Marché de Puces
090213 Marché de Puches
De afspraak was om half negen aan de ontbijttafel. Dat lukt. Een uitgebreid ontbijtbuffet verwelkomt ons. We hebben geen haast. We stellen vast dat het regent … en een binnenpretje ontwikkelt zich: gelukkig dat we gisteren de moed opbrachten om aan te schuiven voor Hopper … want vandaag zou het zeker geen pretje zijn.
Alsof we het gesprek van gisteren niet onderbroken hebben komen de verhalen weer te voorschijn. We vragen nog maar eens de koffie bij te vullen. Zou het zo intens kunnen verlopen mochten onze mannen mee gekomen zijn? Een groep vrouwen is zo anders van interactie als ze het goed vinden bij elkaar dan een groep van beider sekse. Toen ik nog werkte binnen de huisvesting van de KUleuven was het de gewoonte van de kamers in de gangen te ‘mengen’: zowel jongens als meisjes woonden samen in één gang. Toch waren er groepen die kozen voor ‘alleen’ meisjes: dat gaf een aparte sfeer … en ze konden altijd op bezoek bij de gemengde gangen. Ik pleit noch voor het ene, noch voor het andere. Alleen stel ik vast dat het ontzettend leuk kan zijn om samen met andere vrouwen een tijdelijke groep te vormen.
Om tien uur besluiten we de laatste koffie op te drinken en de bagage te gaan halen. Wanneer we op de zesde verdieping toekomen is een zwarte vrouw de bedieningskar aan het volladen met handdoeken, lakens … Ondertussen zingt ze een lied tussen haar tanden door.
Het is echt opmerkelijk hoe al de ‘nederige’ en waarschijnlijk slechtbetaalde jobs door gekleurde mensen worden verricht. Het ontbijt werd verzorgd door Afrikaanse meisjes, de balies en het toezicht in de musea meestel bezet door gekleurde mannen en vrouwen, meestal van Afrikaanse oorsprong. Ze worden in een uniform gestopt, zodat hun individualiteit tot het minimum beperkt blijft.
Eerst willen we naar de vlooienmarkt gaan, die is op zondag open. We geven onze bagage in bewaring het hotel. Het regent. Ik moet ontdekken dat mijn jas niet waterdicht is en mijn mouwen zich langzaam volzuigen met water dat koud aanvoelt. Terwijl we op weg zijn richting markt, horen we een vrouw misbaar maken: de ruit van haar wagen is stukgeslagen. Een verschijnsel dat in alle grote steden voorkomt.
Stilaan zien we voetgangers verschijnen met plastieken zakken … met daarin allerlei soorten groenten. Zouden er ook groenten verkocht worden op die vlooienmarkt? We stappen dapper verder tot we geroep horen dat luider wordt naarmate we verder stappen. Dan ontdekken we de oorzaak: een groentemarkt, met denkelijk allemaal mannen en vrouwen van Algerijnse oorsprong, roepend tegen elkaar op. Zelf de prijs wordt roepend meegedeeld. Het geheel lijkt op een massa-opera. Het is een druk bezochte markt … maar van de rommelmarkt geen spoor te bespeuren. Denkelijk zijn we de verkeerde kant opgegaan. Nu hebben we maar één wens: zo vlug mogelijk terug naar het hotel waar we onze bagage kunnen ophalen en dan naar een museum, dan zijn we ten minste uit de regen.
In het hotel lijkt het op Famlty Towers, maar dan zonder de bedoeling humor te creëren. De chef, uiteraard een blanke, groot, pak en das, regelt aan de balie allerlei papieren toestanden. Hij heeft geen tijd om ons te begroeten en heeft zijn klantvriendelijkheid gedelegeerd naar zijn helper, een heruitgave van Manuel: even schriel en klein. Alleen is deze Manuel blank, en draagt ook pak en das. Maar hij sleurt op dezelfde manier met de bagage, kruipt als het ware voor zijn chef, is heel vriendelijk en werkelijk behulpzaam.
Wanneer we met de rugzakken weer op straat staan, is het opgehouden met regenen. We zeggen voor de zoveelste keer tegen elkaar dat we gelukkig gisteren aangeschoven hebben voor Hopper.
We kiezen voor het Musée d’Orsay. We duiken weer de metro in. Ik probeer de daklozen niet te zien … wat doen ze toch de ganse dag? We nemen de trein die komt aanstormen op weg naar onze bestemming.




