Kemajoran II


Kemajoran ( II) (vervolg van Kemajoran I)
Tussen de alang-alang op de plekken waar vroeger huizen stonden vond je resten puin, glasscherven, roestige blikken en vuilnis. Het was dan ook riskant om op die velden op je blote voeten te lopen, wat ik dan ook beslist niet deed, ook al had ik een gruwelijke hekel aan schoenen aan mijn voeten, of het nu lakschoenen waren van een schoenenstalletje op Pasar Baroe of gympies van de Bata-winkel op Senen.
Gelukkig waren er in de alang-alangvelden in de loop der tijd wat paadjes uitgesleten door bewoners van de kampongs die achter de huizen lagen en die zo, lopend op hun sandalen of klompen, een kortere weg hadden gecreëerd vanaf de geasfalteerde straten zoals de Vliegveldlaaan naar de kampongs die daarachter lagen .
De Vliegveldlaan was een lange weg, die in en wijde boog langs het vliegveld loopt . Wanneer je voorbij het vliegveld doorloopt kruis je de brede Goenoeng Sa(ha)riweg. aan de andere kant loopt de Vliegveldlaan uit op de Marinelaan die verderop weer de Goenoeng SA(ha)riweg kruist. Op de hoek Marinelaan-Goenoeng Sari ligt het Marinecomplex waaromheen een hoge muur is aangelegd. De Goenoeng Sariweg was de brede weg, die richting Antjol en Tandjong Priok leidde.
Ik liep graag langs de paadjes in de alang-alangvelden naar de kampong, waar de mensen je op den duur herkenden en ook leerde kennen en je altijd weer met een vrolijk ’allo sinjo’ begroeten. Ik voelde me op mijn gemak tussen de mensen in de kampong en sprak ook hun taal. Zo gebruikte ik bijvoorbeeld veelvuldig het stopwoordje ‘dong’, dat typisch voor die streek was. “djangan, dong….”, ‘Nanti, dong…. “
Op deze paadjes door de alang-alangvelden naar de kampong heb ik ook op de fiets van mijn moeder het fietsen geleerd, meestal met vrolijk gelach en stimulerend gejuich begeleid door de bewoners van de kampong, die zo mijn vorderingen bij het temmen van de stalen ros van dichtbij (eerste rang! ) hebben meegemaakt, dit in tegenstelling tot mijn moeder, die niet meemaakte en zelfs hier niets van wist, omdat ze dan haar middagdutje deed. Immers alleen als ze sliep kon ik haar fiets ‘lenen’……
Toen we op nr. 110 woonden (vóór de oorlog) hadden we een paar bedienden ( een baboe een kokkie, een djongos) maar na da oorlog, was alles veel duurder geworden en dus ook het personeel. We hadden op de Vliegveldlaan 56 dan ook maar één bediende, een baboe, die Tjemiel heette. Als kind noemden we haar wel eens Schlemiel , omdat ze “latah” was.
Latah is een psychische aandoening, waarbij men de zelfbeheersing verliest en dwangmatig woorden of zinnen van een gsprekspartner herhaalt of acties van anderen imiteert. Opvallend is ook dat lijders willoos opdrachten van anderen opvolgen.
En hier maakten we als kind gebruik van of, achteraf bezien, MISBRUIK door Tjemiel opdracht te geven om de borden die zij in haar handen had te laten vallen of haar op te dragen bepaalde woorden te zeggen, die wij zelf niet in onze mond mochten nemen op straffe van een lel met de sapoe lidi (bezem van de nerven van palmbladeren) of de bakiak (houten klomp) . Wat kunnen kinderen soms wreed zijn.
Zoals ik al opmerkte voelde ik me senang in deze wijk. Onder mijn vrienden uit Kemjoran waren behalve Indo’s ook totoks en Javaanse jongens. Kennelijk leefde ik in overeenstemming met het karakter van Kemajoran in twee werelden, die ik onbewust in mezelf verenigde. Hebben mijn ouders daarvan misschien iets voorvoeld toen ze me behalve ‘René’ ook nog als tweede naam de naam ‘Louis’ meegaven. Louis, de Franse vorm van het Hebreeuwse Levi, dat de betekenis heeft ’de twee tot één maken’.’de twee verenigen’.
Enkele van mijn Hollandse en Javaanse vrienden wil ik graag in aparte artikelen aan u voorstellen, namelijk de Hollandse Jongens Keesie en Henkie en de Javaanse jongens, Soegito, Soemarmin en Soetedjo.








































