St-Eloois-Vijve

St-Eloois-Vijve
In de Os
Dit oude vervallen café langs de steenweg Gent-Kortrijk
De Leie in St-Eloois-Vijve
Dit klein straatje dat uitkomt aan de leie noemde men "Tol", omdat in vervlogen tijden de schippers daar tol moesten betalen.
De Leie in St-Eloois-Vijve
Het oud sas in St-Eloois-Vijve

De leye wemelt, rond en blond
heur, waterkronkelen henen;
tot dat schier huis en erve en al
omblankt is en verdwenen.
't is vloed, 't is vloed, 't is nogmaals vloed:
geen sluize, of is ontloken,
en nog is 't water over al
en deur al heengebroken...
Houdt aan daar! Helpt! Mijn boot van wal!
Houdt af! Ik hoore wenen:
daar, broodloos, zit een weduwken,
met drie 'f vier arme kleenen,
in 't water! Haast u! Helpt! Haalt in,
zoo een zoo al: die touwe...
Legt vast! - Hier ben 'k, met alle vier
de kinderen en de vrouwe
Guido Gezelle
De oude Leie in St-Eloois-Vijve

DE Leye
De leye ligt zo stille,alsof
van staal ze zou bedegen,
van louter staal en stijfheid zijn,
zoo blauw en, allerwegen,
zoo glad is en zo effen en
zoo bloot zij nu. De winden
en roeren niet of, roeren ze,
geen speur en is te vinden,
geen asemtje op de leye ervan,
die staal is onberoerd,
en alletwee mijne ogen tot
aan Harelbeke voert.
de leye kapt mij 't kezzelspeur
niet af nu, en heur plasschen
en komt tot voor mijn voeten niet
den trakelwegen wasschen;
ze' n slaat geen' witte kladden op
en neére, alzoo de rossen
die, schuimende, in de stringen van
de wagens hossebossen;
maar stille ligt en lusteloos
ze omleege...stille staat
er Anneken, het maantje in, dat
zijn' schapen gadeslaat.
Noch nacht en is noch dag geheel
en gansch het: tusschen beiden
kan hofgebouw en boomgewas
ik zien en onderscheiden,
die omgekeert in 't water staan;
zoo schuren doen en schelven
en schepen uit de Zuiderzee,
vol vlas, - en 's lochts gewelven,
die zeggen: 'komt en kijk, o mensh,
naar ons: met al u macht,
ge'n kunt niet dat de leye kan,
bij 't vallen van de nacht
Guido Gezelle
Oude Leiearm

TE LANDE
't Is hier zo rustig 's morgens vroeg,
staande tot over de knoesels in 't natte gras
achter een oude hulsthage en starend
door een web van diamanten, gespannen
tussen de takken van een wilde vlienderstruik,
een struik die ik ruik.
wijl 't geluchte den einder met zonne overgiet
en ik,... ik die geniet.
't Is rustig en toch hoor ik zovele,...
't gorgelend kwaken van een puit
amper uit zijn morgendromen.
't Lichte lisp' len der bla' ren van de bomen,
een fladderende liester die schichtig
uit de hage schiet recht naar de
top van een scheve populier,
om hoog in diens kruine
tierelierend zijn morgenlied te laten galmen
over de dampende weiden.
Ik hoor de mussen 't jielpen in koor,
wat als een vloed klinkt in mijn oor
vergeleken van het verfijnd stemmeke
van een dartele leeuwerik, die immer
hoger opstijgend,
vleugelschuddend zijn
dankgebed over de vlakte stuurt,
tot hij nog slechts een stipje is, een punt, ...
dat aankondigt een nieuwe dag
in het zo rijke landelijk schoon,
van 't Vlaamse Vlaanderen, waar ik woon
Maryflor
De nieuwe sluis in St-Baafs-Vijve
De Leie in St-Eloois-Vijve
De Leie in Vijve