HERFSTGROET


September zei: een tijd
van komen en van gaan,
maar op 't plankier, bleef hij
nog even weifelend staan,
zijn oog op niets gericht,
een glimlach op zijn mond,
en 't werd, alwaar hij keek,
valavond bij de grond.
De zomer was verbrand
en hij ging stapaan voort,
't was altijd zo geweest
en 't bleef zo, ongestoord,
september uitgeleid,
steek maar het lamplicht aan,
oktober blijft toch liefst
van al nog, buiten gaan.
Daar speeld hij met de wind
of schildert, geel en rood,
wat loofblad is, en wacht
de roepstem van zijn dood.
Al wat nog niet gebloeid,
zich nooit gegeven heeft,
pronkt nu, veelkleurig, hier
en daar, zolang 't nog leeft.
't Zijn asters nu, hoe schoon
daar, in het schemeruur,
oktober lief, een laat-
ste maal, hoe kort van duur,
al wat wij waren, 't was
voor u, in ons gespaard,
kijk nog een keer, dié blik
is ons, het sterven waard.
André Demedts




















