De oude Leie in St-Eloois-Vijve


DE Leye
De leye ligt zo stille,alsof
van staal ze zou bedegen,
van louter staal en stijfheid zijn,
zoo blauw en, allerwegen,
zoo glad is en zo effen en
zoo bloot zij nu. De winden
en roeren niet of, roeren ze,
geen speur en is te vinden,
geen asemtje op de leye ervan,
die staal is onberoerd,
en alletwee mijne ogen tot
aan Harelbeke voert.
de leye kapt mij 't kezzelspeur
niet af nu, en heur plasschen
en komt tot voor mijn voeten niet
den trakelwegen wasschen;
ze' n slaat geen' witte kladden op
en neére, alzoo de rossen
die, schuimende, in de stringen van
de wagens hossebossen;
maar stille ligt en lusteloos
ze omleege...stille staat
er Anneken, het maantje in, dat
zijn' schapen gadeslaat.
Noch nacht en is noch dag geheel
en gansch het: tusschen beiden
kan hofgebouw en boomgewas
ik zien en onderscheiden,
die omgekeert in 't water staan;
zoo schuren doen en schelven
en schepen uit de Zuiderzee,
vol vlas, - en 's lochts gewelven,
die zeggen: 'komt en kijk, o mensh,
naar ons: met al u macht,
ge'n kunt niet dat de leye kan,
bij 't vallen van de nacht
Guido Gezelle




















