Naar de inhoud

't FRONT

1914-1918 & 1939-1945
akke.beakke.be
EERSTE & TWEEDE WERELDOORLOG

Archief

Oorlogsdagboek S.O.E agent Marcel Becquaert (deel6)

19 september 1944

Uit deze 4000 man werden 500 geselecteerd, rekening houdend met technische kennis en gezondheid.  Ik had mij als autogeenlasser aangegeven  Ik kreeg een voorkeur behandeling en mocht werken in een verwarmde werkplaats, terwijl de anderen in een grote koude hall verbleven. We kregen een nieuw stamnummer (ik had 98163) een broek en vest met blauwe en witte strepen, een paar halve klompen overdekt met een grijze stof en sommigen onder ons kregen als toemaatje een versleten hemd of een muts.

We werden per trein 70 km verder gevoerd en stopten in het station van Rahtenow.  Vandaar te voet (ditmaal tussen gewone Wehrmacht soldaten) naar een verlaten kamp op 2 km van de Aradow vliegtuigfabrieken.  Dagelijks en in alle weersomstandigheden moesten we die weg afleggen, op slecht passende klompen. In een afgezonderde loods, omgeven door prikkeldraad, moesten we de vleugels van de V2 vervaardigen.

In onze barak hadden we een kapo (Fritz genaamd), die wanneer we zijn accordeon muziek niet op prijs stelden, wild in het rond sloeg met zijn dikke vuisten.

Ik kan U vertellen dat honger, koude, mishandelingen en slavenwerk dagelijkse kost waren, maar een idee geven van de werkelijke sfeer, kan niet onder woorden gebracht worden.  We waren slechts “Schweinhunden”.  Ons dagelijks uurrooster : om 4u30 opstaan uit onze stapelbedden.  Als matras hadden we in reepjes gesneden krantenpapier, één armzalig dekentje, zodat we verplicht waren met broek en vest aan te slapen.  Op bevel van de kapo vlug naar de verzamelplaats om zich om beurt te wassen, zonder zeep noch handdoek, dit zolang de kranen niet bevroren waren. Als ontbijt een ½ l “ersatz” koffie.  Nadien de barak reinigen, om een uur nadien terug aan te  treden voor het ochtendappel.  In de bittere koude, sneeuwvlagen of regen, stonden we daar onbeweeglijk, zoniet kregen we stokslagen.  Na het tellen en nogmaals tellen, tot het effectief klopte, gaf de kampoverste de toelating om naar het werk te vertrekken. In het buitengaan aan de poort nogmaals geteld, wie niet juist gelijnd was kreeg terug een stokslag op het hoofd.  De Russen kregen op het einde van het jaar een betere behandeling  en zorgden voor de keuken en het transport van het eten.  Daaruit konden we opmaken dat het Russische leger vorderingen maakte.

 

27 april 1945

Reeds een paar dagen horen we zwaar gerommel van artillerievuur.  Waarschijnlijk zijn de Russen Berlijn aan het veroveren.

Deze morgen een eigenaardige stilte ! We krijgen geen bevel om op te staan, geen appel, geen Duitse bewakers meer, zelfs de kapo’s zijn er van onder gemuisd.  In de omheining is een groot gat, waarlangs de kapo’s en de Russische gevangenen ontsnapt zijn gedurende de nacht.  Eenmaal klaarlichte dag, komt op zijn eentje een Russische verkenner binnengestapt.  We waren vrij, maar nog niet thuis.

 

Einde april 1945

Vermits de Russische artillerie de stad Rathenow bestookte en dat er gevechten waren tussen  Russen en Amerikanen aan de Elbe, verkozen Falesse en ik  ons schuil te houden in een klein dorp.  Al wat Russische nationaliteit had, zowel KG, als werklieden, trokken in colonne naar het Oosten. Onderweg eisten ze alle paarden, karren, landbouwwerktuigen, huisgerief, vee voedsel en kledij op.

De stoottroepen waren hoofdzakelijk Tartaren, we zaten er midden in.   Op een nacht  kwam een dronken soldaat de slaapkamer van de boerderij binnengestormd, met pistool in aanslag.  Hij veronderstelde waarschijnlijk, vermits ik op de grond sliep en Falesse en nog een andere Belg in het bed lagen, dat ik de Duitse boer was.  Hij richtte al vloekend zijn wapen op mijn borst en broebelde wat in het Russisch.  Langzaam haalde ik mijn gestreepte vest van onder het bed  en zei “Partizanski”. Hij vertrok terug al vloekend.  Hier was ik toch wel heel dicht bij de dood.  Alhoewel een Rus ons de opdracht gaf  op de koeien te passen, zijn we zo vlug mogelijk terug gekeerd naar Rathenow. Onderweg namen we ondergoed, een nieuwe broek en wat eten  in beslag. Ik behield mijn gestreepte vest, want ze had mij het leven gered.  Na een paar dagen rust in de half uitgebrande stad vertrokken we terug Westwaarts.  Ik had een fiets gestolen van een Rus en kon zo de uitgeputte Falesse op de buis van de fiets meenemen.   Op de terugweg stonden richtingsaanwijzers waarop in het Engels een verzamelplaats aangeduid stond voor Engelse KG.  Wij daar naartoe, dit was misschien  de  oplossing om vlug gerepatrieerd te worden.  Toen we het kasteeltje binnen gingen, kwam ons, tot onze grote verrassing, een Russisch officier  tegemoet die ons in het Engels te woord stond. Hij verzocht ons na de middag terug te komen.  We vertrouwden de zaak niet en zijn verder gereisd naar het volgende dorp.  Daar kwamen we terecht bij een Russische veldkeuken, waar we mochten mee-eten. In een verlaten boerderij ontdekten we in de schouw een gerookte kip.  Was dat lekker. Na een nacht doorgebracht te hebben tussen dansende en zingende Russen, werden we naar een bewaakte verzamelplaats geleid  Onze fiets waren we kwijt, ze wilden nagaan hoe dit ding werkte.

Van een schildwacht kreeg ik de helft van zijn rantsoen brood en worst en zelfs een pakje sigaretten. De paar woorden Pools die we geleerd hadden in kamp Miranda, kwamen nu goed van pas om ons verstaanbaar te maken.  De volgende dag werden we per GMC (USA camion)  dicht bij de Elbe gebracht, in afwachting van een uitwisseling van Russische en West Europese KG.

Eenmaal in handen van de Amerikanen, werden we gelogeerd in een kazerne, waar grondig medisch onderzoek en desinfectie gebeurde.  Aan ons verzoek ons over te vliegen naar Engeland, werd geen gevolg gegeven.  Het zou vlugger gaan per spoor.

Terug in beestenwagens, maar dit maal met open deuren.  Via Leipzig, in kleine etappes, geraakten we in Luxemburg.  Namur was onze eindbestemming.

 

9 juni 1945

Aankomst in het station van Namur.  De bevolking van de stad was verwittigd van onze komst en was in massa aanwezig om ons te verwelkomen.  We werden opgevangen door het Rode Kruis, dat ons eten en drinken gaf.  Ter plaatse werden we oppervlakkig medisch gecontroleerd. Makkers die in slechte conditie verkeerden, werden onmiddellijk afgevoerd naar een kliniek.  Er was zelfs een dienst aanwezig die Duitse Marken uitwisselde tegen Belgische franken.  Ik denk niet dat één politieke gevangene  een Mark bezat.  Van elke PG werd een steekkaart opgemaakt (mijn ref. was R47,R36,R51)

Een aantal Belgische arbeiders  die in de Duitse industrie tewerkgesteld waren, kwamen met dezelfde trein naar huis. Deze jongens  werden uitgefloten en beschimpt, er werd geen onderscheid gemaakt  of ze vrijwillig dan wel verplicht tewerkgesteld waren.  Enkele burgers nodigden ons zelfs uit om een pint te drinken.  Het was goed gemeend, maar we hadden dringender zaken te regelen.  Dezelfde dag ben ik met Bob naar Brussel gereisd om bij hem thuis te overnachten.  Ik durfde niet naar huis bellen uit schrik dat ik mijn ouders niet meer terug zou vinden.  Gelukkig had het Rode Kruis reeds het nodige gedaan.  Mijn ouders zijn zoals beloofd door de officier van de SD nooit verontrust geweest.

 

 

10 juni 1945

De Commandant De Winiwarter, afgevaardigde van de 2e Directie, bracht me per auto naar Harelbeke.  Hij wist me te vertellen dat zijn dienst mijn spoor gevolgd had tot in Vucht  en dat ik door het Duitse gerecht ter dood veroordeeld was.

Ik ben aan de executie ontsnapt door het feit dat Breendonk zo snel mogelijk en in de grootste wanorde ontruimd werd.

Het geluk van terug thuis te komen, de tranen van blijdschap, de omhelzing van mijn ouders en van mijn liefste Paula, die haar woord gehouden had, dat is iets wat je nooit vergeet.

Telegrammen met gelukwensen en bezoekers overspoelden ons.

Zelfs naoorlogse helden kwamen zich verontschuldigen met woorden : “ had ik het geweten dan had ik ook….”

Nu volgde de zware taak de ouders van mijn gesneuvelde makkers André en Robert, te bezoeken en te troosten.

Van Robert Deprez was reeds bekend dat hij met zijn vliegtuig neergehaald werd in Nederland (Hansweert) en verdween in de Westerschelde. Van  Schaepdrijver André wist men alleen dat zijn laatste verblijf in het concentratiekamp van Mauthausen was. Bij de ontruiming van het kamp, gedurende de dodenmars, bleef geen spoor meer van hem over.

 

 

 

Gesneuvelde helden met plaats van veroordeling:

 

 

Christiaens Victor   

 

Munchen

Deprez Robert          

 

Hansweert

Descamp Albert       

 

Harelbeke

Desimpelaere J.      

 

Munchen

Goethals Arthur       

 

Gent (opgehangen)

Schaepdrijver Andre        

 

Mauthausen

Six Jules

 

Munchen

Vandamme Albert

 

Dachau

Windels M.

 

Munchen

 



33367-d313920de74f75604d2d60fd26c58558.jpg

33367-62bf1edb36141f114521ec4bb4175579.jpg

33367-8cda81fc7ad906927144235dda5fdf15.jpg

33367-db8e74df8d74f3efdd249a3fd3a466da.jpg
Geschreven door DP om 00:00

Een vergeten monument 2

Graaf Paul de Goussencourt

 

Foto's van het   graf van Paul de Goussencourt  op de Belgische Militaire Begraafplaats te Adinkerke. 

Foto's van de Kapel voor graaf Paul de Goussencourt ook, “Vliegenierskapel” genoemd, te KAASKERKE - DIKSMUIDE.


9558-6dfe8354f0f8d8d2fe2fde1061251636.jpg

9558-9b81ee590d27c91277ce8f36280285e3.jpg

9558-4cf6bbd0622ddb1f84d8ad519cbe0a80.jpg

9558-b03bffd09032838a5ede8ca054f80880.jpg
Geschreven door DP om 12:38

Een vergeten monument!

Graaf Paul de Goussencourt

 

Paul de Goussencourt is vrijwilliger bij de Belgische luchtmacht en sergeant piloot bij het 3e eskadron (smaldeel) dat haar vliegveld heeft in de Moeren. Op 12 mei 1917 meld de graaf zij als vrijwilliger om een verkenningsvlucht voor de Belgische artillerie ui te voeren. Samen met zijn waarnemer Luitenant waarnemer Léon Adelin Decubber stijgt hij op achter de stuurknuppel van zijn Farman 40. Zij maken een observatievlucht boven Diksmuide om hun eigen artillerie eenheid en grondgeschut te ondersteunen. Boven Kaaskerke wordt hun vliegtuig door de Duitse Luchtafweer beschoten en geraakt! Het toestel stort brandend neer in een weide niet ver van de IJzer te Kaaskerke. Beide militairen overleven de Crash niet .

 

Paul Ernest Antoine Marie Ghislain Hervey Stanislas de Goussencourt werd geboren op 14 januari 1892 te Obourg, Hai (B) en overlijdt op 12 mei 1917 te Kaaskerke, Diksmuide. hij word begraven op de Belgische Militaire Begraafplaats te Adinkerke op 15 mei 1917(graf 2230).  Hij is werd 25 jaar.

 

Luitenant Léon Decubber werd geboren te Anderlecht (Cureghem) op 23 februari 1893. Hij wordt naast Paul de Goussencourt begraven (graf 2229). Op 20 juli 1921 wordt zij stoffelijk overschot overgebracht en herbegraven te Evere.

 

Een vergeten monument

 

Kapel voor graaf Paul de Goussencourt ook, “Vliegenierskapel” genoemd,

te KAASKERKE - DIKSMUIDE

 

In 1923 wordt de vijfhoekige neogotische kapel nabij de Kapellestraat te Kaaskerke, Diksmuide, opgericht als herinnering aan baron Paul de Goussencourt.

De familie van de piloot kocht een stuk weidegrond en liet op de hoek deze herdenkingskapel bouwen. Het was de bedoeling om hem in de kapel te begraven maar dit werd niet toegestaan. Deze merkwaardige neogotische kapel, opgetrokken in natuurstenen blokken, bevindt zich in bouwvallige en verwaarloosde toestand (toestand november 2006), hoewel geklasseerd monument.

In 2002 was deze kapel zelfs nog volledig omringd en overwoekerd door struikgewas.

 

Technische beschrijving

  • Vijfhoekige, neogotische kapel, opgebouwd uit natuurstenen blokken.
  • Voor-, zij- en achtergevel zijn voorzien van trapsgewijs versmallende steunberen.
  • In de muurvlakken zijn spitsboogvormige vensters uitgespaard, voorzien van maaswerk en glas in lood.
  • De voorgevel heeft een spitsboogvormige toegang met een rechthoekige ijzeren deur, opzij voorzien van twee rondzuilen op basement en met palmetkapitelen.
  • Het tympanon is versierd met een drielob. Hierboven bevindt zich een klein roosvenster met maaswerk opgevuld.
    Op de puntgevel met vlakke uiteinden staat een natuurstenen kruis.
    In de kapel is tegen de noordkant een rechthoekige gedenkplaat van wit marmer opgesteld.
  • Het absisvenster heeft twee ramen met glas-in-lood met de voorstelling van de H. Paulus en de H. Julius.
    (Bron : JABOBS M., "Zij, die vielen als helden", Brugge, 1996, 2 delen - Uitgave Provincie West-Vlaanderen)

 

.

Paul de Goussencourt werd onderander gedecoreerd met het Oorlogskruis 1914-18, de IJzermedaille en Ridder in de Orde van Leopold II.



29-fda23dea8b4e7ba81463ed89213d73d4.jpg

29-df9c0c8209570aa21d945bf68d19ee31.jpg

29-bc68138a780695e6c4791abe1bc885bd.jpg

29-d89f8359edc7d84465db4be60b9b9420.jpg

29-9bb3b68584950a293f749a3b8c0fc55f.jpg

29-2966c9212e2f03f66e466fe9a780586b.jpg
Geschreven door DP om 17:28

De Franse begraafplaats St.Charles-de-Potyze

De Franse begraafplaats  St.Charles-de-Potyze

te Zonnebeke

 

Het ontstaan van deze Franse oorlogsbegraafplaats, het grootste in België, dient gezocht te worden in de onmiddellijke om­geving van de “ambulance St.-Charles” of “ambulance de Frezenberg” tijdens de eerste slag om leper. Deze hulppost is geïnstalleerd in de gebouwen van een wijkschooltje, een afdeling van het Ieperse St.-Jozefsinstituut. Het schooltje staat in feite noch aan de Potyze, noch aan de Frezenberg, maar dicht bij de Verlorenhoek op de plaats van de huidige begraafplaats.

De verbandplaats fungeert als verzamelpunt voor zwaar ge­kwetsten die vanuit de verschillende regimentsposten,over Zonnebeke verspreid, doorgestuurd worden nadat ze de eerste zorgen hebben gekregen. De lichtere gevallen worden in de eenheid zelf behandeld.

Het aantal sterfgevallen te wijten aan kwetsuren is er ont­stellend hoog, en op menige overlijdensakte treffen wij de formule aan “Décédé par suite de blessures de guerre” of “par éclat d’obus”.Velen onder hen bezwijken in de verband­post. Zij worden, door de brancardiers, in de naaste omgeving begraven. Dit verklaart de concentratie van een groot aantal Franse en ook Britse begraafplaatsen aan de Verlorenhoek en de Potyze, waar een Britse verbandpost is gevestigd in het kasteel.

De vele Franse eenheden, die langs de baan van Zonnebeke naar leper marcheren, trokken eraan voorbij, en één onder hen Elie Chamard brancardier bij het 77ste R.I.beschrijft de begraafplaatsen als volgt:

 

“ Langs de baan van de Frezenberg naar de Menenpoort treffen wij overal militaire kerkhoven aan.Op de kruisen zien wij Franse kokardes of rode kepies. De graven zijn overvloedig versiert met bloemen die vers geplukt zijn in de serres van het Minneplein te Ieper. Midden de sneeuwvlakte ge­ven ze een kleurrijke noot aan het trieste tafereel.

Iedere divisie of onderdeel heeft er een eigen hoekje, waar eigen gesneuvelden worden bijgezet. De begraafplaats is degelijk georganiseerd, en er zijn nauw­keurige lijsten voor handen. Alle graven hebben een nummer, zodat er zich in principe na de oorlog geen moeilijkheden kunnen voordoen bij het opzoeken ervan. Van alle militairen, die op de begraafplaats begraven worden, krijgt de familie gedurende de oorlog de nodige inlichtingen. Deze informatie word verstrekt door het depot van het regi­ment, door middel van het “formulier 5”. Meestal is dit formulier ook vergezeld van een schetsje, waarop in grote lijnen de ligging van de begraafplaats is aangeduid.

Op 10 november 1914 gaat de Duitse beschieting ongenadig te keer. De Franse stellingen rond Zonnebeke worden totaal vernield. De 2de Cie van het 32ste RI verliest één derde van haar effectief ( 60 op 180).Langs de Passendalestraat sneuvelt Augustin Sabourin, van het 125ste  RI, samen met zijn kapitein Orophane. De twee gesneuvelden zullen pas twee maanden later, op 12 of 13 januari 1915, tezamen begraven worden. SABOURIN, Augustin Leon soldaat  bij het 125sre  R.I. is geboren te St. Lignaire op 28.7.1891en gesneuveld te Zonnebeke ( op 10.11.1914 volgens de uit­spraak van de rechtbank in Niort op 18.07.1919.) woont te St. Lignaire (Deux-Sevres) Hij zal er ingeschreven worden  in de overlijdensregisters van deze gemeente nr. 17 van 1919. Na de oorlog   wordt het lichaam van soldat Sabourin niet teruggevonden dat van kapitein Orophane wel. Dit laat ons vermoeden dat ook het lichaam van Augustin is weergevonden na de oorlog, maar dat het niet meer geïdentificeerd kon worden. Te St. Lignaire is er wel een herinneringsplaket aan het familiegraf bevestigd, doch het register van de ter aarde­bestellingen vermeldt nergens zijn repatriëring.Op het herinneringsplaket staat september ipv november??

 

Wanneer in april 1915 de laatste Franse eenheden definitief de sector Zonnebeke - Ieper verlaten, en hun stellingen door Britse eenheden worden overgenomen, telt de begraafplaats duizenden graven. Na de Duitse doorbraak in mei 1915 komt de begraafplaats echter midden in de vuurlinie te liggen. Onder het onophoudend artillerievuur verdwijnen een na een de kruisen, die de kost­bare informatie bevatten voor latere identificatie. En wanneer op 31 juli 1917 de derde slag om Ieper begint, verdwijnt meteen elk uiterlijk teken van wat eens een begraaf­plaats is geweest...

Luchtfoto’s van Britse verkenningsvliegtuigen tonen alleen een trechterveld, waarin niets meer herinnert aan de aan­wezigheid van duizenden graven...

Wanneer het Duitse lenteoffensief van april 1918 (gericht op de Kemmelberg) losbreekt, evacueren de Britten voor de tweede maal alle eenheden uit Zonnebeke (de eerste maal was dit gebeurd in mei 1915). Tevens geven zij het zo moeizaam veroverde terrein op en de Duitsers naderen terug leper. Ze bezetten zelfs meer terrein dan in 1915-16. Waar eens de begraafplaats St.-Charles heeft gelegen, bevind zich tijdens de zomer van 1918 de eerste Duitse linie, de Frankenstellung. Deze stelling word op 28 september 1918, de eerste dag van het Bevrijdingsoffen­sief volledig overhoop geschoten, zodat nogmaals de grond en de verborgen graven omwoeld worden.

Blijkbaar is hen geen eeuwige rust gegund! Vanaf 1919 moet men de begraafplaats volledig her-opgraven. Een foto uit die tijd toont ons alleen een tiental grafheuveltjes en één keurig onderhouden graf Dit graf behoort toe aan zekere René Leclerc  van het 146e RI gesneuveld in 1914 (vermits deze naam heden ten dage niet meer voorkomt op het register van de begraafplaats, mogen wij aannemen dat het graf naar Frankrijk is overgebracht). Verder is er een door onkruid overwoekerde vlakte met resten van loopgraven en een plaatijzeren hut die dient als lijkenhuisje... Veel soldatenresten die eens op de dodenakker be­graven waren, maar nu niet meer kunnen geïdentificeerd wor­den, zijn in het massagraf gelegd.

 

Op 23.10.1920 bericht de Franse dienst voor opgra­vingen aan Mevr. Dublé, weduwe van Pierre Dublé, die in november 1914 op het kerkhof is begraven:

“L’ancien cimetière de Frezenberg a éte en­tiérement exhume par nos soins, il n’y avait aucun corps de 1914. Les recherches con­tinuent dans cette region. » Deze verklaring is moeilijk aanvaardbaar, uit een onderzoek terzake blijkt het tegendeel.

 

 St.Charles-de-Potyze fungeert vanaf 1919 ook als verzamel­plaats voor de overal verspreide graven. Die krijgen aan­vankelijk een grafkruis op de vindplaats zelf. Niet zelden brengen Franse families het graf in orde bij een bezoek aan de streek. Spijtig genoeg gebeurt het wel eens dat bij een ont­graving niets word teruggevonden onder het kruis. De familie vertrekt dan uiteraard ontgoocheld en komt nooit meer terug naar de streek! Andere verspreide graven bevinden zich op bouwterreinen, waar hoogdringend nieuwe woningen moeten opgericht worden. Bij ontdekking van een soldatengraf moeten in theorie de betrokken diensten verwittigd worden. Voor de Fransen is dit de « Service français d’etat civil en Belgique - secteur Flandres-Kemmel ». Deze dienst is aanvankelijk gehuisvest te Poperinge.  Wanneer een graf teruggevonden wordt, moet eerst een ganse administratie doorlopen worden. Dwz aangifte op het gemeentehuis, Poperinge verwittigen, wachten op officiële identificatie en ontgraving..) Zodoende lopen veel nivellering -en bouwwerkzaamheden aanzienlijke vertra­ging op. Dus in praktijk wordt er zelden een aangifte gedaan, maar in veel ge­vallen wordt de gesneuvelde wel beroofd van uitrustingsstuk­ken of persoonlijk bezittingen (o.a. Franse zilverstukken). Het graf wordt daarna eenvoudig weg weer dichtgegooid, zodat sommige aannemers de plaats kunnen aanwijzen waar Franse gesneuvelden onder keukenvloer of naast kelder­muren begraven zijn...

 

Aanvankelijk heerst op de begraafplaats de grootste wanorde. Van overal komen pas ontdekte lijken aan, die soms dagenlang in ruwe houten kisten op een hoek van de be­graafplaats blijven staan. Elders word in opdracht van de familie tot ontgraving overgegaan. Bij een eerste organisatie krijgen alle graven een een­voudig withouten grafkruis met de naam in zwarte letters. Het plan van de graven werd zodanig opgemaakt, dat langs beide zijden van de centrale laan alleen officie­ren worden begraven.

Veel oud-strijders, die deze bedevaart ondernemen als een piëteitsvolle hulde aan hun gesneuvelde kameraden, zijn diep teleurgesteld over de toestand van de Franse begraafplaatsen, dit zowel te Ieper als te Kemmel.

Zes jaar na het einde van de oorlog, wanneer alle Britse oorlogsbegraafplaatsen  reeds hun definitief, keurig verzorgd uitzicht hebben, laat de toestand op St.-Charles zo erg te wensen over, dat in het Franse oudstrijdersblad “La voix du Combattant” een noodkreet weerklinkt! Onder de titel “La misere des morts” verschijnt een zeer uitgebreid artikel, waaruit zowel onmacht als ver­bittering spreekt. De schrijver, zekere Edmond Boom uit  Comines (Fr.) bericht in een heftige taal:

“3000 van de onzen rusten in een stuk braakliggende grond, dat als naam draagt “Cimetière militaire français de St.-Charles Ypres”.

Op 50 meter afstand Iaat echter niets het bestaan van een uitgestrekte begraafplaats vermoeden! De ingangspoort, als men die zo mag noemen­,ligt in stukken uiteen, en de toegang is er voor iedereen, mens of dier, dag of nacht. (De schrijver bedoelt hiermee de vele landlopers nacht op het kerkhof doorbrengen).Achteraan op het Cimetière ziet men een soort hok, bestaande uit ijzeren platen van op het front, waarin 7 a 8 Iege kisten staan weg te  rotten. Vruchteloos zal men zoeken naar iets dat aan Frankrijk herinnert; alleen een klein monumentje werd er door de Ieperse (!) bevolking in 1920 opgericht

Amper een tiental graven die onderhouden zijn, en de plechtigheden op 1 of 11 november beperken zich tot het neerleggen van een bloemen­krans door de stad Ieper en de Britse gravendienst.

Door hun eigen land worden onze doden zelfs niet geëerd... Kruisjes, waarvan de letters langzaam door de regen worden uitgewist, vallen om, en het hart van de oud-strijders doet pijn, wanneer zij deze slordige 24 rijen van elk 120 graven zien.

Het Cimetière  ligt er meestal volledig verlaten niemand om te onderhouden, geen bloemen, geen beplantingen, overal gras en onkruid...

De vrachtwagenchauffeurs hebben de gewoonte aan­genomen om de ingang van bet kerkhof te gebruiken uit te wijken, wanneer zij een tegenligger op smalle weg zien aankomen. En tussen de graven is het nog erger: vermits er geen afwaterings­systeem is voorzien, liggen de meeste graven in een ware modderpoel.(Bij periodes van  hevige regenval is de situatie op de dag van vandaag nog zo )

En dat is nog niet alles! Naast deze verregaande verwaarlozing moeten wij nog een pijnlijker aspect vermelden: de voortdurende ontering en het gesol met de lijken van onze dierbare overleden strijdmakkers! Het ergste valt te zien in het zogenaamde Iijken­huisje. Eerst en vooral de grote hoeveelheden verwelkte bloemen en kransen die er rondgestrooid Iiggen, maar ook -en_ spijtig genoeg!- een stapel oude klederen en uniformstukken van de doden, waartussen ik zelfs het rode laken uit 1914 kan ontwaren...En daarnaast kan men een stapel lijkkisten zien, zo maar op elkaar gestapeld. De opengereten plan­ken kunnen noch beenderen, noch overblijfselen van militaire uitrusting verhullen.

Zo heeft men onze doden van onder hun kruisen met kokardes weggehaald, om ze boven de grond te Iaten verkommeren! En wij laten de driekleurige ko­kardes verroesten, de kruisen omvallen, de afslui­ting platgereden worden... Dat alles laten wij toe terwijl op tientallen plaatsen in Vlaanderen Engelse begraafplaatsen aangelegd worden. Men ziet er witte grafstenen, keurige omheiningmuren, en overal het grote,witte kruis met bet zwaard, als symbool en herkenningsteken.

Binnenkort zullen de toeristen zich afvragen of hier werkelijk Fransen hebben gestreden, want niets zal nog herinneren aan hun aanwezigheid.

Men ontgraaft, hergroepeert, brengt ganse kerk­hoven over, terwijl de Engelsen voor enkele tien­tallen graven een afzonderlijk kerkhof aanleg­gen.

Arme Franse gesneuvelden... Geen opschrift, geen enkele aanduiding herinnert aan jullie offer. Jullie hebben zelfs geen afsluiting, die bescher­ming biedt tegen de modder, die hoog opspat wan­neer de vrachtwagens voorbijrijden. En die vracht­wagens behoren meestal nog toe aan diegenen, die zich met Iood, koper en ijzer verrijken en woeker­winsten maken. Het lood, koper en ijzer van de velden waarop jullie gevallen zijn...Het kerkhof St.-Charles is werkelijk een schande voor Frankrijk! Onze Landgenoten zijn maar weinig talrijk in dit deel van België, maar zij allen zijn beschaamd over bun land, wanneer zij aan bun begraven kame­raden denken.Ik weet een klein Engels kerkhof, ver van alle belangrijke wegen, maar prachtig onderhouden. Dagelijks komen er nog lijken aan, die ergens in de velden verspreid, dreigden vergeten te raken. Wanneer de vrachtwagen is aangekomen, leggen twee mannen de Britse vlag op de kist, en dragen die dan naar de laatste rustplaats. Toevallige aan­wezigen houden halt en groeten.Zo gaat het er aan toe op een Engelse begraaf­plaats.

Maar helemaal anders is bet gesteld op St.-Char­les. Het kerkhof, dat bekend is aan iedereen, Iigt langs een belangrijke baan. En daarbij liggen er toch zo’n 3000 begraven... maar in een moeras. Dikwijls verzamelt  men de onbekenden, die nog overal gevonden worden. Zij worden aangebracht in tentzeilen, en omdat zij nu niet zwaar meer wegen, draagt een man er dan maar twee of drie naar achter. Daar worden zij in houten bakken die niets te zien  hebben met een kist, op elkaar gestapeld onder een oude ijzeren plaat. Daar kunnen zij soms weken blijven  staan tot er genoeg zijn om naar Kemmel  te worden afgevoerd. Waar t zij dan in een vergetelheid zullen wegzinken! 

Naar aanleiding van dit artikel volgen een aantal reacties van oud-strijders- en vaderlandslievende verenigingen. De “Souvenir Français” richt een energiek protest aan het Franse ministerie, met de vraag welke be­doelingen de Franse staat met dit “Cimetière” heeft.Tevens verlangen zij dat het krot, dat als lijken­huisje dienst doet, vervangen zal worden door iets dat die naam waardig is. Het antwoord van de betrokken minister vermeldt uitdruk­kelijk dat de begraafplaats zal behouden blijven als aandenken aan de Franse aanwezigheid in de regio Ieper. Tevens zal ervoor ge­zorgd worden dat alle graven een waardige grafsteen krijgen, en dat afsluitingen en paden in orde zullen gebracht worden.Op zondag 19 april 1925 concretiseert het verzet tegen de lamentabele toestand zich in een indrukwekkende betoging. Een vijftigtal Franse en Belgische oudstrijdersverenigin­gen houden er een stilzwijgend protest tegen de verregaande vervuiling van de begraafplaats. Geen enkele redevoering wordt er uitgesproken! Men hoort er alleen klaroengeschal en men ziet er de aanwezige vaandels die zich buigen over de rijen omgevallen kruisen... Daarna volgt het appel van alle aanwezige verenigingen. Een is een eenvoudig maar waardig protest. Op 15 juli 1927 wordt op de begraafplaats een onbekende soldaat ontgraven. Voor deze gelegenheid is ertussen het hoog op­geschoten gras en onkruid een rouwkapel opgericht, en is er een Belgische erewacht aanwezig. De onbekende Franse soldaat wordt nadien overgebracht naar Laken, waar een groot monument werd opgericht voor de “Poilu inconnu”. Te Parijs bevindt zich ook een monument met het graf van een Belgische onbekende soldaat.

Pas op zondag 02 mei 1928 wordt de begraafplaats ingewijd door de bisschop van Rijsel. Naast militaire detachementen zijn er ook veel oud-strijders aanwezig. Aan familieleden van gesneuvelden worden postuum onderscheidingen uitgereikt. Volgens de wet van 13 augustus 1914 en 01 oktober1918 ontvangen alle gesneuvelden het oorlogskruis met bron­zen ster en het militair ereteken. Ter gelegenheid van deze plechtigheid wordt er een centrale in­gangspoort geplaatst, identiek aan deze op de militaire begraafplaatsen in Frankrijk. Het cimetière heeft ondertussen ook een beter uitzicht gekregen, maar nog steeds zijn de houten kruisen niet vervangen. Bij slechte weersomstandigheden is alleen het middenpad begaanbaar, en het onderhoud van paden en beplantingen laat veel te wensen over.Pas in de jaren ‘30 zullen de houten kruisen vervangen worden door betonnen crucifixen (dergelijke kruisen zijn nu nog te zien op de meeste andere Franse begraafplaatsen in Vlaanderen en op veel plaatsen in Frankrijk) Joden en Moslims krijgen uiteraard een graafsteen die is aangepast aan hun geloof.Tijdens de tweede wereldoorlog ligt het Franse dodenakker (evenals de Britse) er verlaten en verwaarloosd bij, dit wegens het weg­vallen van de mensen die voor het onderhoud moeten instaan. In 1947 wordt door de Diepere bevolking een nieuw monument opgericht boven op het massagraf, dit in vervanging van het ar­duinen kruis in de middelste laan. Deze driezijdige obe­lisk draagt als opschrift “Hommage de la population Yproise - 20.10.1922 - 18.5.1947.

Het monument is het werk van de steenhouwers Beun en Verspeelt uit Ieper, naar ont­werp van architect  Gits. Onderaan zijn verscheidene oude herdenkingsplaten aangebracht van de oud-strijderverenigingen van het 32ste,125ste, 66ste RI en de 17de divisie.

 

In 1968 werd een moderne, Bretoens geïnspireerde kalvariegroep opgesteld aan de straatzijde. Het indrukwekkende monument i­s het werk van de beeldhouwer J.Freour, en stelt de treurende moeders en weduwen voor bij het lijk van een gesneuvelde zoon.

Vanaf 1975 worden de grauw geworden grafkruisen met hun on­leesbare naamplaatjes vervangen door nieuwe kruisen uit een witte kunststof vervaardigd. Ook de ingangspoort en de wandelpaden worden opgefrist zodat het kerkhof nu weer een verzorgd uitzicht heeft. De werken zijn eind 1978 beëindigd

 

 

Als grootste Franse oorlogsbegraafplaats in België telt het mo­menteel 3495 graven met 3547 lijken, en achteraan twee massagraven met 609 niet-geïdentificeerde Poilu’s. De meeste onder hen zijn gesneuvelden tijdens de eerste oorlogs­winter. Zij zijn afkomstig van alle slagvelden in Vlaanderen waar Franse troepen ingezet zijn. Een klein gedeelte is gesneuveld rond de Kemmelberg in april 1918 en tijdens het bevrijdingsoffensief in september en oktober 1918. Rechts naast de ingang bevindt zich een kastje met de lijsten van de begraven soldaten. Er is ook een register voor de bezoekers.

 

 

In recente anonieme graven achter aan de begraafplaats liggen de stoffelijke resten van Franse militairen die gevonden werden door de Diggers tijdens de archeologische opgravingen in het industriegebied langs het Kanaal Ieper-IJzer. Eén van de gevonden lichamen kon worden geïdentificeerd: François METZINGER, soldaat van het 3de Zouaven, die dienst nam in 1900 in Constantine (Algerije). Hij sneuvelde ergens tijdens de gevechten na de eerste gasaanval tussen 28 april en 24 mei 1915. Zijn voorlopige graf op het slagveld raakte in latere gevechten verloren, tot het op 2 juli 1998 werd herontdekt door de Diggers.

 
Geschreven door DP om 10:35

Foto uit 1914

Foto uit 1914
Geschreven door DP om 00:00

Ook zij vielen voor hun vaderland (1)

1 Joseph Beck 11de Infanterie Regiment ,gevallen nabij Ieper op 9juni 1917, hij ligt begraven te Langemark. 
2 Hans Muck onderofficier In het Koninklijk Beierse 8ste Reserve Veldartillerie Regiment gevallen op 26-07-1917 nabij Soveja In Roemenië, ligt begraven in Comciul in Hongarije.
3 Josepf Lucas gevallen bij Verdun hij diende als onderofficier medische dienst bij het 13de Reserve Infanterie Regiment.
4 Johann Grill 5 Beiers Cavalerie Regiment,overleden aan zijn verwondingen op 18-03-1916 en begraven op de Duitse begraafplaats  te Neuvile-StVaast (Frankrijk) Blok 22 graf 273.

22-281af8ffbfdb13659009de4bee89b7fe.jpg

22-aa0a6de8fe80383e0cd5be313439e1cb.jpg

22-52de8a75e132716b841c82bb007ffcea.jpg

22-3e602dd0ab83a3a8c3f32309bb9a88f9.jpg
Geschreven door DP om 00:00

Meer van 't FRONT

↑ Terug naar de berichten