Bij opa en oma in Cheribon

Bij opa en oma in Cheribon
Mijn moeder, broer Boengke ( Johan) en ik woonden tijdens de oorlog met Japan bij opa en oma, de ouders van mijn moeder. Mijn vader was toen in Japan geïnterneerd.
Zoals ik al aangaf in het artikel “Naar Cheribon” op deze weblog bezaten mijn opa en oma even buiten Cheribon een huis met een grote tuin met heel veel fruitbomen
De grote boomrijke tuin was voor mij een echte lust- en een doolhof tegelijk. De vele fruitbomen ( o.a. mangga, sawoh, djamboe, ramboetan, nangka, durian, klapper enz.), nodigden je uit voor een klimpartij, waarbij je vooral in de mangga- en djamboekloetoekbomen, niet zelden werd belaagd door ngrangrangs, (Oecophylla smaragdina) de venijnig, steeds over elkaar heen krioelende grote rode mieren die ook nog de onhebbelijke gewoonte hadden om in de pijpen van je (korte) broek of tjelana monjet (“apenbroek” met vooraan en grote zak) te kruipen, waarbij jij, je ondertussen stevig vasthoudend aan een tak, allerlei acrobatische toeren moest verrichten om ze weer uit je broek te krijgen en tegelijkertijd te zorgen niet uit de boom te donderen omdat je dan behalve een flinke smak op de grond ook nog een dito pak slaag van je moeder kon riskeren. En meppen kon ma en ze deed dat goed en doeltreffend!. Soms met de hand maar veel vaker met de vaak gebruikte sapoe lidi (bezem van palmbladnerven) of de bakiak (houten klomp met rubberen wreefband) waarna de rode striemen op je billen je enkele dagen het zitten beletten.
Broer Boengke (Johan) hield niet van klauteren en klimmen. Die las liever een boek of was druk bezig met zijn verzameling wikkels van conservenblikken ( gecondenseerde melk, vruchten op sap e.d.). Hij heeft dan ook nooit last gehad van rode hand-, bakiak- of sapoe lidiafdrukken op zijn billen of benen. Bofkont!
Als ik toch ergens op betrapt moest worden, dan had ik liever dat het door opa gebeurde, want die strafte nooit, maar zei alleen: “Niet meer doen, hoor!”. Hij probeerde dan heel streng te kijken, maar ik zag met mijn scherpe kinderblik toch altijd weer een glimlach achter zijn martiale snor en als mijn moeder later aan hem vroeg of hij mij had gestraft, zei hij steevast zonder maar even te blozen”: “Ja, hoor”. Die lieve opa….Ik zie hem nog steeds lopen in de tuin in zijn pyjama, de huisdracht in Indië.
Som liep hij in zijn pyjama zelfs het dorp in en kwam dan terug met zijn handen op zijn rug. Dan vroeg hij elke keer weer aan Boengke en aan mij; “Wat heeft opa in zijn hand? Als jullie het raden, dan is wat ik in mijn handen heb voor jullie”
We deden dan of we heel diep nadachten, maar we wisten het al, want opa had elke keer als hij van zijn wandeling in het dorp terugkwam dezelfde ‘verrassing”. “Een ei, opa”, zeiden we dan in koor en dan kwamen inderdaad de eieren te voorschijn, voor ieder van ons een telor asin, een gezouten eendenei, die hij in het dorp had gekocht. Ze waren al gekookt, dus konden Boengke en ik onze eieren tegen elkaar tikken totdat er barsten kwamen in de schaal en we de eieren konden pellen. Daarna smulden we beiden van deze lekkernij.
Over ’lekkernijen” gesproken, ik maakte in de tuin ook wel eens mijn eigen lekkernijen, dit zeker niet tot vreugde van mijn moeder. Zo ving ik in de tuin wel eens een sprinkhaan (die sprongen er genoeg rond). Ik maakte dan een vuurtje met wat droge bladeren en takken ( lagen daar ook voor het oprapen), reeg de sprinkhaan aan een biting ( nerf van een palmblad) en roosterde de sprinkhaan ( besprenkeld met sap uit een jeroek nipis, lemoen) en at de ‘snack’ lekker op. Als mijn moeder me dan betrapte, kreeg ik weer een lel, terwijl ze riep “Krijg je niet genoeg te eten, hè? “
Moeders begrijpen niet dat het totaal niets te maken had met honger of trek, maar gewoon een kwestie is van je grenzen verleggen, op onderzoek uitgaan. Maar tja, die moeders…. Mijn vader zou hebben gevraagd: “Heb je ook eentje voor mij? “ Maar ja, die zat in Japan als krijgsgevangene en of hij op dat moment wat te eten had…..





