GESCHIEDENIS VAN DE DE ST. ELIGIUS KERK


St-Eloois-Vijve heeft een zeer oude geschiedenis, vermits de burcht van Vijve eind 10e eeuw een steunpunt was van graaf Boudewijn IV in zijn strijd tegen het opstandige Kortrijk. In elk geval werd de nederzetting Reed in 1119 als villa omschreven; << uilla dictur Sancti Eligii >>, aldus een kopie van het tweede kwart van de 12e eeuw.
Van de 13e eeuw af schijnt de heerlijkheid van Vijve verenigd te zijn met die van Ingelmunster; Lambrecht (1042 - 1088) en Walter (1088-1122, 1127?) waren burggraven van Kortrijk als leden van het oude adellijke huis van Vijve.
Reeds voor 1171 was Vijve reeds een parochie, wat het bestaan van een dorpskerk aantoont; in 1171 schonk bisschop Walter het altaar van St-Eloois-Vijve aan het O.L.Vrouwkapittel van Doornik << altare quod dicitur Sancti Eligii >>. De schenking werd in 1190 bevestigd door paus Clemens III.
Samenvattend bestond er een kerk tijdens de tweede helft van de XIIe eeuw; Ze was toegewijd aan St-Elooi en had het statuut van dorpskerk. Meer is over deze eerste (?) kerk niet geweten, daar zowel de nog bestaande resten als de in 1983 opgegraven gedeelten tot een zaalkerk behoren, daterend van het eerste kwart van de 13e eeuw. Over vorm, opbouw en materiaal tasten we volkomen in het duister.
Een opgraving in 1983 leverde meer gegevens op over de tweede kerk, waarvan nog resten bewaard gebleven zijn: het gaat om een vroeg-gotische zaalkerk, opgetrokken van grijsgroene veldsteen en Doornikse steen, en bestaande uit een rechthoekige benedenkerk voor de gelovigen, met een smaller koor in het oosten. Enkel de vorm van de koorsluiting van deze kerk is onbekend.
Voor 1500 is over de zaalkerk weinig uit archieven bekend; we weten enkel dat de pastoor van Fivia S. Eligii in 1354-1360 12 sol en 8 deniers bijdroeg in de omhalingen ten voordele van de heilige stoel in Rome.
Omstreeks 1500, misschien nog in het begin van de 16e eeuw, doch zeker voor 1533 vergrootte men de kerk door de bouw van een toren met aansluitend veelzijdig koor en een tweede beuk aan de linkerzijde. De kerk werd in 1533 door brand geteisterd, zodat de baron van Ingelmunster 24 pond par. schonk als bijdrage in de hestellingswerken.
De kerkrekening van 1537-1538 toont aan dat kerk na deze ramp hersteld werd in de reeds bestaande vorm, en de rekening noemt het St-Elooiskoor (dit is het hoogkoor) , de toren en het O.L.Vrouwkoor (dit is de linkerbeuk).
Dezelfde rekening bevat talrijke uitgaven i.v.b. de te herstellen gedeelten, en ze hebben hoofzakelijk betrekking op de daken van de twee koren.
Nadat het St-Elooikoor van zijn schaliedak ontdaan was, werd het opgemete door de zoon van Jooes Broes, en een schaliedekker en zijn venoot werden belast met het herdekken. Dit kon slechts gebeuren nadat Lieven vande Walle, zijn zoon Vincent en Wouter vanden Biest het koor << getemmerd >> hadden, d.w.z. voorzien van een nieuwe dakstoel. De balken waarop deze konstructie rustte werden voorzien van zes gebeeldhouwde hoofden of korbelen: << van 6 hofden te snyden die indien coer over ghevrocht syn >> en >> 9 pinten olye om de hoefden ende ogiven mede te smoute >>.
Dat er wel degelijk twee koren waren, elk onder één dak, bewijst het feit dat Wouter vanden Biest de << ghote >> verlegde, die voor de gemeenschappelijke afwatering van de twee dakhelften zorgde. Symoen de loodghietere goot een nieuwe goot en leverde daartoe het benodigde materiaal en Wouter de Ven dekte ze toe met stro en wissen.
Beide koren werden van neiuwe nokpannen voorzien, voor het St-Eloois of het hoogkoor kocht men 52 voet << vurst steene >> die per schip aangevoerd werden en de Arent de Hancloese plaatste de pannen op het O.L.Vrouwkoor.
Het metsen van een gevel kostte Rogier de Schietere en zijn zoon 13 dagen werk, en ze werden daarbij geholpen door Joos vande Walle; twee dagen lang werden stenen gereinigd en een muur gesloopt. Daar we de mening toegedaan zijn dat bij de brand van 1533 vooral de daken getroffen werden, lijkt het ons logisch dat het afbreken en heropbouwen van muur en gevel betrekking hebben op een beschadigde topgevel.
De herstellingswerken sleepten aan en overtroffen de daartoe beschikbare geldmiddelen, zodat het gebouw er vanbinnen bedenkelijk uitzag. Om die reden ging men bij de deken ten rade, met het verzoek nog drie jaar mis te mogen lezen in de nog niet gewijde kerk.
Of de kerk volledig heringericht werd, blijft een open vraag, gezien de rampzalige toestand van onze gewesten tijden de tweede helft van de 16e eeuw.
Tot 1577 bleef het betrekkelijk rustig te St-Eloois-Vijve, doch daar kwam verandering in toen opstandelingen de kerk binnendrongen en er gewaden roofden; een kleermaker in Wakken leverde fijn lijnwaad om << habyten te maecken duer dat die vande rebeele gherooft waeren >>, en voor de pastoor, die bijzonder op zijn goede was, bouwden Pieter van Westackere en Rogier de Ceininck een << slaapsecreet >>.
Deze maatregel bleek niet ongegrond, daar de kerk in 1580 door Gentse rebellen overvallen en erg beschadigd werd, << volledig verwoest >>, schreef de deken in zijn visitatieverslag van 1609, hoewel dit laatste overdreven lijkt.
Ogetwijfeld waren de daken geheel ingestort, de vensters stukgeslagen, het interieur versplinterd, doch het opgaand metselwerk bleef ongetwijfeld overeind. Wellicht kan men spreken van een dakloze ruine, en de ergste vijand was niet zozeer de ronddwalende rebel, doch veeleer degene die puin gebruikte en wegsleepte waar zich de gelegenheid voordeed. Dit gebeurde in Vijve, want uit een proces van 1603 blijkt dat Pieter Martens puin uit de kerk, nl zerken, stenen, ijzer en balken geroofd had en per schip weggevoerd om ze elders te verkopen. Zijn erfgenamen werden veroordeeld tot het betalen van 800 gulden boete.
Zo goed als kwaad het maar kon trachtte men in de erg toegetakelde kerk de diensten gaande te houden en lapte men met geringe middelen op wat maar mogelijk was.De kerkrekeningen van 1594-95 en 1596-1597 bewijzen dat de kerk opnieuw in gebruik was, want men veegde het gebouw, werkte aan de zolder en kocht eikenhout voor het maken van kepers op de beuk van de benedenkerk; de bovenbouw van de beuk werd dus blijkbaar vernieuwd.
Ondanks de bouw van een fort in het dorp bleef de toestand onrustig, zodat er geen << ghulde >> gehouden werd << ome de passaige vanden orlogsvolck >>; het geleden verlies werd goedgemaakt door de verkoop van giften, geschonken door vrome pelgrims.
Alle middelen werden aangesproken om gelden bijeen te halen voor de meest dringende herstellingen; men slaagde erin een octrooi te verkrijgen, waarbij toegestaan werd een taks te heffen op het tappen van bier en het schenken van wijn gedurende de periode 1600-1603. Met de opbrengst ervan betaalde men de schaliedekkers Jan Tratsaert en Allaert Rosman, die in 1597 de daken van de zijbeuk vernieuwden; verder bekostigde men het hangen van twee kerkdeuren. Op 21 oktober 1601 kreeg glazenmaker Rogier de Caluwe opdracht tot het plaatsen van vier vensters in het hoofdkoor en het leveren van 10 << witte >> vensters; het volgende jaar liet men een groot venster boven de ingangsdeur dichten.
Volgens de kerkrekening 1612-1615 kregen enkele inwoners omwille van overtredingen boetes ten voordele van de kerk opgelegd; bovendien stemden baljuw en schepenen er mee in dat << de schueten ende visscherie van de steenbrugge >> 9 jaar lang ten goede van de kerk zou komen, en van de grote tiendheffer in Doornik kreeg men de opbrengst van twee jaar tiendpacht.
Toch sleepten de werkzaamheden aan; in 1596-1597 pleegde Jan vande Scaghen overleg met de loodgieter en de schaliedekkers, en voor levering van materialen in 1603 sloot de kerk een rente af van 4 pond grote vlaams, uitgezet tegen de penning 16 bij Joes Coudsere in Kortrijk. In 1609 was de middenbeuk volledig hersteld, hoewel er nog geen vloer was; wel was men erin geslaagd een grote klok tijdens de onlusten verborgen te houden, en die hing nu terug in de toren.
Op 15 juni 1613 werden twee altaren gewijd, zodat de kerk theoretisch weer voor de diensten geschikt bevonden was; het betrof het hoogaltaar, toegewijd aan St-Elooi, en het O.L.Vrouwaltaar, opgesteld in de zijbeuk. In werkelijkheid bleek de toestand verre van schitterend daar sommige vensters nog met stro gedicht waren en er lag niet eens een vloer. De omheining van het kerkhof was ingestort en de sakristie was bijzonder armtierig. Een doopvont bleek weggeborgen in een kast, sommige gewaden waren tot de draad versleten en andere ontbraken; er was slecht één niet verzilverde kelk.
In 1615 was de toestand in zoverre verbeterd, dat er reeds vensters geplaatst waren; op 13 juni 1617 stelde men in het armtierige kerkinterieur vast dat het koor reeds gevloerd was.
Twintig jaar waren voorbijgegaan, en men was er niet eens in geslaagd voor een behoorlijke kerk te zorgen; gebrek aan middelen, onverschilligheid of beide?
De 17e eeuw bracht geen verbetering in de weinig rooskleurige situatie. In 1636-37 trachte men geld te slaan uit de verkoop van allerlei bouwmaterialen, zoals abeelbomen, een oude trapdeur, hout van het portaaldak en de ingang van het kerkhof.
Wellicht werd de kerk in 1645-1646 geplunderd, want ze werd door de Fransen gebruikt als hooi- en stroschuur voor paarden. Door de opgelopen schade aan de gewassen, kregen de huurders van kerkgronden een vermindering toegestaan.
In 1655-1656 werd huurvermindering toegestaan aan de pachter van een tiend, die geld moest betalen aan Franse soldaten en bovendien zijn veldvruchten zag vernielen; om deze reden liepen de inkomsten uit de verpachting van kerkgoederen fel terug in 167-1668. In 1678 kreeg het dorp bezoek van de Fransen die 40 huizen plunderden.
In 1685 kwamen de verantwoordelijke tiendheffers op bezoek om het kerkgebouw te inspekteren; bij die gelegenheid werd beslist het vervallen koor te herstellen tijdens de komende winter.
Op 10 augustus 1687 kwamen twee deskundigen, nl timmerman Jan Bouckaert en Pieter van Heye, deken van het schaliedekkersambacht van Kortrijk, het dak inspekteren. Daar stelden zei een schade van minstens 50 pond grote vast en ze bestatigden dat de loden goot tussen het hoogkoor en het O.L.Vrouwkoor (d.i. de noordbeuk) over een lengte van 50 voet weggerot was; van de goot tussen middenbeuk en noordbeuk bleef dus niet veel meer over. Bovendien diende het hout van het beukdak vernieuwd te worden. Alleen reeds voor schalies en nagels was 8 pond grote nodig, en voor de aankoop van nieuw lood diende 3 pond grote voorzien te worden.
Of deze herstellingen uitgevoerd werden, betwijfelen we, daar de toestand sterk verslechterde; van 1688- tot 1697 woedde de 9-jarige oorlog die zoveel ellende over onze streken bracht. Daarom vluchtte Frans van Daele het << kercke goedt >> naar Kortrijk, en reeds op 27-18 augustus 1689 kampeerden de geallieerden in het dorp, waar in mei 1690 troepenbewegingen gesignaleerd werden. Van september tot 8 oktober 1691 strekte zich een legerkamp uit tot aan de kerk, en voor de uitbouw ervan werden 1000 arbeiders ingezet. Van 5 tot 17 augustus 1693 kwamen de geallieerden er opnieuw kamperen, met talrijke extra uitgaven als gevolg voor de inwoners.
Ook de kerk kreeg ongewenst bezoek, toen de Fransen in 1694 Vijve binnenvielen en er de kerk openbraken, waar grondig geplunderd werd. Om verdere onheil te voorkomen, bracht men de ciborie in 1695 in Gent in veiligheid. Nog jaren lang bleef men worstelen met de financiële gevolgen van de oorlog, want in 1698 bleek de kerkrekening zes jaar ten achter, en van de opbrengst van de verkoop van kerkhofbomen, verkocht zonder toestemming van de bisschop, was geen spoor te bekennen.
Een hevig onweer richtte in 1703 schade aan het dak, dat op verschillende plaatsen ontbloot was, zodat de mensen de mis niet meer in het droge konden bijwonen; daar de tiendheffers niet tot herstel bereid waren, eiste de wet van Vijve de inbeslagname van hun tiend.
Nieuwe moeilijkheden tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1713); in 1710 ontplofte een met buskruit geladen schip op de Leie, waardoor de daken en de vensters lelijk toegetakeld werden. jaren na de oorlog, in 1723, werden vragen gesteld i.v.m. het onwettig omhakken van de kerkhofbomen, waarvan verondersteld werd dat ze tijdens de oorlog gebruikt waren voor de aanleg van een brug.
Tijden het heen-en weer trekken van de legers i.v.m. het beleg van Kortrijk, werden het St-Eloois- en het Leucketiend (in desselgem) in 1743 grondig door soldaten << gefourageerd >>, zodat hun opbrengst verloren ging.
In 1752 voerde men werken uit aan de kerk; meester-metser Gillis Berteyn brak de kerkkelder af en vulde hem op. Hij legde een nieuwe vloer tot in het portaal, waar enkele banken afgebroken werden, en voor de deur bouwde hij een toegangsweg van kasseien. Waar nodig herstelde hij de kerkmuur en hij werkte ook aan zuilen en O.L.Vrouwaltaar.
Op 11 juli 1977 bezocht de bisschop van gent de kerk, waar hij vier altaren aantrof, nl. twee draagbare en twee die hij op die dag wijdde; het hoog- of St-Elooisaltaar en het O.L.Vrouwaltaar in de zijbeuk.
Tijdens de Franse bezetting aan het eind van de 18e eeuw werden de klokken door de Fransen geroofd en vervangen door een klokje uit Bissegem; op 27 oktober 1798 bestormden vier kompagnies << brigands >> de gemeente, bezetten de kerk en de kerktoren, en plunderden de plaatselijke rijkswacht.
De kerk vergroot in 1899-1900, werd tidens de leieslag van mei 1940 erg getroffen; 8 bommen vielen op de toren, waarvan de spits beschadigd werd. Het platform boven het klokkenstoel was vernield en het torenhuis doorschoten. Een der beuken was beshadigd en het hout en zink boven de middenbeuk vernield. Op de daken vielen niet minder dan 12 granaten en de toegangs deur en de vensterboog waren erg toegetakeld. Onder leiding van de Kortrijkse architekt K. Algoed werd een grondige restauratie uitgewerkt en op 7 april 1959 aanbesteed.
Bron: "De Zuidwestvlaamse Parochiekerken"
deel 2
door
PH. DESPRIET




















