
Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.
Eén van mijn Kemajoran-vrienden, die ik hier aan u wil voorstellen, was Keesie
Hij heette eigenlijk Kees, maar omdat hij nogal klein van stuk was voor een Hollandse jongen ( geboren in Rotterdam) noemde ik hem Keesie. Hij had een stevige, gedrongen gestalte en een open vrolijk gezicht met stroblonde krullen en lichtblauwe ogen.Mijn Javaanse vrienden noemden hem si Boeleh ( de witte) of gewoon Anak Londo (Kind van Holland) . Keesie sprak maar enkel woorden Maleis “Tidak” (Neen) en “Djangan” (Niet doen), maar dat vond hij kennelijk voldoende om naar al te opdringerige Javanen toe zijn territorium af te bakenen
Ik leerde Keesie kennen via de sportvereniging van de kerk. Mijn vader was namelijk jeugdouderling geworden van de Protestantse Haantjeskerk (Pniëlkerk) op Pasar Baroe ( zie ook het artikel “De Haantjeskerk” op deze weblog) en voortvarend als hij was begon hij meteen met het organiseren van sportactiviteiten voor de jeugd, zoals volleybal, voetbal, kastie, korfbal. Daar leerde ik Keesie kennen en het klikte meteen tussen ons. Toen we de eerste keer van het voetballen naar huis reden, kwamen we tot de ontdekking dat we beiden in dezelfde straat woonden, alleen woonde hij aan het begin van de Vliegveldlaan, dicht bij de spoorwegovergang. Waarom zijn familie als Hollands gezin in Kemajoran is komen wonen is mij nooit duidelijk geworden.
Als we naar sport gingen dan haalde hij me altijd af, ook al moesten we op weg naar het sportveld weer langs zijn huis, zodat hij de afstand van zijn naar mijn huis twee keer moest afleggen.
Keesie reed op een degelijke Hollandse fiets, een stevige stoere bruinrode Gazelle, compleet met verlichting, standaard en fietspomp, die zijn ouders voor hem uit Holland hadden meegenomen, terwijl mijn fiets eigenhandig was samengesteld uit onderdelen van diverse gevonden of gekregen fietswrakken van even zo veel verschillende merken. Een soort ‘monster van Frankenstein’. En zo gedroeg mijn fiets zich af en toe dan ook: onberekenbaar en soms levensgevaarlijk.Toch vroeg Keesie me heel vaak van fiets te wisselen als we naar sport gingen, want de mijne was een ‘doortrapper’ en zo’n fiets is pas echt stoer immers!
We trainden met de kerkclub op het veld bij de Haantjeskerk of op het Waterlooplein (zie ook het artikel “Waterlooplein” op deze weblog) , vlak bij de grote kathedraal, bij de meeste Batavianen wel bekend. Dit was ook het plein waar later de Amerikaanse opwekkingsevangelist Billy Graham duizenden mensen zou trekken met zijn vlammende preken, ook nonnetjes en pastoors.
Met de voetbalclub deden we onder de naam “De Haantjes”ook mee aan een jeugdcompetitie die door de voetbalclub BVC, de Bataviaasch(e) Voetbal Club, was uitgeschreven( zie ook het artikel “Aanvallen……!!”op deze weblog) .
BVC, de club die door de in Batavia alom bekende en gerespecteerde Paatje Versteegh werd opgericht.
Aan de wedstrijden, die op het veld van BVC werden gehouden, deden veel jeugdclubs mee, onder andere de Molukse vereniging Mena Moeria. "Mena Moeria"is ook de strijdkreet van de R.M.S. (Republik Maluku Selatan/ Republiek der Zuid-Molukken), die streed voor een onafhankelijk en vrij Zuid-Molukken. Letterlijk betekent deze kreet: ‘Voor - Achter’, in de zin van: “Wij vormen samen een onverbrekelijk geheel”
Wij verloren altijd van het elftal van Mena Moeria..Zij hadden immers veel meer techniek in huis omdat mijn vader, die onze trainer was, ons die niet kon bijbrengen, om de doodeenvoudige redenen dat hij zelf nooit gevoetbald had en de spelregels uit een boekje heeft moeten leren. Ook van voetbaltactiek had hij nog nooit gehoord.
We hadden donkerblauwe broeken en lichtblauwe shirts met op de zak een wit schild met een rode, geborduurde haan. De shirts waren oorspronkelijk wit ( op Pasar Senen gekocht), maar mijn vader had ze lichtblauw geverfd in een verfbad waarbij ik mocht helpen en de donkerblauwe haantjes had hij zelf erop geborduurd.
Voetbalschoenen hadden we niet, dus voetbalden we altijd op blote kakkies. Onze rechtback, Boy Ripassa, had zich de gewoonte aangemeten om met omhooggekrulde tenen te punteren. Wat ik ook probeerde, dat kunstje lukte me niet, want als ik dat deed kneusde ik onherroepelijk mijn tenen, zodat ik me maar toelegde op het schoppen met binnen- en buitenkant voet. Op die plekken werd dan ook al gauw eelt gevormd.
Op een dag stond weer een wedstrijd tegen Mena Moeria op het programma. Waarschijnlijk met het verlies van de vorige wedstrijden tegen deze Molukse club in hun achterhoofd waren diverse spelers van ons team niet komen opdagen . Mijn vader kon dan ook maar 8 namen op het wedstrijdformulier invullen en dat was het minimum aantal spelers dat je moest opstellen om een wedstrijd te mogen spelen. Kom je er geen 8 opstellen, dan werd je club reglementair als verliezer beschouwd. Wij konden dus de wedstrijd beginnen. Ik was keeper (de echte keeper was niet komen opdagen) en Keesie linksback. Hij was trouwens de enige back, want zijn collega- back was één van de afwezigen Ook de ‘halfs” (rechtshalf, midhalf en linkshalf) en de voorhoede (rechtsbuiten, rechtsbinnen midvoor, linksbinnen en linksbuiten) waren niet compleet, dus we hadden voordat we begonnen al een enorme afstraffing ingecalculeerd.
In die tijd was er nog geen sprake van een 4-3-3 of een 3-4-3 systeem. In het doel stond de keeper, vóór hem stonden de linksback en de rechtsback en daar weer voor de linkshalf, de midhalf en da rechtshalf en in de voorhoede de linksbuiten, de linksbinnen. de midvoor, de rechtsbinnen en de rechtsbuiten. That’s it!
Ondanks dat we maar 8 spelers hadden betraden we vol goede moed het veld. Het begon nog te regenen ook . De lucht was donker en er wachtte ons een echte tropische regenbui.
Het werd zoals verwacht een eenzijdige wedstrijd, waarbij de triomfantelijke en superieure grijns op de gezichten van onze Molukse tegenstanders, die fel afstak tegen de verbeten en grimmige trek op onze smoelwerken omdat we toch probeerden er nog iets van te maken .Voordat de scheidsrechter het startsignaal gaf kwam Keesie naar me toe en fluisterde met een licht Rotterdam accent: “Elke bal die richting jou komt die ram ik wel naar voren toe”. Ik knikte dankbaar.
En Keesie hield woord, hij rende van links naar rechts en elk bal die in mijn richting kwam, die knalde hij naar voren onder het uitstoten van een soort indianenkreet, waarschijnlijk geïnspireerd door de aanhangers van onze tegenstander, die af en toe vanaf de kant fanatiek “Mena moeria” schreeuwden om hun ploeg aan te moedigen . En het ging harder regenen.Het water plensde op het veld als mandiwater (mandi = baden) uit de gajoeng (waterschep) Er lagen hier en daar al grote plassen op het veld, dat langzaam aan in een modderbad veranderde en waarin de bal vaak bleef steken
Keesie werkte zich letterlijk te blubber. Door de vele slidings die hij moest maken zat hij helemaal onder de vettige modder. Je kon niet meer zien dat onder die bruine smurrie een blonde Hollandse jongen schuil ging. Ook zijn gezicht was bruin van de modder. Toen hij heel even dichtbij me stond nadat hij weer onder het slaken van een ijselijke kreet de bal uit het doel had weggeramd , ontwaarde ik in dat vuilbruine masker, waarachter zijn gezicht zich verborg, twee helder blauwe ogen. Keesie… Wat mij het meest raakte was de blik die ik in die blauwe ogen zag. De blik van een echte onverschrokken fighter., ‘poekoel teroes!’ En ik wist daar en toen dat Keesie, de Hollandse jongen uit Rotterdam een echte anak Kemajoran was geworden. Saluut sobat!