Omwille van anne
Omdat Anne die ‘Les deux pénitants’ uitkapte het Nederlands niet zo goed beheerst, vertaalt Karel mijn gedichten in het Frans. Zo krijgt Anne een weerspiegeling van wat haar beeld in mij allemaal tot taal maakt. Karel vindt het leuk om doen. Hij is nu eenmaal een man die geniet van met taal bezig te zijn. Daarbij komt hij tot de vaststelling dat door die vertaling een gedicht echt doorleefd wordt. Zo is zijn vriend Paul Claes, ook zo’n verwoede taalman, wat lijken die twee soms erg op elkaar, ook aan vertalingen begonnen: om zich te verplichten de aangeboden teksten tot in de finesses te doorgronden.
Zelf vind ik het ontzettend leuk dat Anne me op die manier kan ontmoeten in de diepere gelaagdheid van mijn wezen. Vriendschap is zo’n raar verschijnsel. Ik ben graag bij Anne, ze is zo’n stralende vrouw, geen gedoe van kunstenaarschap. Ze benoemt zichzelf als beeldhouwster, het woord artieste wordt door anderen op haar wereld geplakt. Beeldhouwen doe je met hamer en beitel, na jaren krijg je daar grote zware handen van. Het is hard werken, telkens de faalangst overwinnen van: zal ik het kunnen. Maar als we samen zijn gaat het soms eens over de kunst (vb. als we elkaar onze werken tonen) maar meestal over de kinderen, mekaar aanmoedigen om de tijd die nog rest niet te verdoen aan poetsen en wat voor ons uit filosoferen over het leven en de noten die dit jaar zo overvloedig zijn.
Twee ouder wordende vrouwen die nog intens in het leven staan. We weten dat de tijd nadert dat ik de borstel moet neerleggen en zij haar beitel. Maar voorlopig zijn we nog puberaal tegendraads. We zijn nog niet klaar met het leven. Zoveel is nog te verkennen, zoveel nog onuitgesproken. Laten we elkaars steuntje zijn om verder te gaan, een schouder bieden voor als het moeilijk wordt. Ondertussen is Karel soms een taalbrug en daagt Pol (man van Anne) me uit om die vroege jaren van toen te herinneren. De oorlog heeft wel pijn gedaan.













