
Er wacht ons een verrassing: de tafels zijn uitnodigend gedekt met levendige kleuren. Heerlijk. We zoeken onze plaatsen en schuiven aan. De gesprekken gaan voluit: een enorm lawaai dat nog aanzwelt naarmate wijn gedronken wordt. Rijkelijk worden we voorzien van warme hapjes en wijn.
Een filiaal in Lokeren van O.L.V.Presentatie heeft voor het eten gezorgd. Daar is een school die een opleiding voor kok organiseert. Het buffet is gewoon prachtig en aan tafel is het ook nog lekker. De leerlingen, in een zwart-wit uniform, doen hun taak voorbeeldig. Van mij krijgen ze een grote pluim.
De verhalen komen. Natuurlijk kan ik niet iedereen spreken, jammer. Er is tijd om te vragen naar ‘tussen toen en nu’. Sommigen zijn nogal vlot door het leven mogen stappen, zonder teveel kwetsuren, anderen dragen ook vandaag nog de last van leven. Maar het doet deugd mijn verhaal tussen dat van de anderen gesitueerd te weten.
Miet Verspeelt, de vroegere lerares wiskunde, komt iedereen een hand geven. Ze is 87 jaar, krachtig nog van uitstraling. Ze herinnert me niet meer, een goed teken. Ik deed graag wiskunde en had geen behoefte om bij haar de klas op stelten te zetten. Haar lessen waren voor mij geen vervelende leegte. Ik vertel haar dat ze ons ’s morgens tijdens de korte speeltijd tussen het ontbijt en het begin der lessen vaak deed zingen en marcheren. Dat herinnert ze zich nog met plezier.
Ik verzwijg dat er bij mij iets niet klopte. Na de oorlog werd mijn vader aangeklaagd voor collaboratie. Een van de aanklachten was het zingen van: ‘Kempenland aan de Dietse kroon’. Hij is vrijgesproken en mocht verder les geven als onderwijzer. Nu zongen we in de normaalschool dat lied … en vele andere liederen die toch niet zo zuiver op de graat waren. Niet dat ik me toen daar zo bewust van was, maar toch was er iets mee. Het militarisme was nog niet uit de opvoeding, er zat een soort dril in. Toen ik met de VKSJ in ons dorp tijdens een optocht ook zo wou zingen en stappen, kreeg ik van een van de toeschouwers daar een nare opmerking over. Ik wist nog niet goed waarover het ging, wel dat het met de oorlog te maken had en niet goed was. Tevens moest ik ontdekken dat wat we ‘op school leerden’ ergens fout zat. Je zou om minder verward worden als puber.
Tussen de maaltijd en het dessert lassen we een sanitaire pauze in die uitloopt op een verkenningstocht naar vroegere oorden. We willen de studiezaal zien, maar die is jammer genoeg gesloten. Praktisch alle deuren zijn gesloten, maar we kunnen in de gangen rondstruinen en dat roept ook al vele verhalen op. Hier de naaiklas met … en daartegenover de (zit)baden. Boven zijn de ‘dortoirs’ (slaapruimten met chambrettes) verbouwd. We kunnen alleen voor de deuren staan en de richting aanwijzen waar wijzelf ergens sliepen. Ja, er was één toilet voor hoeveel personen? Je leerde wel je blaas onder controle te krijgen.
De brede trappen zijn ook zichzelf gebleven, alleen is er nieuw marmer boven de uitgesleten treden gekomen. In onze tijd waren die trappen al uitgesleten door de vele voetstappen van zoveel jaren op en neer lopende internen. De balustrades zijn hun eigenste zelve gebleven. Verhalen komen van uit de les gegooid worden, op de gang staan en één iemand durfde het aan te dreigen met zelfmoord als de straf (niet in weekend gaan), die als onrechtvaardig aangevoeld werd, niet ongedaan gemaakt werd: haar vader zou dat niet dulden. Ze wou na het toiletbezoek ’s avonds niet mee naar binnen. Een hele onderhandeling begon. De lerares pedagogie werd op haar afgestuurd. Een paar keer liep die naar binnen, denkelijk om te onderhandelen met een of andere verantwoordelijke. Uiteindelijk werd de straf ingetrokken en kon ze in het weekend naar huis. Ze kreeg dit gedaan omdat ze wist dat haar vader, heel streng voor zijn tien kinderen, toch achter zijn kinderen stond.
Op het gelijkvloers zoeken we de pianokamertjes op: een reeks kamertjes naast de eetzaal, waar een piano stond en pianoles werd gegeven. De kamertjes zijn er nog maar dienen nu als opbergruimte voor allerlei soorten drank: cola, fruitsap, chocomelk … Dan richting ‘farmacie’. Elke avond kwam een oudere zuster in de studiezaal de leerlingen ophalen die verpleging nodig hadden. Meestal ging het om een aspirientje tegen de buikpijn of wat hoestsiroop. Voor mij was het een welkome ontsnapping. Ik had wel niets nodig, was kerngezond, maar verzon wel een of ander kwaaltje, als ik maar even weg kon uit die volle studiezaal waarin ik me zo vaak verveelde.
Terug naar de feestelijkheden. Ondertussen is er voor de jubilarissen een herinnering uitgedeeld: een mooi aantekenblokje. Ook ik krijg er eentje en dat doet me enorm plezier. Na 50 jaar worden de lijsten niet meer nageplozen met de vraag of ik mijn diploma daar wel gehaald heb.
Er komt ook nog dessert: een heerlijke taart met veel slagroom. Daarnaast allerlei lekkere snuisterijen. Feitelijk veel te veel, maar ik geniet ervan. Morgen zal ik het dan wat soberder aandoen: oudere mensen dienen wat voorzichtiger te leven, maar tot nu toe hoeft het nog niet fanatiek.
Stilaan nemen de eerste feestvierders afscheid. Ook ik moet weldra mijn trein nemen. We schuiven over de open plaatsen heen dichter bij elkaar alsof we de laatste momenten nog extra willen vasthouden. Tot ook ik moet uitzwaaien.