Het weerzien na 50 jaar: de heenreis


Een paar minuten voor negen heb ik een rechtstreekse trein vanuit Haacht naar Sint-Niklaas waar de (vroegere) normaalschool van Onze-Lieve-Vrouw Presentatie zich bevindt. Ik neem een boek mee voor de treinreis. Daarom neem ik graag de trein: na het spitsuur heb je meestal ruim plaats en kan je ongehinderd in je lectuur duiken. Geen stress, geen nerveuze weggebruikers, alleen een ‘kaartjesknipper’ die je dan nog erg vriendelijk uit je lezen haalt. En dat allemaal voor maar €5,20 heen en terug.
‘k Probeer nog niet te denken aan straks, want dan krijg ik het wat benauwd. Na 50 jaren elkaar weerzien is toch een avontuur. Zal ik de mensen herkennen … ik kan altijd de vraag stellen wie ze zijn maar of ze het leuk zullen vinden me weer te zien … daar voel ik me niet zo zeker over. Maar ik verdiep me in ‘Het oorlogsdagboek van Dr. G. Italie 1940 – 1945’. Italie is een orthodoxe jood. Eerder wat afstandelijk, wellicht om zijn kwetsbaarheid te beschermen, met voldoende humor om weerbarstig te zijn. Zo is er ook het dagboek van Victor Klempener, een niet-gelovige jood, gehuwd met een Duitse vrouw. In beide dagboeken doen ze verslag van de aan den lijve ervaren Jodenvervolging. Italie is classicus, Klempener romanist, Italie heeft 3 kinderen, Klempener geen. Beide dagboeken zijn aan te bevelen omwille van de inhoudelijke waarde maar ook omwille van het literaire gehalte. Als lezer weet je hoe de geschiedenis geëvolueerd is, maar de schrijvers zaten gevat in hun ‘nu’-beleving. Je probeert hun ervaren, hun interpretatie, hun overleven mee te gaan. Natuurlijk kan je dat niet echt: wellicht is een angstdroom de dichtste benadering. Terwijl je leest weet je dat je veilig bent, dat er eten wacht als je hongerig bent, dat je je warm kan terugtrekken in een zetel.
Voor ik het goed besef dendert de trein het station van Sint-Niklaas binnen. Het station is me vertrouwd: hoeveel jaren ben ik mijn moeder hier komen bezoeken toen ze in een rusthuis zat? Ze is een paar jaren terug gestorven, 91 jaar, tot het laatste moment helder.
Het voelt nogal vochtig: denkelijk verdwijnende mist. Stationsplein over de Stationsstraat in richting markt. Het valt me op hoeveel winkels er leeg staan, dat was vroeger zo niet. Die onverzorgde leegte veroorzaakt gaten in het herkennen van de straat, roept een gevoel van troosteloosheid op. Ik wil er niet aan toegeven, probeer me te concentreren op ‘straks’, maar dat lukt zo slecht omdat ik niet weet wat me te wachten staat. Hoe zal het gebouw er uit zien, veel verandering? Bestaat de poort nog die ons afsloot van de buitenwereld en ons weer uitspuwde, in grijs uniform, om eens, om de zes weken, een weekend naar huis te gaan? Let wel, de meisjesnormaalschool ging naar het station een uur vroeger of later dan de jongensnormaalschool. Mijn broer die twee jaar ouder was, op een paar straten afstand van de Presentatie school liep, zag ik alleen thuis. ‘k Geloof wel dat we ‘samen’ weekend hadden. Dat werd allemaal keurig geregeld door de katholieke overheden. Dat was de normale gang van zaken.
Het is kermis op de markt van Sint-Niklaas, het grootste marktplein van België. Langs de markt, het kruispunt oversteken. Normaal sloeg ik rechtsaf om naar mijn moeder te gaan, nu stap ik rechtdoor. De spanning stijgt. Enkele kleine winkels en koffiebars voorbij en dan … de poort is er niet meer, wel een inrit voor wagens. De voortuin is veranderd maar het hoofdgebouw bleef hetzelfde. De grote deur met nog altijd hetzelfde klinkje. Vroeger moesten we daar naar binnen om dan een paar weken binnen te blijven. Ik wandel er even langs maar vermoed dat er een andere weg zal zijn voor de feestvierders. Ik neem de stoep naast het gebouw, loop zo naast de kapel, ontdek een wegwijzer en volg die maar. Rechts van mij was vroeger de lagere school en het ziet er nu nog een lagere school uit. Prettige kleuren frissen de vensters op, posters vragen aandacht voor voetgangers en fietsers. Wanneer ik de kapel ronddraai herken ik duidelijk het gebouw dat in onze tijd neergezet werd. Bovenaan waren kamers voor de leerlingen van het regentaat. Als ‘externe’ kwam ik eens gedurende een blokperiode tijdens het weekend bij M. op haar kamer geschiedenis studeren. We staken, naïef-weg een sigaret op, zoals we thuis zouden gedaan hebben. De sigaret was nog niet halfweg of met veel lawaai zwaait (zonder kloppen) de deur open: als een aartsengel uit het paradijs stond zuster Chr. in de deur. Ik diende onmiddellijk het gebouw te verlaten. Noch M. noch ik beseften iets te hebben mispeuterd: we studeerden alleen maar hard.
Maar ik wil die herinnering nu niet toelaten. Ik schuif links de deur mee binnen en …













