur in de tentoonstellingsruimte te zijn. Als Karel zin heeft zal hij wat gaan wandelen. Wel wil hij helpen bij het afhaken van de werken, naar beneden halen en ze in te laden in de auto. Daar ik om 19 uur wordt opgehaald betekent dit dat we juist 1 uur tijd hebben om eens de werken ingeladen, in het vrijdagse spitsuur naar huis te rijden.
Eerst moeten we even langs bij de bank, rechtover de kerk in Rotselaar. Wanneer ik het straatje indraai komt er een begrafenisstoet af. Ik parkeer me zo smal mogelijk tegen de stoep aan. Vooraan stappen twee meisjes: ongeveer 12 en 15 jaar. De twee kinderen kunnen hun tranen niet tegenhouden, ze lijken verdwaald in een wereld die onwezenlijk is. Het grijpt me enorm aan: waarom moeten die kinderen zo ondergedompeld worden in verdriet? Omdat de andere deelnemers aan de begrafenis allemaal nogal jonge mensen zijn, dertig- veertigers, vermoed ik dat de moeder van de meisjes begraven wordt. De stoet is niet zo groot maar erg stil. Dat een jonge vrouw sterft en twee kinderen moet achterlaten is vreselijk.
Wat me een paar minuten terug nog een vrolijke uitstap naar Leuven leek, verliest plots zijn aantrekkingskracht. Met tranen in de ogen zet ik de auto in gang. Karel heeft geld opgehaald en is er terug bij komen zitten. Ik krijg niets tegen hem gezegd.
Verdriet en woede vragen in mij om aandacht. Woede om het verdriet dat die kinderen moeten ondergaan, verdriet om de snijdende pijn van het afscheid nemen. Ik weet dat daaraan niet te ontkomen is. Leven betekent ook dit leven verlaten, ook als er mensen nablijven die rouwen.
Ik kan alleen maar verhopen dat allen die ik daarjuist voorbij zag gaan opnieuw hun draai vinden en kunnen genieten van dit leven, vooral die twee meisjes.

