Naar de inhoud

Lut De Rudder

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 februari 2013 tot 28 februari 2013

Vierkanten

Ik blijf bij het vlak en plaats enkele even grote vierkanten op het blad. Om het geheel wat boeiender te maken maak ik de achtergrond zwart en laat de tekening wit. Het is een rustige tekening. Ze nodigt uit tot kalmte. Is ook eens leuk om beleven.

Achtergrond en voorgrond

Ik maak weer een vlek van verdunde Oost-Indische inkt. Blijkbaar gebruik ik nogal overvloedig water, want in de hoeken van het blad hoopt de Oost-Indische inkt zich op: een volgende keer daar meer aandacht voor hebben. Na het drogen geef ik wat maar aandacht aan het lijnenspel. Zonder die donkere hoeken zou het best meevallen. Het is nog maar het begin. Soms zou ik willen dat er meer uren in een dag waren om te tekenen: er is nog zoveel te ontdekken.

Werken met een achtergrond

Met à la Escher te werken, waarbij de achtergrond een even belangrijke rol speelt als de voorgrond, wil ik nu wat experimenteren met de achtergrond. Een eerste probeersel is een vlek te maken met verdunde Oost-Indische inkt, het blad te laten drogen, en daarop dan een tekening te plaatsen. Het gaat mij niet zozeer om de tekening, wel om het effect van die achtergrond bij het tekenen. Jammer dat de verdunde Oost-Indische inkt bij het scannen zo bisterachtig wordt.

De pennendoos

Terwijl ik met die kleine vierkantjes bezig ben komt een herinnering binnenwandelen van het eerste leerjaar. We kregen van ‘de zuster’ (toen waren er nog veel vrouwelijke kloosterlingen die voor het onderwijs zorgden) bij het begin van het jaar een pennendoos. Op die doos waren 10 vlakjes aangebracht die scherp afstaken tegen de achtergrond van het deksel. Was die doos zo aangekocht, of had de kloostergemeenschap sigarendoosjes verzameld en in de vrije tijd, terwijl de kloosterlingen mochten praten met elkaar, die doosjes in elkaar geknutseld? Wellicht dat laatste, want die eerste naoorlogse periode ging men toch heel zuinig met materiaal om.

 

In elk geval leerden we met dat deksel onze eerste sommen maken. Op een dag vroeg de zuster goed naar de doos te kijken, daarna onze ogen te sluiten en te ontdekken welke kleur we zagen. Ik zag groen, dat was duidelijk. Ondanks ik met veel enthousiasme mijn vinger opstak, kwam ik niet aan bod. Toen na een poosje iemand de juiste kleur vermeldde, vroeg de zuster wie nog groen had gezien. Op hetzelfde enthousiaste elan als waarmee ik mijn vinger opstak deelde ik mee dat het bij mij ook groen was. Toen gebeurde er voor mij iets heel onbegrijpelijk en kwetsend. De zuster sneerde dat ik het altijd juist wou hebben. Ik begreep niet waarom ik zo publiekelijk geminacht werd: ik had toch groen gezien?

 

Later ben ik veel dingen gaan begrijpen. Het gebeurde nogal eens meer dat ik zo erg afkattend behandeld werd door de onderwijzeressen. Het was pas na de oorlog. Hoewel vader vrijgesproken was in een proces wegens collaboratie, bleef hij een ‘zwarte’. Ze hadden niet voor niets bijltjesdag gehouden in ons gezin: de inboedel de straat op en in brand.

 

Regelmatig moest ik de wrevel van de leerkrachten ondergaan, zonder dat ik begreep waarover het ging. Ik had niks mispeuterd, maar toch was er iets niet goed.

 

Met de huidige normen kan je dat niet beoordelen. Ik probeer het te plaatsen tegen het denken en aanvoelen van toen.

 

In elk geval was de kleur die ik zag groen. Eindelijk mag ik het eens zeggen.

 

à la Escher

Ik blijf bij de letters hangen. Maar letters als tekening. Toch zet ik een stap verder. Ik gebruik geen bestaande letters meer maar zoek naar een kleine tekening , die zich eindeloos kan herhalen, alsof je schrijft. Ik gebruik die tekening dubbel: zwart tegen een witte achtergrond en wit gelaten tegen een zwartgemaakte achtergrond. Ik moet denken aan Escher: die speelde heel ingenieus met achtergrond en voorgrond. Googel maar eens op zijn naam en dan naar de afbeeldingen. Ongelooflijk.

Letters

In de schilderklas ben ik een groot doek aan het schilderen: 2m x 2m. Het is het midden stuk van een trilogie: antwoord aan de piëta. De piëta is een bekend icoon in onze christelijke beeldkunst: Maria met haar dode zoon op haar schoot.

 

Die schilderijen waren verbeeldingen die men tijdens de kerkelijke vieringen kon bezichtigen. Ik heb altijd als kind met verwondering gekeken naar die theatrale voorstellingen. Meestal vond ik het nogal verbijsterend. ‘t Was allemaal nogal gruwelijk. Niet alleen piëta’s, maar ook heiligen, vb. Sint-Sebastiaan vond ik nogal luguber. Ik weet nog precies waar hij in de dorpskerk hing.

 

Je moet maar eens met een kleinkind aan de hand door bepaalde afdelingen van het museum M in Leuven wandelen. Een kleinkind dat niet christelijk opgevoed is, dat geen weet heeft van martelaren, het verhaal van Jezus. De vragen komen op je af: waarom hakken die mannen met bijlen, waarom heeft die man zoveel bloed in zijn zijde? De christelijke iconografie houdt blijkbaar van wonden en bloed, van marteling en dood. Het is sensationeel om mee naar buiten te komen. Het helpt om de ‘zondige’ mens onder de psychologische knoet te houden.

 

Tevens biedt zo’n iconografie een leidraad voor het leven van de gelovigen. De piëta is daarbij een krachtig beeld. Een vrouw, wezenloos van verdriet bij de dood van een kind. Zo moet een vrouw dus aanwezig zijn in het leven als ze een kind verliest. Daar kan men weg mee: de vrouw is hulpeloos, sprakeloos, van de wereld (in choque zegt men nu)… krachteloos overgeleverd aan degene die het goed met haar menen. Dat bij het sterven van een kind andere aspecten aan bod komen … dat ontdek je stilaan door zelf die ervaring mee te maken, door aandacht te krijgen voor de wereld van andere moeders die een kind verloren.

 

Ik denk aan de dwaze moeders in Argentinië, de vrouwen in Beslan na de terreuraanslag … en al die vrouwen die dagelijks ons scherm passeren bij weer een aanslag uit een of ander hoek. Wellicht hebben ze het over helden en martelaren bij een interview, maar thuis zonder het oog van de wereld of politieke systeem, huilen ze wel om dat kind, is er een plaats die leeg is. Het zijn vrouwen die woedend zijn, die het politieke systeem in vraag stellen. Ze vervloeken die oorlog of de situatie waarin ze gevat zijn en dat was vroeger waarschijnlijk ook zo. Daarom dat die vrouwen een rol moesten toebedeeld krijgen waarbij ze zwegen … en dapper hun verdriet droegen.

 

Ik schilder drie anti-piëta doeken. Het eerste doek probeert de pijn, verwarring, complexiteit van ervaren weer te geven bij de dood van een kind. In het tweede doek ben ik op zoek naar de moderne vormgeving van de klassieke piëta. Het laatste doek zal de moeder tonen die vragen stelt aan de wereld, die haar protest uitdrukt.

 

Bij het tweede doek gebruik ik teksten van doodsprentjes, liederen, gedichten uit het rijke Vlaamse leven. Die woorden schrijf ik over het beeld van de moeder heen op het doek: als een niet te ontkomen siroop omvatten die woorden haar wereld, haar bewustzijn.

 

In deze tekening heb ik de woorden terzijde gelaten om de letters alleen als beeld te gebruiken. Even bekomen van de verschrikking van de inhoud.

Licht in de vakjes

Ik doe de vorige oefening nog eens over, alleen vul ik de vakjes met verschillende verdunningen van Oost-Indische inkt. Zo komt er licht in het geheel. Bij het scannen worden de grijze tinten van de verdunde inkt bruin, net of ik bister gebruikt heb. Maar ook met bister zou deze oefening tot haar recht komen. Het zijn heel gewone oefeningen … maar ik heb er plezier bij. Elke ambitie ontbreekt … op je zeventigste moet je niets meer bereiken … alleen nog die dingen doen waaraan je deugd hebt. Dat probeer ik ten volle uit. Ik probeer iets uit omdat het me boeit, omdat ik het graag doe. De tekeningen stapelen zich op. Wanneer ook ik afscheid neem van deze wereld zullen mijn kinderen die tekeningen vinden. Wellicht zullen ze onder elkaar vertellen met hoeveel enthousiasme ik pen en inkt hanteerde.

Ik kan me geen beter ouder worden voorstellen.

Vlakken

Dezelfde oefening als vorige tekening maar zonder tussenlijn en i.p.v. tekeningetjes plaats ik nu vierkantjes zonder meer. Het is een vereenvoudiging … en terwijl ik vierkantje na vierkantje neerzet ontdek ik plotseling dat ik bij ‘het vlak’ uitgekomen ben. Daar valt nog heel wat te onderzoeken.

Tekenschrift

Tussen getrokken lijnen ga ik even met verdunde Oost-Indische inkt. Daarna maak ik tekeningen in een vierkantvorm. Geen enkele tekening mag hetzelfde zijn, dat prikkelt de fantasie om aan de slag te gaan.

 

Het geheel doet me denken aan een of ander tekenschrift. Nochtans is er bij mij geen enkele vorm van mededeling onder verborgen, het is puur plezier van lijntjes trekken. Je kan onze letters ook louter als grafische vormgeving beschouwen en er dan iets mee doen. Wellicht probeer ik dat nog eens uit.

Met een dunne pen

Ik blijf bij het schrijven zitten. Weer zoek ik een motief dat eindeloos herhaald kan worden. Ik gebruik nu een dunnere pen en maak gebruik van een vlak in een vlak om met kleurverschil te werken. Het werken met een dikkere pen vind ik expressiever, wellicht is deze dikte beter bij kleinere motieven. Zo leer je telkens wat bij.

Woord tegen woord

In de schilderklas ben ik bezig met een schilderij dat ik met tekst ga afwerken. Thuis heb ik dit al even uitgeprobeerd: een bestaande tekst woord tegen het volgende woord geplakt uitschrijven terwijl de bovenkant van de ene regel de onderkant van de vorige raakt.

 

In deze tekening wil ik eenzelfde motief in een vloeiende lijn kunnen herhalen, alsof ik schrijf. Aan de ene kant in volle Oost-indische inkt aan de andere kant diezelfde inkt aangevuld met water. Stilaan groeit er iets onder mijn handen dat een eigen leven gaat leiden. Heel simpel, heel rustgevend.

Ter ere van de kou

De centrale verwarming is weer eens uitgevallen … met dit weer kan ik me wel wat leukers voorstellen. Gelukkig is er nog een gaskachel die stralend warmte geeft en we sleuren twee elektrische vuurtjes bij de tekentafel zodat we het kunnen overleven. We zullen dus nu maar gaan uitkijken naar een vernieuwing van de installatie.

 

Omdat ik denkelijk met de koude in mijn hoofd zit teken ik iets dat op een huis gelijkt. Door het spelen met de lijnen ontstaat een vorm van perspectief. De witte gaten zijn ter ere van de kou.

Oefenen met de brush pen

Vullingen gevonden voor mijn brush pen. Ik maak er een oefening mee, zodat ik de mogelijkheden van zo’n ding wat kan uittesten. Tekenaars gebruiken het om vlakken op te vullen, schaduw te geven … ik wil vooral zoeken naar abstract gebruik: welke mogelijkheden zitten in de werking van  de brush pen zelf. Een eerste ‘huppelen’ over het blad valt mee. Toch zal het nog wel wat oefenen vragen om er echt mee te leren werken.

Denkend aan balustrades

Wat experimenteren met bister. De krullen van de balustrades blijven me bij, dus probeer ik maar krullen uit. Ik zet met een pen voor kalligrafie enkele forse rondingen. Om de brutaliteit ervan wat af te zwakken ga ik er met lichte bister over. Wanneer alles opgedroogd is haal ik met helder water bister weg, zodat er een tekening in een tekening ontstaat.

Art deco

Wanneer ik terug ben, ‘geland’ van de trip naar Parijs, blijft de ‘art deco’ me opwinden. Ik probeer zelf een tekening in dat genre uit. Ondertussen verbeeld ik me zoiets in het groot te maken. Ik heb ooit eens doek gekocht in de Aldi: 70cm op 4 m. Het doek is echter niet zo goed om op te schilderen: de oppervlakte is ruig zodat de borstels rap verslijten en de kwaliteit is niet echt bestand tegen nat. Eerst zou je het doek op een plank moeten kleven zodat de buitenranden niet meer omkrullen. Dat zal iets voor de zomer worden. Een abstract werk dat ‘art deco’-achtig aandoet. Wellicht in bister of Oost-Indische inkt, dat moet ik eerst nog uitproberen. In de winter maak ik liever kleine werken achter mijn tekentafel.

Nagenieten II

Nog een laatste blik op de foto’s die Christel nam. Dan is het terug aan het werk: tekenen en schilderen … en wellicht geïnspireerd door wat ik zag wat goede dingen maken. In elk geval stimuleert het mij wanneer ik naar exposities ga en ik hoor ook van de anderen dat ze er extra zin in hebben om terug aan het werk te gaan.

     een deur met mooi glaswerk

     een balkon met smeedijzeren afrastering

     een ingang naar een metrostation

     een van de bruggen over de Seine ... op de achterkant het grote rad

     iemand heeft een gat in de markt ontdekt: verliefdheid

     langs de kade van de Seine

     even overleg tussen de gidsen van de groep

    

     spelen met onze schaduw: Christel links met het fototoestel

     genieten van de eerste zon

     ook hier genieten ze van de zon

     tot er een wolk voor de zon schuift en onmiddellijk herneemt het winterse landschap zich

Nagenieten I

Als ik thuiskom blijft mijn aandacht nog gedeeltelijk in Parijs hangen: flarden gesprekken komen terug, schilderijen  blijven me aanspreken … net of een vorm van heimwee komt opzetten: zo goed was het. Wanneer we elkaar drie dagen later weerzien, is de begroeting uitbundig. We kunnen de collega’s alleen maar van ons enthousiasme laten meeproeven.

 

Stilaan zal de intensheid van de korte reis wegzakken en blijft alleen een positieve herinnering. Christel bezorgt alle deelneemsters haar foto’s … bij het bekijken wordt alles weer levendig. Het feit dat je niet op een foto meer of minder moet kijken met de digitale toestanden, kan je veel beelden nemen zonder  je af te vragen of het wel nodig of betaalbaar is.

 

Hier volgen nog wat foto’s, geniet maar mee.

     de ingang van het ‘Centre Pompidou’ … buizen en nog eens buizen

     Hopper: waar begint het schilderij?

     de metro in

     overal affiches … deze affiche is een abstract kunstwerk geworden

    

     een affiche die er keurig bij hangt

     het donkere gat waaruit de trein aan komt razen … zien de treinbestuurders wel daglicht?

     het perron: korte stop en dan weer dat andere donkere gat in

     Kristel heeft een zitplaats gevonden. Hoewel … met de rugzak is het maar aanmodderen

na Dali zochten we een restaurantje. Dit was een terras met een tent erover en verwarmd. Leek aantrekkelijk … alleen mocht men er roken. Gelukkig dat er maar weinig rokers waren toen het eten opgediend werd.

Parijs kent, zoals alle grote steden, een straatcultuur. Gaat deze man viool spelen op de trein of reist hij naar een of ander pleintje waar hij aan het werk gaat?

deze kunstenaar is een fenomeen: zingend en dansend maakt hij zijn beeldjes. De mensen blijven lachend staan … en hij verkoopt.

    

     hier is verstilling aan de orde. Langzame gebaren nodigen uit te blijven kijken.

ook dit is een onderdeel van de straatscène: verborgen in een hoek, nauwelijks op te merken, beschut de paraplu hem tegen de regen en de blikken van de voorbijgangers.

De terugreis

Na de maaltijd voelen we ons weer opgeknapt. Neen, we gaan niet meer naar een museum, want de trein zal over een tweetal uren vertrekken. We willen nog even langs de Seine wandelen en toeristische winkeltjes bezoeken. De restaurantverantwoordelijke raadt ons aan de overkant van de Seine te nemen, daar zullen we zeker onze gading vinden.

 

Zo trekken we over de brug die vol hangt met kleine en grotere hangsloten: verliefden willen op deze romantische wijze hun liefde verklaren. Ik vraag me af of, als ze uit elkaar gaan, ze ook het slot komen wegnemen. Maar dat is de levenservaring die me dit doet bedenken. Ik vind het wel leuk dat jonge geliefden zo hun liefde uitzingen … en waar kan je dat beter dan in Parijs?

 

We wandelen de winkeltjes langs en Maggy koopt een T-shirt. Ik neem ook nog een sjaal mee en chocolaatjes voor Karel. Ik zie dat anderen zich ook door prullaria laten verleiden. Zo heeft iedereen iets mee van deze uitstap. Leuk.

 

De zon komt er door … en door dat bijzondere licht voelen we echt dat we in Parijs zijn. Dat licht ontstaat wellicht door de weerkaatsing van de zon op de witte gebouwen. Dan wandelen we door ‘Les Jardins des Tuileries’. De mensen lopen ‘en masse’ op de wegen: door de nog kale bomen zie je de donkere figuren langs de paden trekken. Ergens heb ik daar een schilderij van gezien, maar ik weet niet meer waar en wie het schilderde.

 

Dan  de metro in richting Gare du Nord. We moeten ergens van trein veranderen … en tien minuten voor vertrektijd komen we aan op het perron. Plaats nemen. We zitten niet samen zoals in de heenreis … maar we zijn toch te moe om nog veel met elkaar te praten. Ik duik terug in mijn lectuur. Gelukkig dat het makkelijk om lezen is en ik niets anders hoef te doen dan me laten rijden.

 

Zonder enig oponthoud rijden we Brussel-Zuid binnen en halen nog net een trein die ons naar Leuven brengt. Onderweg belt Denise haar man op om te zeggen dat we er aankomen.

 

In Leuven nemen we afscheid en met het groepje waarmee we vertrokken trekken we weer huiswaarts. De man van Denise zet ons keurig af in Werchter en Brigitte neemt haar auto en geraakt zo thuis.

 

Karel is verrast dat ik er al ben: ik had hem een sms-je gestuurd dat we een uur later zouden toekomen. Nu, leuker vroeger dan later toekomen.

 

We hebben elkaar wel wat te vertellen: Karel over zijn dagen hier in Werchter, ik over Parijs.

 

Het zal nog een paar dagen duren voor ik Parijs ‘verwerkt’ heb. Het is net of ik een lange reis achter de rug heb, met zoveel indrukken, zalige momenten van vriendschap, genieten van kunst …

 

     Parijs: de grootstad van verliefden

     in warme jassen op winterse wandeling

     nog gauw iets meenemen voor thuis

Muséee d'Orsay

Het Musée d’Orsay is een verbouwd treinstation en draagt daar nog de kenmerken van. Erg goed gedaan. Hier gaan we de tweede helft van de negentiende eeuw en zowat de eerste helft van de twintigste eeuw bezichtigen … als we binnen geraken. Ook hier staat een rij van hier tot ginder. Gezien we in dit museum onze museumpas kunnen gebruiken, trekt Kristel er op uit om te onderhandelen over een vervroegde entree. En ja, onze passen geven recht om langs een zijdeur binnen te komen. Ook hier door een metaaldetector en onderzoek van de rugzakken. Uiteindelijk kunnen we onze jassen en tassen in een groepskast deponeren. Zo, we staan klaar om er aan te beginnen, alleen nog een uur en plaats afspreken om elkaar weer te zien: om twee uur bij de boeken … en voor wie geen horloge bij heeft: een grote stationsklok hangt de minuten weg te tikken.

 

Christel en ik trekken er samen op uit. We raken danig onder de indruk van wat aangeboden wordt. Het licht van de impressionisten zal me nog dagen bijblijven. Maar een confrontatie met ‘Le Déjeuner sur l’herbe’ van Manet is ook niet mis. Er hangen ook wat werken van Van Gogh. Er zijn ook een groot aantal beeldhouwwerken verzameld, Rodin en Maillol zijn al lang favorieten … en ergens ontdek ik zowaar een werk van George Minne.

 

Wat opvalt: veel portretten met Joods uiterlijk … en als je dan de namen leest van de geportretteerden klinken die ook joods. Wat is er met die mensen en hun familie gebeurd tijdens de WOII?

 

Schilderijen bekijken is ook een stuk geschiedenis confronteren. De kledij spreekt van de mode op dat moment, de gebouwen van toen staan er nu nog of zijn verdwenen. Wanneer een auto staat afgebeeld kan je aan het model ongeveer het jaartal aflezen.

 

We trekken naar de hogere verdiepingen voor de ‘Art Nouveau’ uit verschillende landen. De elegantie van de meubels doet bijna pijn van volmaaktheid. Hier ademt luxe die naar adem doet snakken: naar zo’n meubels kan je alleen maar kijken,maar in die zetels laat je je niet neerploffen na een vermoeiende dag. Maar we moeten de tijd in het oog houden. Ik zou een ganse dag in dit museum willen blijven.

 

We hebben nog een tiental minuten om beneden door de symbolisten te lopen. Je doet natuurlijk te kort aan de kunstwerken en hun kunstenaars om maar even te kijken, maar de symbolisten zijn niet direct mijn dada … en de groep wacht.

 

Ook Christel is overvol van wat ze gezien heeft. Toch ook blij dat we kunnen gaan rusten. Er kon geen betere afronding van de reis plaats vinden, want tijd om nog iets anders te zien is er niet meer als we nog iets willen eten.

 

Eerst in het boekenwinkeltje kijken of er nog iets aantrekkelijk ligt. Brigitte wijst me op een boekje over Soutine en raadt het me aan, het ligt een beetje in mijn manier van werken. Christel en Denise kopen zich een zwaargewicht van een boek over het impressionisme. Wanneer iedereen klaar is met zijn aankopen gaan we onze tassen en jassen ophalen. Iedereen is enthousiast … en we zeggen nog maar eens dat we er goed aan deden van gisteren door te bijten voor Hopper.

 

Nu op zoek naar een eetgelegenheid. Rond een museum vind je wellicht iets … en inderdaad, na wat rondkijken kiezen we voor een café-restaurant. Binnen ziet het er heel opeengedrongen uit, maar de menukaart trekt ons aan.

 

Het is een kleine bedoening. De tafeltjes zijn denkelijk 55 x 55. Het is echt manoeuvreren om op een plaats te komen, vooral met die rugzakken en dikke jassen. Tegen de achterwand van het restaurantje vinden we lege tafeltjes waar we met de ganse groep kunnen zitten. We stapelen de rugzakken in de hoek en proberen de jassen aan een kapstok te hangen. Wat doet het deugd om te zitten.

 

Laat het eten maar aanrukken, het zal smaken.

 

onverstoord bewaakt deze kolos het ‘Musée d’Orsay’

de wereldberoemde buitenklok die reeds zovelen inspireerde

deze binnenklok zal ons weer op tijd samen brengen

Marché de Puces

090213  Marché de Puches

 

De afspraak was om half negen aan de ontbijttafel. Dat lukt. Een uitgebreid ontbijtbuffet verwelkomt ons. We hebben geen haast. We stellen vast dat het regent … en een binnenpretje ontwikkelt zich: gelukkig dat we gisteren de moed opbrachten om aan te schuiven voor Hopper … want vandaag zou het zeker geen pretje zijn.

 

Alsof we het gesprek van gisteren niet onderbroken hebben komen de verhalen weer te voorschijn. We vragen nog maar eens de koffie bij te vullen. Zou het zo intens kunnen verlopen mochten onze mannen mee gekomen zijn? Een groep vrouwen is zo anders van interactie als ze het goed vinden bij elkaar dan een groep van beider sekse. Toen ik nog werkte binnen de huisvesting van de KUleuven was het de gewoonte van de kamers in de gangen te ‘mengen’: zowel jongens als meisjes woonden samen in één gang. Toch waren er groepen die kozen voor ‘alleen’ meisjes: dat gaf een aparte sfeer … en ze konden altijd op bezoek bij de gemengde gangen. Ik pleit noch voor het ene, noch voor het andere. Alleen stel ik vast dat het ontzettend leuk kan zijn om samen met andere vrouwen een tijdelijke groep te vormen.

 

Om tien uur besluiten we de laatste koffie op te drinken en de bagage te gaan halen. Wanneer we op de zesde verdieping toekomen is een zwarte vrouw de bedieningskar aan het volladen met handdoeken, lakens … Ondertussen zingt ze een lied tussen haar tanden door.

 

Het is echt opmerkelijk hoe al de ‘nederige’ en waarschijnlijk slechtbetaalde jobs door gekleurde mensen worden verricht. Het ontbijt werd verzorgd door Afrikaanse meisjes, de balies en het toezicht in de musea meestel bezet door gekleurde mannen en vrouwen, meestal van Afrikaanse oorsprong. Ze worden in een uniform gestopt, zodat hun individualiteit tot het minimum beperkt blijft.

 

Eerst willen we naar de vlooienmarkt gaan, die is op zondag open. We geven onze bagage in bewaring het hotel. Het regent. Ik moet ontdekken dat mijn jas niet waterdicht is en mijn mouwen zich langzaam volzuigen met water dat koud aanvoelt. Terwijl we op weg zijn richting markt, horen we een vrouw misbaar maken: de ruit van haar wagen is stukgeslagen. Een verschijnsel dat in alle grote steden voorkomt.

 

Stilaan zien we voetgangers verschijnen met plastieken zakken … met daarin allerlei soorten groenten. Zouden er ook groenten verkocht worden op die vlooienmarkt? We stappen dapper verder tot we geroep horen dat luider wordt naarmate we verder stappen. Dan ontdekken we de oorzaak: een groentemarkt, met denkelijk allemaal mannen en vrouwen van Algerijnse oorsprong, roepend tegen elkaar op. Zelf de prijs wordt roepend meegedeeld. Het geheel lijkt op een massa-opera. Het is een druk bezochte markt … maar van de rommelmarkt geen spoor te bespeuren. Denkelijk zijn we de verkeerde kant opgegaan. Nu hebben we maar één wens: zo vlug mogelijk terug naar het hotel waar we onze bagage kunnen ophalen en dan naar een museum, dan zijn we ten minste uit de regen.

 

In het hotel lijkt het op Famlty Towers, maar dan zonder de bedoeling humor te creëren. De chef, uiteraard een blanke, groot, pak en das, regelt aan de balie allerlei papieren toestanden. Hij heeft geen tijd om ons te begroeten en heeft zijn klantvriendelijkheid gedelegeerd naar zijn helper, een heruitgave van Manuel: even schriel en klein. Alleen is deze Manuel blank, en draagt ook pak en das. Maar hij sleurt op dezelfde manier met de bagage, kruipt als het ware voor zijn chef, is heel vriendelijk en werkelijk behulpzaam.

 

Wanneer we met de rugzakken weer op straat staan, is het opgehouden met regenen. We zeggen voor de zoveelste keer tegen elkaar dat we gelukkig gisteren aangeschoven hebben voor Hopper.

 

We kiezen voor het Musée d’Orsay. We duiken weer de metro in. Ik probeer de daklozen niet te zien … wat doen ze toch de ganse dag? We nemen de trein die komt aanstormen op weg naar onze bestemming.

 

Meer van Lut De Rudder

↑ Terug naar de berichten