JEF VAN HOOF

Een paar weken geleden zongen we met enkele duizenden in de Lotto-Arenahal het krachtige strijdlied ‘Groeninghe’ en de prachtige hymne ‘Daar is maar één land’. En we luisterden ingetogen naar Ann De Renais in twee kunstliederen van Jef Van Hoof.
Daarmee herdacht het ANZ de 50ste sterfdag van deze legendarische toondichter.
Het was een merkwaardig toeval dat tijdens hetzelfde zangfeest de 175ste geboortedag van die andere Vlaamse geniale componist Peter Benoit werd herdacht. Beide figuren zijn immers enorm volksverbonden musici geweest. Ze hadden allebei een enorme voorliefde voor het eigen volkslied. Ze dirigeerden met een bezielend enthousiasme de massa en schreven met een groot hart voor die zingende massa. Beiden engageerden zich met hun kunst in de ontvoogdingsstrijd van ons volk. Benoit streed voor de oprichting van een Vlaams Conservatorium in Antwerpen en Van Hoof was een tijdlang directeur van diezelfde muziekschool. Zowel Van Hoof als Benoit hebben strijdvaardige liederen en andere opzwepende muziekstukken geschreven. Benoit hanteerde daarvoor massakoren en grote orkesten. Van Hoof bespeelde ook de massa zangers maar dan graag begeleid door vurige kopers. Kopers waren voor van Hoof ‘de ziel’ van het orkest. Van Hoof formuleerde het soms nog plastischer….
Naast de uitbundige en opzwepende stukken schreven beide toondichters schitterende symfonische werken (Benoit: fluitconcerto, pianoconcerto, ouvertures; Van Hoof: 6 symfonieën, symfonische suites), strijkkwartetten, kamermuziekwerken, pianomuziek, missen, motetten, koorwerken en liederen.
Van Hoof heeft steeds met een grote bewondering en zelfs verering opgekeken naar Benoit, net zoals veel generatiegenoten en jongere componisten opkeken naar Van Hoof. Van Hoof baseerde zijn pedagogische principes op die van Benoit wat bijvoorbeeld de rol van het volkslied betrof. Beide componisten hadden hun werkterrein in Antwerpen aan de Schelde en allebei kregen ze een graf op het ereperk van het Schoonselhof.
Benoit én Van Hoof waren en zijn figuren die tot de verbeelding spreken: het waren artiesten met de uiterlijke kenmerken van een romantische artiest: baard, lange haren, kapmantel en hoed, boude uitspraken, vurige begeesterende uitstraling….

In deze bijlage willen we graag iets dieper ingaan op de figuur van Jef Van Hoof.
Hij werd op 8 mei 1886 geboren in de Belegstraat 5 in Antwerpen. Als zoon van een koster speelde hij al zeer vroeg orgel en verving hij zijn vader aan het kerkorgel. In 1916 volgde hij zijn vader officieel op als koster.
Een groot collegestudent was hij niet. Daarvoor was hij te zeer gebeten door de muziekmicrobe.
Zo belandde hij aan het Antwerps Conservatorium bij Jozef Callaerts en Arthur De Hovre voor orgelstudie, bij Lodewijk Mortelmans voor harmonie en contrapunt en bij Paul Gilson voor compositie. Geef toe, je kan het slechter treffen!
Jef Van Hoof begon al vroeg te componeren. Zo ontstond zijn zeer bekend, innig en ontroerend ’t Is stille (op tekst van Gezelle) al in 1903.
In 1909 schreef het Algemeen Nederlands Verbond een wedstrijd uit voor een nieuw lied. Op tekst van (alweer) Gezelle schreef Van Hoof dan zijn immens populair geworden ‘Groeninghe’. Met deze ‘Vlaamse Marseillaise’ was zijn naam meteen gemaakt. Van Hoof werd hét symbool van de Vlaamse weerbaarheid. Geen Guldensporenviering en later geen zangfeest of IJzerbedevaart waar dit lied niet met gloed en geestdrift werd en wordt gezongen. Tijdens zijn leven vaak onder leiding van de toondichter zelf.
In 1911 ontving hij de ‘Prijs van Rome’ voor zijn cantate ‘Tycho Brahé’ en een eerste prijs in een wedstrijd van de Koninklijke Maatschappij ‘De Grote Harmonie van Brussel’ voor zijn ‘Landelijke stemming’.
Conservatoriumdirecteur Jan Blockx zwaaide uitbundig met lof en prees Van Hoof als waardige leerling van de muziekschool en volgeling van Benoit. Hij voorspelde hem een schitterende toekomst als nationaal componist. Profetische woorden, zoals later zou blijken.
Als musicus vocht Van Hoof tijdens de eerste wereldoorlog mee voor de vervlaamsing van de Gentse universiteit. Hij componeerde daarvoor het strijdlied ‘Oproep’. Dit leverde hem in 1918 een celstraf van 7 maanden op.

Daarna ging hij gewoon verder met zijn muzikaal engagement. Hij richtte het koor ‘Kunst en Vermaak’ (1920) op en werd leraar harmonie aan de Mechelse beiaardschool (1925) bij Jef Denijn. In 1933 stichtte hij samen met de Vlaamse bard Willem Demeyer de Vlaams-Nationale Zangfeesten waarvan we op 15 februari j.l. de 72ste editie mochten beleven. Aanvankelijk was Jef Van Hoof de enige dirigent en componist die aan bod mocht komen. Node moest Van Hoof aanvaarden dat ook andere componisten verschenen aan het firmament van de Vlaamse volksmuziek. Andere belangrijke Vlaamse toondichters verwierven immers ook een plaats als dirigent en componist op het zangfeestpodium. En dat het niet zomaar de minsten waren blijkt uit de opsomming van enkele namen van medewerkers aan de zangfeesten: Karel Candael, Lodewijk Mortelmans, Emiel Hullebroeck, Lieven Duvosel, Arthur Meulemans, Jef Tinel, Ivo Mortelmans, Renaat Veremans, Maurits Veremans, Armand Preud’homme, Gaston Feremans, Wies Pée, Jos Mertens, Hendrik Diels, Lode Dieltiens, Léonce Gras, Michaël Scheck, Juliaan Wilmots, Ludo Claesen, ….

Het belang van deze zangfeesten en van het daartoe opgerichte VNZ (nu ANZ) in de Vlaamse beweging en in de Vlaamse koor-, lied- en muziekgeschiedenis kan nauwelijks overschat worden. Van Hoof heeft daar dus een uiterst belangrijke mijlpaal gevestigd waarop vandaag nog steeds voortgebouwd wordt.
In 1936 werd Van Hoof aangesteld tot leraar harmonie in het Antwerps Conservatorium.
Hij werd in 1942 bevorderd tot directeur van het conservatorium als opvolger van Flor Alpaerts. Uit getuigenissen blijkt dat hij een echte bezorgde vader voor zijn leerlingen was en net zoals Benoit teruggreep naar het volkslied. Hij voerde weliswaar nieuwe leergangen in (slagwerk en euritmiek) en wijzigde hier en daar elementen in de leerstof maar steeds in de geest van de stichter van de ‘muziekschool’. Hij leverde in volle oorlogsperiode vaak valse getuigschriften af om jongeren te vrijwaren tegen verplichte tewerkstelling in Duitsland. Maar toch werd hij afgezet in 1944 en vloog hij weer de cel in. Na een jaar kwam hij vrij. Het conservatorium bleef dicht voor hem. De beiaardschool in Mechelen daarentegen werd zijn nieuwe thuis.

Op 24 april 1959 overleed hij in zijn ‘Spokenhof’ met naast zich de onvoltooide zesde symfonie.
Naast zijn drukke bezigheden als leraar, directeur en dirigent componeerde hij een aanzienlijk aantal en zeer uiteenlopende werken.
Laten we beginnen met zijn werken voor de menselijke stem.
Zo zijn er eerst en vooral de kunst- en volksliederen (‘Ik wist niet’; ‘De vriezeman’; ‘Nanoen in huis’; ‘Lentestemming’; ‘Slaapliedje’; ‘Marialiedeken’; ‘Suja nu’; ‘Nachtdeun’; …..), strijdliederen en geëngageerde liederen (‘Groeninghe’; ‘Daar is maar één Vlaanderen’; ‘Goedendag’; ‘Vaandellied’; ‘Trouw aan Vlaanderen’; ‘O kruis van den IJzer of Bedevaartlied’; ….), kinderliederen (‘Mijn jeugd is als een tuil van rozen’; Van den koekoek en den ezel’; …) en godsdienstige liederen (‘Marieliedeken’; ‘Kerstlied’;…).
Bij de liederen is het opmerkenswaard dat hij zelden de harde strijdlustige toon van Groeninghe aanslaat. Meestal spreekt er uit zijn liederen een diepe verinnerlijking en elegisch karakter. Zijn kinderliederen zijn prachtig afgestemd op de kinderen qua toon en sfeer. De muziek respecteert altijd de tekst. De muziek eerbiedigt de prosodie en metrum. Muziek en woord zijn één. Ze vormen een ‘monoliet’ zou Robert Herberigs later zeggen. Lodewijk De Vocht formuleerde het bijbels als hij zei: Eerst was er het woord en dan pas de muziek. Op dat punt zat Van Hoof dus in goed gezelschap. Zijn liedkunst werd doorheen zijn carrière steeds rijper en meer geïnspireerd. Geen wonder dat hij in 1958 als eerste de Lodewijk Mortelmansprijs ontving.
Een merkwaardig genre dat Van Hoof ook beoefende is de lyrische voordracht. Dat zijn liederen voor spreekstem met begeleiding. Bijvoorbeeld ‘Spinnelied’; ‘Idylle’ en ‘Jacob van Artevelde’.
Hij gebruikte teksten van o.m. G. Gezelle, P. De Mont, B. Peleman, A. Rodenbach, W. Gijssels, J. Van Nijlen; G. Ritschl, L. De Schutter R. De Clercq en E. Denhaene.

Daarnaast componeerde Van Hoof een hele reeks koorwerken. Hij schreef missen voor mannenkoor en orgel en voor gemengd koor, koorwerken voor gemengde stemmen (bv. ‘Onder de linde’ zie Vlaams Romantisch koorboek; Drinkebroerslied; bewerkingen van 10 oude volksliederen; bewerkingen van 10 Geuzenliederen; …), motetten (‘Tota pulchra es, Maria’; ‘Klaar bloed en louter wonden’; ‘Marialiedeken’; …) werken voor gelijkstemmige koren (‘Psalm’; 6 Dietsce liederen; ‘Strijdkreet’; ‘Hangt ‘nen truisch’; …).
Bij de koorwerken van Van Hoof is het opvallend hoe subtiel de grens is tussen eenstemmige liederen en koorliederen. Hij hanteerde vooral een verticale (homofone) schrijfwijze waardoor de verstaanbaarheid van de tekst zeer goed tot zijn recht komt. De klemtoon ligt op de melodiestem. De andere stemmen begeleiden.
Van Hoof op zijn best treffen we wellicht aan in zijn ‘Missa De Deo’ uit 1937. Een indrukwekkende compositie voor gemengd koor en kopers die triomfen oogstte in Aken maar in eigen land pas in 1966 (7 jaren na de dood van de componist) voor het eerst werd uitgevoerd. In 1949 ontstond zijn Te Deum voor dezelfde bezetting. Een zeer expressief en afwisselende compositie.
En zo zijn we bij de muziek voor kopers beland, hét instrument van Van Hoof. In navolging van zijn leermeester Paul Gilson wilde hij de kopermuziek in Vlaanderen veredelen. Denken we maar aan de oproepen voor kopers en de ritmische symfonietta. Tot aan zijn dood leidde hij een eigen koperensemble bestaande uit 5 trompetten, 5 bazuinen en slagwerk. Hoorns gebruikte hij niet in zijn ensemble omdat die in zijn ogen te weinig viriel waren en meer aansloten bij de houtblazers.
Verder componeerde Van Hoof ook intieme strijkkwartetten, kamermuziek (vb. ‘Suite voor 3 fagotten’ waarin het luimige volkslied van Pierlala verwerkt wordt), toneel- en filmmuziek (‘De vertraagde film’; ‘Jonker Lichthart’;…), de opera Meivuur, orgelmuziek (‘Rist van 6 kleine stukken’ uit 1903). Over dit orgelwerk schreef Wies Pee dat het technisch zeer goed uitgewerkt is en een schoolvoorbeeld van harmonie en melodie kan zijn. Hij plaatste ze meteen op dezelfde hoogte als orgelwerkjes van Sweelinck, Frescobaldi, Pachelbel, Buxtehude en Bach.
Verder nog pianowerken (‘3 walsen’, ‘Morgenwandeling’..) en beiaardcomposities,
Een bijzondere vermelding verdienen zeker nog de 5 symfonieën en een onvoltooide zesde symfonie. Deze werken zijn zeer klassiek van opbouw met de 4 delen (allegro, adagio, scherzo en allegro). De orkestratie is telkens zeer verfijnd en technisch perfect. Ze klinken lyrisch, romantisch en toch ook zeer fris. De componist van Groeninghe is hier ver te zoeken. Zijn latere symfonieën tonen een gelouterde en tot rust gekomen (?) toondichter. Van dezelfde kwaliteit zijn de 2 symfonische suites en ouvertures (‘Perseus’; ‘Willem De Zwijger; ‘Herinneringsouverture’ met daarin allerlei nationale hymnen verwerkt; …) en een massa bewerkingen en begeleidingen bij liederen voor orkest, fanfare en koperensemble.
Musicologen prijzen Van Hoof als eminent leerling van Gilson. Hij combineerde het romantsiche volksverbonden idealisme van Benoit met de technische beheersing van Gilson. Hij kan ook als classicistisch componist gezien worden omdat hij de klassieke vormen (symfonie; strijkkwartet, ….) trouw respecteerde en in zijn orgelwerk refereerde aan de grote klassiekers. Hij was dus zeker geen vernieuwer (behalve misschien qua kopermuziek), maar hij verwerkte de traditie tot een persoonlijke klassieke stijl. Zijn werken zijn alle boeiend om te beluisteren, pittig en voornaam.
Dirigent Daniel Sternefeld die de symfonieën van Van Hoof dirigeerde voor de BRT getuigde dat de muziek en de mens Van Hoof één zijn: stoer, oprecht, eenvoudig en gezond. Hij verwees naar de invloed van Gilson qua kleur en kracht met een gezonde voorliefde voor kopers.

We eindigen deze bijdrage met de woorden van August Corbet: hij vulde oude vaten met nieuwe wijn; gaf blijk van eerbied voor de technische verworvenheden van het voorgeslacht en verrijkte ze volgens zijn eigen beleving van het tijdsgebeuren met een oorspronkelijke kleur en een soms gedurfde klank welke nochtans nooit afbreuk deed aan de gevestigde en algemeen geaccepteerde vormentaal.





