Het weerzien na 50 jaar: het aperitiefconcert


We worden uitgenodigd om plaats te nemen voor het aperitiefconcert. Ik schuif een rij in en probeer een plaats uit aan de zijkant, zo ongeveer ter hoogte waar ik als leerling ooit zat. Wij zitten met zijn vijven op de bank, ruim plaats innemend. Voor ons zitten ze met zes, ook comfortabel. Ik heb de indruk dat we er vroeger met tien op neerknielden, zal wel minder geweest zijn, maar het voelde toen zo samengeperst aan.
De voorzitster van het oud-leerlingen comité spreekt een inleidend woord, maar de geluidsinstallatie galmt na in de ruimte zodat ik, met mijn slecht gehoor, alleen wat flarden opvang. Dat geeft me ruimte om opnieuw mijn blik over de muren te laten gaan die me ooit zo tot treurens toe vertrouwd waren. De glasramen zijn gebleven wat ze waren, de plafondbeschildering ook. Ik weet niet of er een afbeelding van een kruisweg was, nu zie ik op de muren tussen de grote gebrandschilderde ramen eenvoudige kruisjes, wellicht was het vroeger ook zo.
Een orgeliste speelt iets van Haendel dacht ik vernomen te hebben. Dan volgt een Ave Maria. Ik voel me intriest worden. Hoe vaak zou datzelfde lied over onze hoofden heen gezongen zijn, met een maagdelijke zuivere stem. Nooit omgekeken naar wie het zong: omkijken was uit den boze … en na 50 jaren zitten we weer voor ons uit te kijken. Om het trieste gevoel te lijf te gaan spreek ik mijn opstandigheid aan en kijk naar het oksaal. Een jonge vrouw zingt.
Ik bedenk dat dit aperitiefconcert de misviering van vroeger vervangt: het geeft een ernstig toets aan deze samenkomst. Na het applaus is een jonge man aan de beurt die een instrument bespeelt waarvan ik het bestaan niet vermoedde: een marimba. Prachtig van klank. Het staat vooraan opgesteld, zo krijgt het oog ook wat aangeboden. Tussendoor nog wat praten door die galmende geluidsinstallatie en op het oksaal herneemt zich de zang. Het aangekondigde Allegria vult de ruimte, daarna nog een lied. Maar mijn gedachten zijn ver weg. Hier zaten we, dag na dag. Nog slaperig van de voorbije nacht, met een ‘missaal’ vol bidprentjes, waarop we mooie zinnen schreven en die uitdeelden aan vriendinnen bij gebrek aan vriendjes waarschijnlijk. Het moest allemaal heimelijk gebeuren, dat maakte het enerzijds spannend, anderzijds was het een uitdrukking van onze eenzaamheid: gevoelsmatig waren het magere jaren. Gelukkig hadden we elkaar. Daarom wellicht dat die relaties zo belangrijk waren en nu nog draagkracht bezitten.
Ondanks we ruim plaats hebben voel ik me opgesloten, benauwd. De schaduw van vroeger heeft me in zijn greep. Het is geen goed gevoel. Ik was geen stout kind, ik was een intriest kind. Ik voelde me niet opgenomen in dat vroom zijn van die dagen. Nog blijft in mij opstandigheid smeulen om de uren die we in die kapel verloren hebben. Er was niet alleen de mis, maar ook het lof, en al die vele sacramentele en devote gebruiken. Het klopte niet met mijn diepe vraag-zijn. Alleen kon ik het toen nog niet onder woorden brengen omdat er geen bewustzijn voor aangeboden werd. Wij meisjes werden opgevoed tot kuise, nette, volgzame onderwijzeressen: we dienden aan de voeten van Jezus te liggen. Maar ik was groot gebracht tussen vier broers en vond mezelf evenwaardig aan hen. Ik kon knikkeren en kende de regels van het voetbalspel en als het nodig was kon ik ook wel mezelf verdedigen en klappen uitdelen en schoppen. Ik was groot en sterk. Die kwaliteiten mochten wel aan bod komen om te helpen in het gezin, maar eens tussen de muren van een kostschool kwam ik in een andere cultuur terecht. Van een buitenkind dat meer vertrouwd was met grond en dieren werd ik overgeplaatst naar een speelplaats tussen bakstenen gebouwen. Ik leerde in de rij lopen, de etiquette van eten en drinken. Zag men niet dat ik ziek was van onaangepastheid? Inderdaad zag men niets, men keek door de naoorlogse bril van die tijd en de opvoedsters zaten wellicht ook opgesloten tussen de muren van hun onmacht en blindheid van bewustzijn.
Ik probeer mijn aandacht bij ‘nu’ te houden. Na de liederen volgt nog een orgelstuk. Applaus. Nog wat uitleg voor de microfoon. Maria naast me probeert af en toe wat uit te leggen. De nonnen die het woord nemen komen keurig te voorschijn. Het is wel grijs-wit van kleurschakering, maar ik herinner me hen nog met grote zwart-witte kappen en nadien met een iets soberder hoofddoek. Hopelijk is de innerlijke structuur ook wat geëvolueerd, hoewel ik daar soms aan twijfel. Teveel verhalen hebben mij bereikt van vrouwen binnen het klooster of die die muren verlaten hadden. Macht was toch vaak de basis van de ‘liefdevolle’ relaties. Nu ja, ook de gewone relaties zijn daaraan onderhevig, ik maak me geen illusies.
Gestommel, we staan op om op de uitnodiging van de organisatieverantwoordelijke in te gaan. Als jubilarissen (50 jaar gediplomeerd) worden we in ‘de eerste refter’ verwacht. Vroeger was dit de eetzaal van de internen van de humaniora. De ‘refter’ ernaast was voorbehouden aan de normaalschool. We lopen door de gangen. Er is weinig veranderd. De opbergkastjes zijn nieuw en de toiletten. De speelplaats, waar vroeger de humaniora leerlingen hun vrije uren doorbrachten, is ingericht met banken, wat planten. Ik kan me niet voorstellen dat daar een grote groep leerlingen hun soelaas vonden, de ruimte lijkt me zo klein, zo ingesloten.
Maar nu deert het ons niet. We zijn op weg naar een glas wijn en een lekker koud buffet. Ik geef me over aan het feestelijk gevoel van samenzijn.












