
Naar jaarlijkse traditie houden we 1 november vrij om samen te zijn en Arne te herdenken.
Eerst is er afspraak bij de jongste dochter. Voor ze naar India vertrok was ze jarig, maar vond toen de tijd niet meer om dit met ons te vieren. Nu heeft ze ons uitgenodigd voor een brunch. Cadeautjes geven, een fles cava ontkurken en foto’s zien via haar pc scherm. Nog heel doordrongen van de herinneringen geeft ze uitleg. Een tweede fles ontkurken, nog meer uitleg … en dan word de fotoreeks onderbroken: we moeten ook eens aan eten denken.
Ze heeft cadeautjes voor ons meegebracht. Uitleg geven, ja, er is nog dessert en opnieuw foto’s kijken. Wanneer de fotoreeks stopt, moeten we voortmaken om het kerkhof niet gesloten te vinden.
De overgang is groot. Het regent ondertussen. We gaan samen met de auto van Carlo, daardoor blijft het gevoel van samenzijn behouden.
Vandaag dragen we ook de nieuw gebeitelde steen naar het graf. De steen is zwaar, staat symbool voor de zwaarte van het afscheid van zoon en broer: niet om dragen. We zetten ook een bloemetje neer, een klein jaarlijks ritueel, we kunnen zo weinig concreets doen.
We blijven een tijdje rond zijn graf staan, als om uit te drukken dat hij nog altijd bij ons hoort, dat we hem dag na dag meedragen als dierbare aanwezigheid in ons leven. In mij voel ik een diepe woede aanwezig: waarom kon hij er vandaag niet bijzijn, hij zou er zo van genoten hebben, waarom moest het leven hem zo toetakelen?
Ik lees het gedicht voor dat ik schreef. Woord na woord lukt het. Wellicht is nooit iemand zo aanwezig dan bij definitieve afwezigheid. Het is alsof we Arne komen zeggen dat het nu goed is, dat hij er nog bij hoort op zijn wijze, dat we zijn wens in zijn afscheidsbrief gerealiseerd hebben: dat we het leven verder zijn gegaan. We zeggen het door te zwijgen: denkend aan hem vallen we uit de woorden naar bruut gemis.
Stil verlaten we het kerkhof. Het is net of we de weg naar het normale leven moeten terugvinden. Maar een eerste woord stelt zich aftastend op en dan volgt een zin … en voor we in de wagen stappen hebben we weer wat innerlijke rust gevonden en kunnen we ons richten op de planning voor de rest van de dag.
Ook naar jaarlijkse gewoonte gaan we bowlen. Het harde geluid van de ballen tegen de kegels dwingt me om mijn wereld rond Arne te verlaten en me te concentreren op de buitenwereld, de anderen. Bowlen is een leuk familiespel. We drinken iets, proberen de kegels omver te krijgen en leveren commentaar op de prestaties. Het is of we door bijna kinderlijk op te gaan in het spel weer herademen.
Daarna gaan we richting ‘wok-chinees’. Aike heeft gereserveerd, zo zijn we zeker van een plaats. Het is een soort zelfbediening, en als er iets moet gebakken of gewokt worden schuiven we aan bij de keuken. We eten lekker, het gesprek deint op en neer en voor we het beseffen is het tijd om naar huis te gaan: iedereen moet morgen werken, behalve natuurlijk de oudjes, maar die zijn waarschijnlijk het meeste moe.
Zo verstrijken de jaren zonder Arne. Op zo’n dagen besef je pas hoe diep zijn aanwezigheid in onze belevingswereld getekend is. Ondanks de pijn, wil ik dit gemis blijven voelen, alsof hij daardoor blijft verder leven. Ik wil hem meedragen elke dag dat het me nog vergund is mijn rouwen om hem te gaan alsof ik daardoor bevestig dat zijn jaren bij ons gezegende jaren waren.