Henkie, de vliegerjager


Henkie, de vliegerjager
In het artikel “Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd” op deze weblog schreef ik over een Rotterdamse jongen in Kemajoran, mijn voetbalvriend.
Dit verhaal gaat over een andere vriend van mij uit die Kemajoran-tijd. Een vliegervriend.
Henkie was de zoon van een Hollandse vader en een Hollandse moeder. Beiden waren tijdens de oorlog met Japan overleden en hij werd daarna verzorgd en opgevoed door ‘Oma Henkie’ , die geen echte oma van hem was maar een oude baboe, die bij zijn ouders had gediend en misschien, afgaande op haar leeftijd, die ik schatte op ruim 60, ook al bij zijn grootouders. Ze had een tanig gezicht met heel veel rimpels, die zo mooi en regelmatig over haar gezicht liepen, dat haar vriendelijk gezicht me vaak deed denken aan een patjeh.
Ze had voor het huis waar ze met Henkie woonde een stalletje laten bouwen, waar ze gado-gado verkocht en zo wat geld verdiende voor zichzelf en haar Henkie.
Aan alles was te merken, dat Henkie en ‘Oma Henkie’ heel veel om elkaar gaven.
Henkie en ik gingen elke zondagmiddag naar de zondagschool (bij de Haantjeskerk). Beiden kregen we dan van huis wat kleingeld mee voor de collecte ten behoeve van die arme hongerige negertjes in Afrika. Als ik Henkie van zijn huis afhaalde ( we liepen altijd naar de zondagsschool), dan stopte oma Henkie het collectegeld bij Henkie in de broekzak en zei ze steevast tegen ons dat we goed op elkaar en op het geld moesten passen.
Op elkaar passen dat deden Henkie en ik altijd wel, maar op de centen…..
Weet je, de afstand van huis naar de zondagschool was nogal groot (heel Vliegveldlaan af, dan nog de Goenoeng Sari en dan nog die lange Pintoe Besi tot aan de Haantjeskerk) en we kwamen onderweg heel veel kraampjes tegen met lekker koude drankjes en heerlijke hapjes. en soms brandden de centen in onze broekzakken. Dan keken Henkie en ik elkaar aan en zonder er woorden aan vuil te maken begreep de één de ander en werd wat van het collectegeld (niet alles natuurlijk!. De rest was voor die arme negertjes) bij een stalletje omgezet in en koele dronk of een lekkere pittige hap. Ik moet hier eerlijkheidshalve bekennen, dat ik me helemaal niet bezwaard voelde, want ik rekende mezelf ook tot het minder draagkrachtig deel van de wereldbevolking.
En of de drankjes en hapjes wel hygiënisch waren klaargemaakt, dat heb ik me nooit afgevraagd en Henkie kennelijk ook niet.
Behalve mijn zondagsschoolmaatje was Henkie ook een goede ‘vliegerjager’(boeaja lajangan). In Kemjoran werd veel en vaak gevliegerd. Niet alleen met siervliegers, maar ook met vechtvliegers. Een huisvriend van ons, Hendrik Jellema, was één van de djago’s (kampioenen) van Kemajoran.
Bij het vechtvliegeren (adoe lajangan)gaat het er om elkaars touw door te slijten, door te snijden, door je eigen touw schuins op het touw van de ander te plaatsen en vervolgens te vieren(als je draad boven op de draad van je tegenstander lag )of juist in te halen (als jouw draad onderlag). Een mooie, snelle duikvlucht kon heel effectief zijn als je meteen en heel snel je draad kon vieren, zodat de ander geen tijd kreeg om zich te verdedigen.
Om een echte djago te kunnen worden, waren enkele dingen belangrijk:
Je moest een vlieger hebben, die zowel onbeweeglijk in de wind kan blijven hangen, als nauwlettend de bewegingen van je hand kan volgen en dus snel kan duiken of stijgen, en naar links of rechts kan uitwijken; De vlieger moet dus goed uitgebalanceerd zijn In het goed uitbalanceren van de vlieger werd veel tijd geïnvesteerd.
Je touw moet bestaan uit sterk naaigaren aan één stuk, dus niet van aan elkaar geknoopte restjes ( da’s voor vliegerende meiden!) ; bij voorkeur Tjap Gajah( naaigaren met een olifant als handelsmerk)
Dat garen werd dan “”gegelast” ( van glasgruis voorzien).
Het garen wordt hiervoor voorzien van een scherpe coating door het door een mengsel van kah (chinese houtlijm en fijngestampt glas te trekken.
Hendrik had de allerbeste *gelasan-mix van de stad, in elk geval van heel Kemajoran en dan uiteraard volgens eigen zeggen. Zijn “geheim “ recept bestond naast de basisingrediënten (kah en tot fijn gruis gestampt glas) nog uit een speciaal ingrediënt, namelijk een flinke eetlepel kippenpoep( tembelek ajam). Dit werd heel zorgvuldig ( er mocht gen zand meekomen) uit het kippenhok geschraapt en heel goed door het glas-kahmengsel geroerd .
De kah werd tot een vloeibaar papje gekookt en vermengd met glasgruis . Bepalend voor de kwaliteit van je “gelasan” ( zo werd het gecoate draad genoemd) was de verhouding kah-glasgruis en het soort glas. Hendrik gebruikte doorgaans flessenglas, anderen gaven de voorkeur aan lampenglas
De draad werd eerst tot een bol opgewonden (verglijkbaar met een kluwen wol) in de gelasan-mix gedoopt en het uiteind van de draad aan de pagger (heg) vastgemaakt en het bolletje weer afgewonden terwijl je met je vinger de glasmnix weer van de draad veegt en de draad al heen en weer lopend aan de pagger ophangt .En dan de draad maar laten drogen in de zon. Als de draad droog is, wordt die draad opgewonden op een groot blik om tijdens het vliegeren het touw gemakkelijk te kunnen vieren. Meestal werd hiervoor een groot Blue Bandblik gebruikt.
Henkie was een rasechte en loepzuivere boeaja lajangan, een vliegerpiraat. De boeaja-lajangans zijn de jongens die afwachten tot een vlieger na een gevecht neerdwarrelt om deze zo mogelijk in te pikken. Wie de vlieger het eerst te pakken had, werd de nieuwe eigenaar van de vlieger en meestal kon je dan de vlieger voor een zacht prijsje(!) weer aan de vorige eigenaar verkopen, vooral als die vlieger een goed uitgebalanceerde en daardoor ook een goed wendbare vechtvlieger was.
Henkie was als jongen van Hollandse afkomst groter en sterker dan zijn Javaanse leeftijdsgenoten en hij was dan ook dikwijls de eerste die een neerdwarrelende vlieger te pakken kreeg.De boeaja-lajangans hadden bijna allemaal hun glahs (stokken) bij zich. Henkie had een lang bamboestok met aan het einde een haakje van ijzerdraad om de vlieger bij de driehoekige bedrading te kunnen pakken nog voordat de vlieger de grond raakte .
Met Hendrik Jellema had Henkie een deal gesloten, dat als Henkie een vlieger van Hendrik te pakken zou krijgen hij deze aan Hendrik zou teruggeven zonder dat Hendrik hiervoor hoefde te betalen. Ik had zo’ n idee dat voor deze deal Henkie door Hendrik die veel ouder en sterker was onder druk was gezet,.zo in de trant van: “Als jij mij voor mijn eigen vlieger laat betalen, ik poekoel jou, ja, Belanda?” ( … dan sla ik je, hè, Hollander…) En Henkie was wel groot en niet gauw bang, maar hij was geen vechtersbaas, maar eerder een pacifist pur-sang.
Als de vliegertijd begon en de vechtvliegers weer door de blauwe lucht kliefden dan was Henkie heel alert.Hij tuurde dan naar de vliegers die allerlei capriolen maakten en als de strijd tussen twee ( of soms meer tegelijk)vliegers begon, dan kwam Henkie in een soort trance . Hij volgde met kennersblik het titanengevecht in de lucht en wist vooraf meestal al aan te geven welke vlieger straks het onderspit zou delven. Dan verstevigde hij zijn greep om de bamboestok. Als de vlieger inderdaad naar beneden dwarrelde, dan kon Henkie uiteraard stiekem naar de plek hollen waarvan hij dacht dat het de ladingsplaats van de vlieger zou worden maar Henkie hield zich aan de erecode onder de vliegerjagers. Je waarschuwde namelijk de anderen dat er een vlieger naar beneden aan het zeilen is en dus bulderde deze jongen van Hollands bloed, maar een echte “anak Kemajoran” (kind van Kemajoran) : ‘Lajangan pedot!’ ( een vlieger is los van zijn draaad!) en dan zette hij het op een lopen, op weg naar de buit!
En in de meest gevallen won Henkie de strijd om de vlieger en was er voor hem weer geld te verdienen
( Behalve bij Hendrik dan……)
Toen ik in 1979 voor het eerst uit Nederland (waarheen we in 1956 repatrieerden) naar Indonesia terugging en ook een bezoek bracht aan de Vliegveldlaan in Kemajoran, waarschuwden de toenmalige bewoners van nr. 56 Henkie die nog steeds in hetzelfde huis woonde waar hij vroeger met “oma Henkie” verbleef, dat ik er was. Hij kwam, wij begroetten elkaar en hij vertelde me dat hij enkele dagen daarvoor had gedroomd, dat ik weer in de Vliegveldlaan (toen Jalan garuda) zou terugkomen en ziedaar, zijn droom kwam uit!. Hij was inmiddels getrouwd, had een paar kinderen en was Moslim geworden. Op dat moment zat hij ook midden in de Puasa (Islamitisch vastentijd)
Deze uit Hollandse ouders geboren ‘anak Kemjoran’ was dus in Kemajoran gebleven en is één van hen geworden.Saluut, mijn vriend








































