Parijs kent, zoals alle grote steden, een straatcultuur. Gaat deze man viool spelen op de trein of reist hij naar een of ander pleintje waar hij aan het werk gaat?
deze kunstenaar is een fenomeen: zingend en dansend maakt hij zijn beeldjes. De mensen blijven lachend staan … en hij verkoopt.
ook dit is een onderdeel van de straatscène: verborgen in een hoek, nauwelijks op te merken, beschut de paraplu hem tegen de regen en de blikken van de voorbijgangers.
De terugreis
Na de maaltijd voelen we ons weer opgeknapt. Neen, we gaan niet meer naar een museum, want de trein zal over een tweetal uren vertrekken. We willen nog even langs de Seine wandelen en toeristische winkeltjes bezoeken. De restaurantverantwoordelijke raadt ons aan de overkant van de Seine te nemen, daar zullen we zeker onze gading vinden.
Zo trekken we over de brug die vol hangt met kleine en grotere hangsloten: verliefden willen op deze romantische wijze hun liefde verklaren. Ik vraag me af of, als ze uit elkaar gaan, ze ook het slot komen wegnemen. Maar dat is de levenservaring die me dit doet bedenken. Ik vind het wel leuk dat jonge geliefden zo hun liefde uitzingen … en waar kan je dat beter dan in Parijs?
We wandelen de winkeltjes langs en Maggy koopt een T-shirt. Ik neem ook nog een sjaal mee en chocolaatjes voor Karel. Ik zie dat anderen zich ook door prullaria laten verleiden. Zo heeft iedereen iets mee van deze uitstap. Leuk.
De zon komt er door … en door dat bijzondere licht voelen we echt dat we in Parijs zijn. Dat licht ontstaat wellicht door de weerkaatsing van de zon op de witte gebouwen. Dan wandelen we door ‘Les Jardins des Tuileries’. De mensen lopen ‘en masse’ op de wegen: door de nog kale bomen zie je de donkere figuren langs de paden trekken. Ergens heb ik daar een schilderij van gezien, maar ik weet niet meer waar en wie het schilderde.
Dan de metro in richting Gare du Nord. We moeten ergens van trein veranderen … en tien minuten voor vertrektijd komen we aan op het perron. Plaats nemen. We zitten niet samen zoals in de heenreis … maar we zijn toch te moe om nog veel met elkaar te praten. Ik duik terug in mijn lectuur. Gelukkig dat het makkelijk om lezen is en ik niets anders hoef te doen dan me laten rijden.
Zonder enig oponthoud rijden we Brussel-Zuid binnen en halen nog net een trein die ons naar Leuven brengt. Onderweg belt Denise haar man op om te zeggen dat we er aankomen.
In Leuven nemen we afscheid en met het groepje waarmee we vertrokken trekken we weer huiswaarts. De man van Denise zet ons keurig af in Werchter en Brigitte neemt haar auto en geraakt zo thuis.
Karel is verrast dat ik er al ben: ik had hem een sms-je gestuurd dat we een uur later zouden toekomen. Nu, leuker vroeger dan later toekomen.
We hebben elkaar wel wat te vertellen: Karel over zijn dagen hier in Werchter, ik over Parijs.
Het zal nog een paar dagen duren voor ik Parijs ‘verwerkt’ heb. Het is net of ik een lange reis achter de rug heb, met zoveel indrukken, zalige momenten van vriendschap, genieten van kunst …
Muséee d'Orsay
Het Musée d’Orsay is een verbouwd treinstation en draagt daar nog de kenmerken van. Erg goed gedaan. Hier gaan we de tweede helft van de negentiende eeuw en zowat de eerste helft van de twintigste eeuw bezichtigen … als we binnen geraken. Ook hier staat een rij van hier tot ginder. Gezien we in dit museum onze museumpas kunnen gebruiken, trekt Kristel er op uit om te onderhandelen over een vervroegde entree. En ja, onze passen geven recht om langs een zijdeur binnen te komen. Ook hier door een metaaldetector en onderzoek van de rugzakken. Uiteindelijk kunnen we onze jassen en tassen in een groepskast deponeren. Zo, we staan klaar om er aan te beginnen, alleen nog een uur en plaats afspreken om elkaar weer te zien: om twee uur bij de boeken … en voor wie geen horloge bij heeft: een grote stationsklok hangt de minuten weg te tikken.
Christel en ik trekken er samen op uit. We raken danig onder de indruk van wat aangeboden wordt. Het licht van de impressionisten zal me nog dagen bijblijven. Maar een confrontatie met ‘Le Déjeuner sur l’herbe’ van Manet is ook niet mis. Er hangen ook wat werken van Van Gogh. Er zijn ook een groot aantal beeldhouwwerken verzameld, Rodin en Maillol zijn al lang favorieten … en ergens ontdek ik zowaar een werk van George Minne.
Wat opvalt: veel portretten met Joods uiterlijk … en als je dan de namen leest van de geportretteerden klinken die ook joods. Wat is er met die mensen en hun familie gebeurd tijdens de WOII?
Schilderijen bekijken is ook een stuk geschiedenis confronteren. De kledij spreekt van de mode op dat moment, de gebouwen van toen staan er nu nog of zijn verdwenen. Wanneer een auto staat afgebeeld kan je aan het model ongeveer het jaartal aflezen.
We trekken naar de hogere verdiepingen voor de ‘Art Nouveau’ uit verschillende landen. De elegantie van de meubels doet bijna pijn van volmaaktheid. Hier ademt luxe die naar adem doet snakken: naar zo’n meubels kan je alleen maar kijken,maar in die zetels laat je je niet neerploffen na een vermoeiende dag. Maar we moeten de tijd in het oog houden. Ik zou een ganse dag in dit museum willen blijven.
We hebben nog een tiental minuten om beneden door de symbolisten te lopen. Je doet natuurlijk te kort aan de kunstwerken en hun kunstenaars om maar even te kijken, maar de symbolisten zijn niet direct mijn dada … en de groep wacht.
Ook Christel is overvol van wat ze gezien heeft. Toch ook blij dat we kunnen gaan rusten. Er kon geen betere afronding van de reis plaats vinden, want tijd om nog iets anders te zien is er niet meer als we nog iets willen eten.
Eerst in het boekenwinkeltje kijken of er nog iets aantrekkelijk ligt. Brigitte wijst me op een boekje over Soutine en raadt het me aan, het ligt een beetje in mijn manier van werken. Christel en Denise kopen zich een zwaargewicht van een boek over het impressionisme. Wanneer iedereen klaar is met zijn aankopen gaan we onze tassen en jassen ophalen. Iedereen is enthousiast … en we zeggen nog maar eens dat we er goed aan deden van gisteren door te bijten voor Hopper.
Nu op zoek naar een eetgelegenheid. Rond een museum vind je wellicht iets … en inderdaad, na wat rondkijken kiezen we voor een café-restaurant. Binnen ziet het er heel opeengedrongen uit, maar de menukaart trekt ons aan.
Het is een kleine bedoening. De tafeltjes zijn denkelijk 55 x 55. Het is echt manoeuvreren om op een plaats te komen, vooral met die rugzakken en dikke jassen. Tegen de achterwand van het restaurantje vinden we lege tafeltjes waar we met de ganse groep kunnen zitten. We stapelen de rugzakken in de hoek en proberen de jassen aan een kapstok te hangen. Wat doet het deugd om te zitten.
Laat het eten maar aanrukken, het zal smaken.
Marché de Puces
090213 Marché de Puches
De afspraak was om half negen aan de ontbijttafel. Dat lukt. Een uitgebreid ontbijtbuffet verwelkomt ons. We hebben geen haast. We stellen vast dat het regent … en een binnenpretje ontwikkelt zich: gelukkig dat we gisteren de moed opbrachten om aan te schuiven voor Hopper … want vandaag zou het zeker geen pretje zijn.
Alsof we het gesprek van gisteren niet onderbroken hebben komen de verhalen weer te voorschijn. We vragen nog maar eens de koffie bij te vullen. Zou het zo intens kunnen verlopen mochten onze mannen mee gekomen zijn? Een groep vrouwen is zo anders van interactie als ze het goed vinden bij elkaar dan een groep van beider sekse. Toen ik nog werkte binnen de huisvesting van de KUleuven was het de gewoonte van de kamers in de gangen te ‘mengen’: zowel jongens als meisjes woonden samen in één gang. Toch waren er groepen die kozen voor ‘alleen’ meisjes: dat gaf een aparte sfeer … en ze konden altijd op bezoek bij de gemengde gangen. Ik pleit noch voor het ene, noch voor het andere. Alleen stel ik vast dat het ontzettend leuk kan zijn om samen met andere vrouwen een tijdelijke groep te vormen.
Om tien uur besluiten we de laatste koffie op te drinken en de bagage te gaan halen. Wanneer we op de zesde verdieping toekomen is een zwarte vrouw de bedieningskar aan het volladen met handdoeken, lakens … Ondertussen zingt ze een lied tussen haar tanden door.
Het is echt opmerkelijk hoe al de ‘nederige’ en waarschijnlijk slechtbetaalde jobs door gekleurde mensen worden verricht. Het ontbijt werd verzorgd door Afrikaanse meisjes, de balies en het toezicht in de musea meestel bezet door gekleurde mannen en vrouwen, meestal van Afrikaanse oorsprong. Ze worden in een uniform gestopt, zodat hun individualiteit tot het minimum beperkt blijft.
Eerst willen we naar de vlooienmarkt gaan, die is op zondag open. We geven onze bagage in bewaring het hotel. Het regent. Ik moet ontdekken dat mijn jas niet waterdicht is en mijn mouwen zich langzaam volzuigen met water dat koud aanvoelt. Terwijl we op weg zijn richting markt, horen we een vrouw misbaar maken: de ruit van haar wagen is stukgeslagen. Een verschijnsel dat in alle grote steden voorkomt.
Stilaan zien we voetgangers verschijnen met plastieken zakken … met daarin allerlei soorten groenten. Zouden er ook groenten verkocht worden op die vlooienmarkt? We stappen dapper verder tot we geroep horen dat luider wordt naarmate we verder stappen. Dan ontdekken we de oorzaak: een groentemarkt, met denkelijk allemaal mannen en vrouwen van Algerijnse oorsprong, roepend tegen elkaar op. Zelf de prijs wordt roepend meegedeeld. Het geheel lijkt op een massa-opera. Het is een druk bezochte markt … maar van de rommelmarkt geen spoor te bespeuren. Denkelijk zijn we de verkeerde kant opgegaan. Nu hebben we maar één wens: zo vlug mogelijk terug naar het hotel waar we onze bagage kunnen ophalen en dan naar een museum, dan zijn we ten minste uit de regen.
In het hotel lijkt het op Famlty Towers, maar dan zonder de bedoeling humor te creëren. De chef, uiteraard een blanke, groot, pak en das, regelt aan de balie allerlei papieren toestanden. Hij heeft geen tijd om ons te begroeten en heeft zijn klantvriendelijkheid gedelegeerd naar zijn helper, een heruitgave van Manuel: even schriel en klein. Alleen is deze Manuel blank, en draagt ook pak en das. Maar hij sleurt op dezelfde manier met de bagage, kruipt als het ware voor zijn chef, is heel vriendelijk en werkelijk behulpzaam.
Wanneer we met de rugzakken weer op straat staan, is het opgehouden met regenen. We zeggen voor de zoveelste keer tegen elkaar dat we gelukkig gisteren aangeschoven hebben voor Hopper.
We kiezen voor het Musée d’Orsay. We duiken weer de metro in. Ik probeer de daklozen niet te zien … wat doen ze toch de ganse dag? We nemen de trein die komt aanstormen op weg naar onze bestemming.
Hotel Holiday Inn
Het hotel is wel even stappen vanaf het dichtstbijzijnde metrostation. Het is niet echt ver … maar we zijn wel moe en de ransel begint wel zwaar door te wegen. Het is een opluchting als we het hotel binnen stappen. We delen met zijn tweeën dezelfde kamer en hetzelfde bed. Christel en ik hebben reeds lang besloten elkaars bijslaapje te zijn, ook de anderen kunnen vlug beslissen hoe de kamerverdeling er uit zal zien. We krijgen een kaart die elektronisch de deur zal openen. Christel en ik slapen op de zesde verdieping, gelukkig niet aan de straatkant wat wellicht minder nachtlawaai oplevert. We spreken af om een kwartier later paraat te zijn voor de laatste expeditie: ergens lekker gaan eten.
Aan de balie vragen we info waar we terecht kunnen met onze honger. Neen, we hoeven niet door te stappen naar Mont-Martre, hier in de buurt zijn enkele restaurantjes waar de buurtbewoners zelf gaan eten en die zijn aan te bevelen. Ondanks de goede uitleg blijken we toch een straat te vroeg of te ver zijn ingeslagen en we zijn best tevreden als we een Italiaan ontdekken. Er is plaats om zes mensen samen te zetten. We laten ons met heel veel welbehagen neerzakken op de stoel: nu alleen nog genieten van iets lekkers en een glas wijn.
Blijkbaar geeft het samen zitten ons nieuwe energie. De wijn smaakt, het eten is lekker … en de verhalen boren een diepere laag van samenzijn aan. Na een dag die mooi maar vermoeiend was laat de ontspanning zich voelen in verhalen die nu tijd en ruimte krijgen. Een groep van zes is ideaal: ieder krijgt de mogelijkheid om te reageren en met haar verhaal naar buiten te komen. We hebben dan ook wel wat gemeenschappelijks: ieder is of was getrouwd, heeft opgroeiende kinderen, heeft wel wat meegemaakt in de jaren die achter ons liggen. Er is de bereidheid om elke verhaal met begrip en warmte te ontvangen … en tussendoor wordt behoorlijk wat afgelachen. Humor geeft sterkte om wat ondraaglijk lijkt te relativeren.
Terug naar het hotel. De straten laten het verkeer alleen in één richting toe, zodat langs beide kanten auto’s kunnen geparkeerd worden. Die staan dan neus aan bumper, tot zelfs op de zijkant van een kruispunt, in de draai, is een auto te vinden. Parijs zit eivol. Wat moet dit op een werkdag geven, als al die wagens de straat op moeten. De metro is geen luxe maar een noodzaak.
Parijs is tot zeven hoog volgebouwd: de zevende verdieping is een dak, de vroeger zolderkamers, verbouwd tot appartementen. Wat moet het in de zomer verstikkend zijn. De hoge bebouwing, de auto’s die hun weg zoeken, daartussen fietsers (niet zoveel aan de geparkeerde fietsen te zien) scooters (enorm veel parkings worden voor hen voorbehouden) en daartussen dan nog mensen met eventueel boodschappentassen, kinderwagens, rolstoelen …). Wat me wel opvalt: parijzenaars zijn kleurenblind. Die stappen met enthousiasme massaal door een rood voetgangerslicht wanneer de sloef auto’s voorbij is.
We gaan, na lekker eten en uitgebreid babbelen, terug naar het hotel. Ja, we willen nog iets drinken voor het slapengaan. Rustig nog wat napraten, ons voorbereiden op de nacht.
Christel en ik trekken naar onze kamer op de zesde verdieping. We zijn allebei moe. Gelukkig is het erg warm op de kamer. Gezien we allebei koukleumen zijn hindert dat niet, integendeel. Zo duiken we het gemeenschappelijke bed in, verlangend naar slaap en morgen … dat zullen we dan wel zien.

