
Kemajoran ( I)
“East is East and West is West and in Kemajoran the twain shall meet”
( vrij naar : Rudyard Kipling (1865–1936)
Ik hoorde pas veel later, dat Kemajoran door Jan Pietersz. Coen speciaal was opgericht voor de gemengd-Europees-Inheemse mensen aangezien in zijn tijd het aantal gemengdbloedige kinderen uitgroeide tot een heuse bevolkingsgroep.
In feite heeft de Indisch Nederlandse cultuur ruim 3 eeuwen geleden zijn licht gezien in Kemajoran, de grote wijk van Batavia, die de gemengdbloedigen kregen toegewezen met aan het hoofd van deze speciale wijk een uit hun midden gekozen burgemeester "De MAJOR (burgemeester) der Mixtiezen". Vandaar ook de naam ke-MAJOR-an ( gebied van de burgemeester)
Kemajoran was dus van het begin af aan een buurt waar ‘halfbloeds’ woonden en had heel lang een slechte reputatie., niet in het minst vanwege de vele vechtpartijen die daar plaatsvonden.
In Kemajoran ontstond de melancholieke krontjongmuziek, maar hier ontstond ook de poekoelan Kemajoran, een vechtkunst tot op de dag van vandaag, ontstaan in de 17de eeuw in het VOC-tijdperk van Jan Pieterszoon Coen. Immers toen al werden de Indo’s door hun gemengd bloed anders behandeld door enerzijds de Europeanen en anderzijds de inheemse bevolking. In die woeste tijd werden conflicten beslecht door daadwerkelijke gevechten en werden de Indo's vaak gedwongen om zich te verdedigen.
Van regeringszijde werd oogluikend de verkoop van “mixtiezenkinderen” toegestaan.
In het jaar 1676 kwamen er uit Holland orders waarin uitdrukkelijk stond vermeld dat “Indische kinderen” of “mixtiezen” onder geen beding gelijke rechten mochten hebben als de “outlanders” (uit Europa geïmporteerde Hollanders,Totokkers).
Kemajoran werd allengs de wijk van de outcast, de mensen in wie het Hollands bloed stroomde , maar door Holland niet voor vol werden aangezien.
Kemajoran ,de wijk van de Indo”s, van hen die qua afstamming behoorden tot twee werelden, de wijk waar ik was geboren en waar ik thuis hoorde en me ook thuis voelde of zoals de Indo placht te zeggen: “Senang”, omdat ook ik een kind was van twee werelden, afstammeling van een Amsterdams geslacht weliswaar, maar in wie ook het oosters ( Javaans, Madoerees, Chinees) bloed stroomt.
Toen we in de Vliegveldlaan kwamen wonen bleek ook die straat zoals zovel straten in Kemajoran de oorlog niet ongeschonden te zijn doorgekomen.Diverse huizen, die voor de oorlog nog in al hun Indische pracht stonden te pronken in deze buurt, waren afgebroken, platgeschoten of platgebrand En de opengevallen plekken waren inmiddels op een snelle en agressieve manier ingenomen door alang-alang, en wild struikgewas.
En ook de zuivelfabriek van DENUO, die tegenover ons huis (Vliegveldlaan nr. 110) stond was er niet meer. Waar voorheen de machines stonden te draaien, stond nu zo’n 80 cm. hoog de alang-alang.
Maar er werd in de straat ook weer en nieuwe fabriek gebouwd, de de ASPRO-fabriek. Kortom, de wijk zag er anders uit dan vóór de oorlog, maar de sfeer en het karakter waren dezelfde gebleven. Het was niet alleen mijn geboortegrond, maar ook mijn dierbare thuisgrond .
Tegenover onze nieuwe woning op nr. 56 lag nu ook een alang-alangveld, al waren daar ook een paar warongs gebouwd van bilik (vlechtwerk van gespleten bamboe) met atap-daken ( palmbladeren).
Deze warongs waren niet die ik regelmatig bezocht als ik geld had .Hun assortiment was beperkt tot djadjanan (snoeperijen), die mijn smaakpapillen niet bijzonder konden strelen.
Neen, dan ging ik liever naar de verkopers die voor de Chinese warong stonden zo’n 300 meter van ons huis vandaan als ik de poort uitkomend linksaf ging of de verkopers die hun stalletje hadden voor de Chinese warong rechts van ons huis (ongeveer 30 meter).
Eerst maar een bezoek aan de locatie rechts van ons huis. Deze Chinese warong was, net zoals die links van ons huis en net zoals de meeste Chinese warongs , een winkeltje waar je de alledaagse boodschappen kon doen zoals rijst, olie,zout, boter, ketjap, etc.
Wat mij meer aansprak waren de stalletjes die vóór deze warong stonden. Zo stond er altijd een stalletje waar koewé soetil werd verkocht een soort gele poffertjes, waarvan het deeg in plaats van met melk met kokosmelk was gemaakt. Deze koewé soetil heb ik vaak voor ontbijt gehaald.Lekkerder dan brood!
En dan en kopje koffie toebroek erbij.
Verder stond er voor de warong ook altijd een mannetje, die gado-gado verkocht. Ik was een grote fan van hem en wanneer ik een portie gado-gado bij hem bestelde, mocht ik zelf in de bak met rawits (kleine hete pepertjs) graaien en het aantal bepalen (voor mij goed heet!).Als ik aan de beurt was dan gooide ik de door mij uitgezochte en van hun steeltjes ontdane rawits in de platte tjobek (vijzel) . De verkoper maakte de rawits fijn met de oelek (stamper) nadat hij er wat trassi (garnalenpasta) en wat zout had bijgedaan, dan deed hij er twee eetlepels dikke pindapasta bij en verdunde het sausje met wat water, niet te dun, de saus moet lekker stevig zijn. Dan deed hij er wat ketjap (sojasaus) bij en wat citroensap, Hiervoor gebruikte hij djeroek nipis ( kleine lemoen).Als de saus klaar was begon hij met het snijden van de overige ingrediënten Wat gebakken tahoe (tofu) en tempé (sojabonenkoek) ging in de saus, gekookte kangkong (waterspinazie), geblancheerde taugé en (wat ik zelf heel lekker vindt) gekookte paré ( bittere komkommer) en komkommerschijfjes. Daarna werd alles door elkaar gehutseld en in een pakje van bananenblad gewikkeld, waarna het pakje werd dichtgemaakt met een biting (stukje nerf van en palmblad waaraan een scherp puntje is gesneden) en kreeg ik het pakje mee. Thuis in de voortuin heerlijk smikkelen.
Let op: U heeft hierboven zo maar ( voor niks!) een recept gekregen., leuk toch?
Voor de Chinese warong links van ons in de straat stonden veel meer stalletjes. En allemaal het bezoeken waard!
Zo stond er een man met een draagbaar stalletje die taugé goreng verkocht (met ontjom!), een roedjak-verkoper, een stalletje waar men frisdrank en ijs verkocht, kortom er was daar genoeg keuze, afhankelijk van mijn budget op dat moment.
De ijsverkoper verkocht o.a. “ijs Shanghai’, en soort sorbet van stukjes fruit en schraapijs, overgoten met wat limonadesiroop ( ik koos meestal de groene, palasiroop, met de smaak van nootmuskaat)en gecondenseerde zoete melk.
Ook zat er ’s avonds regelmatig een saté-verkoper en ( alleen overdag) een man die jamboe aer ( de kleine roze soort) verkoopt, waarbij je bij aankoop ook zout, gemengd met gemalen rawit krijgt, waarin je de jamboe’s kunt ‘dopen’, voordat je ze opeet.
(voor het vervolg zie het artikel “Kemajoran II” op deze weblog)