
Om 11 uur spreken we af aan de ingang van Bozar te Brussel. We: een groep medestudenten uit de normaalschooltijd die een paar keer per jaar samen komen om iets te zien, samen te eten en zoals Iris het ooit uitdrukte: de laatste zachte roddels te vertellen.
Wanneer ik thuis met de wagen naar het station rij valt er af en toe een vlokje sneeuw. De banen liggen er prima bij, de temperatuur deze morgen was min twee, dus als het wat meezit, zullen er geen onoverkomelijke problemen opduiken. Voor alle zekerheid span ik toch een doek op de voorruit, zodat ik bij terugkomst die niet ijsvrij moet maken maar onmiddellijk kan vertrekken.
Eerst neem ik een trein vanuit Haacht naar Leuven en daar kan ik, na een tiental minuten wachten, de trein richting Brussel nemen. Ik moet gewoon de andere kant van het perron nemen … kan er nog iets eenvoudiger verlopen.
Wanneer ik uitstap merk ik dat de trein die ik moet hebben twintig minuten vertraging heeft. Geen paniek, er zijn nog treinen vanuit Leuven die Brussel aandoen. Ik was afgesproken met Iris dat ik haar zou opwachten in Brussel daar mijn trein iets vroeger zou toekomen. Nu bel ik haar (leve de GSM!) dat ik iets later zal toekomen en of zij op mij wil wachten.
Brussel-Centraal is het station waar ik moet uitstappen. De trein is goed gevuld, maar iedereen heeft nog een zitplaats. Toch ben ik blij dat de reis voorbij is. Ik zit graag op de trein, met een boek voor mijn neus, genieten van ‘gereden’ te worden. Maar nu is de drukte toch wat teveel en ik kan me moeilijk concentreren.
We zijn afgesproken bij de loketten, maar blijkbaar ben ik de eerste die aankom. Ik kijk wat rond om te zien of ik de anderen van de groep niet ontdek. Het tocht er nogal met al die gangen die op dit centrale punt uitkomen. Aan de reling van de trappen ontdek ik een man achter een blikje bier in gesprek met een andere man. De eerste man is waarschijnlijk een dakloze: zijn veel te grote jas hangt verfomfaaid om zijn lijf en zijn broek is voor langere benen bestemd. Af en toe recht hij zijn rug, dan lijkt het of zijn lijf doortrokken wordt van een soort spasme. Zou hij geen kou lijden in dit barre winterweer? De man waarmee hij spreekt, lijkt me netjes gekleed, hemd en das, overjas. Voor hem staat een soort aktetas met papieren. Waarschijnlijk een soort van straathoekwerker die even zijn tijd deelt met zijn compagnon. Rustig staan ze naast elkaar, af en toe iets zeggend. Een onopvallend stukje leven in de grootstad.
En dan zie ik Iris en de anderen toekomen. Ineens is de ruimte gevuld met warmte: blij elkaar weer te zien. Terwijl we elkaar begroeten komen er nog anderen toe. De groep is bijna compleet. Nu de uitgang zoeken naar Bozar. We duiken een gang in. Aan de zijkant zit een nog vrij jonge man met een blikje bier voor zich een krant te lezen. Hij heeft een hond bij zich: die ligt heel rustig op een matje, terwijl de man zelf gewoon op de grond zit. Een bakje met hondenbrokken en een met water, het dier wordt goed verzorgd. Een muts met wat koperen munten voor de man uitgeschoven vervolledigt het geheel.
Voorbij de man met de hond is er een kruising van gangen. Links zie ik een tiental meter verder een hoop dekens … of ligt er nog iemand onder te slapen? We moeten rechtdoor de Ravenstein galerij in. Veel leven is er niet. Tegen een plastieken tafel aan zie ik onbeheerde bagage staan: twee plastieken reistassen, waarvan één gemonteerd op wieltjes, volgepropt met wat? Typisch bagage van een dakloze … dat laten ze wel staan.
Wanneer we de galerij verlaten moeten we alleen nog de weg oversteken en zijn we bij de ingang van Bozar. Even wachten tot het licht groen wordt voor de voetgangers en terwijl we aanzetten om over te steken, raast er nog een vrachtwagen door het rood. Wel even schrikken, wat een waanzin.
Wanneer we Bozar binnen stappen is het even naar lucht happen: de inkomhal staat vol met aanschuivende mensen. Wellicht willen er nog velen van de laatste dagen profiteren om de retrospectieve te zien van Permeke. Met het nodige geduld, maar ondertussen kunnen we bijpraten, geraken we toch aan ons ticket. Nu nog die winterjassen kwijt en dan kunnen we aan de tentoonstelling beginnen.