Een dagje uit naar BAM


Anne en Pol hadden vroegen of we meegingen voor naar BAM (beaux-arts Mons) voor de tentoonstelling ‘Le modèle a bougé’. Gezien de positieve ervaring van de tentoonstelling van Rik Wouters in Mechelen, lieten we ons dat geen twee maal vragen.
We zouden met het openbaar vervoer gaan: als 65+-sers reizen we voor €5,20 heen en terug van om het even waar, naar om het even waar. Afspraak in Haacht, vandaar naar Leuven en dan rechtstreeks naar Mons. Omdat ik slecht hoor vraagt het me enorme inspanning om deel te nemen aan een gesprek in de trein. Dus trek ik me terug in een boekje en laat het praten aan de anderen over: ze hebben me niet nodig om een geanimeerd gesprek te voeren.
Mons is een kleine stad. De sfeer is ook zo verschillend van bv. Leuven of Mechelen, die ook maar kleine steden zijn. Waarschijnlijk komt het doordat het niveauverschil erg groot is op korte afstand, terwijl wij ‘het vlakke land’ gewoon zijn. Wat me deed huiveren waren de sigarettenpeuken aan de horecazaken. Bij ons worden er meestal rookvoorzieningen aan de deur getroffen, zodat de peuken niet in lagen opgehoopt liggen. Of kom ik alleen in de meer burgerlijke contreien.
Mons is niet groot. Wegwijzers begeleiden ons naar het infocentrum voor toeristen. We worden er erg vriendelijk ontvangen, net of ze al lang op ons zaten te wachten. Het museum dat we willen bezoeken is niet ver weg, we krijgen een Nederlandstalig boekje mee met de bezienswaardigheden van Mons.
Na wat doorstappen (bergop) komen we aan bij het museum: wat te vroeg, het museum opent pas om 12 uur. Maar we mogen alvast een Nederlandstalige bezoekersgids meenemen en de baliemedewerkster wenst ons ook in het Nederlands een prettige middag. We trekken terug naar het centrum en zoeken iets om iets vlug te eten. Nog een koffietje en ondertussen is het twaalf uur geworden. Terug naar BAM.
Aan de balie herkennen ze ons. Even wat uitleg, betalen (€3 p.p., dank zij 65+) en dan kunnen we aan onze rondgang beginnen. Ik geniet er wel van. Een video boeit me enorm: de kunstenaar zit op een stoel en heeft een stapel boeken voor zich. Die schuift hij één voor één onder de voorste poten van de stoel. Naarmate de boeken onder de stoel zich opstapelen, gaat de stoel schuiner staan. Het lijkt een circusstunt. De video houdt de spanning vast tot het einde: het lukt maar nauwelijks. Een andere video toont een groep mensen (modellen) die langzaam draaien terwijl de camera in tegenovergestelde richting beweegt, zodat de achtergrond in die draaiende beweging mee opgenomen wordt.
De tentoonstelling is op het gelijkvloers opgebouwd. Ergens voel ik spijt dat het zo beperkt is. Maar het inspireert me wel.
Op de andere verdiepingen is de vaste collectie ten toon gesteld. Zoals in alle musea zijn het meestal oudere werken. Goed om eens door te lopen. Ik laat me wel verrassen door enkele doeken. De kelderverdieping is voorbehouden aan foto’s. We kregen een formulier mee waarmee we onze voorkeursfotograaf konden aanduiden. Dat deed ik dan maar we zullen wel niets meer vernemen over het resultaat. Het is een manier om het publiek te betrekken bij de tentoonstelling.
De bovenste verdieping beloofde een vergezicht over de stad. Dus naar boven: maar de glazen deuren zaten op slot en het uitzicht bleek niet zo denderend: een hoge balustrade voor de veiligheid en voor de rest leek het museum ingesloten door andere hoge gebouwen.
Het museum zelf is gerestaureerd (2007), met veel licht in de trappenhal. Hoewel: de trappen ontbreken, je moet een schuine helling op, een soort voortzetting van de oplopende straten waar je vandaan komt.
Als we het museum verlaten worden we nog een goede reis gewenst door het personeel. Dat is dan een voordeel van een klein museum: het kan een persoonlijker toets aanbieden.













