Cultuuroverdracht


Cultuuroverdracht
In opa’s huis in Tengah Tani (Cheribon) ( zie ook her artikel “Bij opa en oma in Cheribon” in deze weblog) was het ook dat ik door oma Katie, maar ook door baboe Siti, de kindermeid, die beiden elke avond om de beurt voor het slapen gaan een verhaal (dongengan) vertelden, werd ingewijd in de veelkeurige wereld van de Javaanse sagen en legenden en in die wonderbaarlijke wereld van de talrijke Javaanse goden en halfgoden.
Zo vertelde oma me prachtige verhalen over Nyai Loro Kidul , ook wel Ratu Kidul genoemd, de Koningin van het Zuiden, Godin van de Zuidzee (Indische Oceaan).
Baboe Siti vertelde me onder meer de legende van de Zandzee, waarin de beeldschone dochter (Djoerangga) van de god van de Smeroe, een belangrijke rol speelde naast Raksasa, de bewaker van de tempel van Brahma.
Maar beide vrouwen vertelden me ook verhalen over het ontstaan van namen als Banjoewangi, Tangkoeban Prahoe, Tobameer. Of over het ontstaan van meren, bergen, plaatsen.En ook verhalen over de spannende avonturen van Kantjil, het slimme dwerghert.
Als baboe Siti aan de beurt was om een verhaal te vertellen, dan kreeg ik er een attractie bij. Zij kauwde dan namelijk op een sirihpruim ( een genotsmiddel voor vele Indonesische vrouwen) . De sirihpruim bestaat uit een blad van de sirihplant( betelplant), gemengd met een fijne kalksoort, een schijfje gambir en een stukje pinangnoot.
Het sirihsap heeft een bloedrode kleur, en bij regelmatig gebruik worden de tanden donker van kleur. Baboe Siti spuugde het rode sap regelmatig uit in een bakje (een halve kokosnoot). Het was altijd spannend om te zien of ze het voor elkaar kreeg om de rode straal precies in het bakje te mikken.
Soms speelde ik, liggend op mijn rug in bed, met mijn handen en voeten met behulp van het licht van de lampoe teplek (olielamp) de verhalen na in een soort schaduwspel op de witgekalkte muur van de slaapkamer.Totdat de slaap het spel overnam en transformeerde tot een droom.
Nog steeds ben ik heel dankbaar en blij dat oma Katie en baboe Siti me doorgaven van wat zij aan kennis bezaten over de Javaanse cultuur. Ze hebben mij mede gevormd en er toe bijgedragen, dat voor mij de wereld niet louter beperkt bleef tot die der zichtbare dingen.
Opa George overleed op 30 september 1942 en werd begraven op het kerkhof Tjigendeng ( Cigendeng) te Cheribon aan de (huidige) Jalan Cipto Mangunkusumo.
Met hem verloor ik niet alleen een opa, maar ook een goede vriend en kameraad, die me nooit aan mijn moeder zou verraden als ik iets had uitgespookt.
De kist waarin hij werd begraven stond al meer dan 3 jaar in de garage (mijn broer Boengke alias Johan en ik hebben er ook wel eens in gelegen en voor lijk gespeeld). Die had hij zelf ontworpen en in de stad bij een houtbewerker laten maken .
Hij overleed, zoals menigeen het zou wensen: zonder ziekbed, maar aan de ontbijttafel achter zijn ochtendkrant, aan een hartstilstand. En met oma in zijn buurt.
Opa had een oude hond, Pimmie, die steeds achter hem aan liep overal waar hij maar heen ging. Twee dagen na het overlijden van opa ging ook de hond dood. Ook op opa’s laatste ‘wandeling’ volgde de hond hem trouw…






