Orpheus en Eurydicè (1)
|
Orpheus en Eurydicè (1) De onbezorgdheid en de vrijheid, het teugelloze van de jeugd die het landschap, de hele aarde en de wereld betovert met de lente van het leven, de bloesems en de duizend kleurige geuren die de hemelen zalven tot hoog in het blauwste. Zo gaat het verhaal van start tussen dansende nimfen en muzikale faunen in bossen vol zwammen, maretakken, bessen en frambozen. Maar de adder. De adder onder het gras. De adder, altijd weer de adder. Een adder verleidde de eerste vrouw om van de appel te eten van de boom van de kennis en zij gaf ook haar man ervan te eten en de hele mensheid werd erdoor vergiftigd. De adder maakte van het mensdom adderengebroed. Zij trapte achteloos op een adder wijl zij zwierig door het hoge lover liep en zong en danste, tot jolijt van alle nimfen die haar met liederen omkringelend haar gestalte tooiden als met een levende kroon, een wolk van engelen. De adder beet haar in de hiel, in de Achilleshiel, zij viel, de wielen van de zonnen in de lucht stopten met draaien, alle haaien haastten zich naar de diepste diepten van de oceaan, als wilden ze zeggen: wij hebben het niet gedaan! Zij kwam ten val, in het hoge gras, zij riep nog de naam van haar geliefde, de echo van haar stem werd door de verste verten koud weerkaatst, Orpheus snelde toe, te laat, hij boog zich over zijn gade, legde haar bleke hoofd in zijn schoot en door de luchten sneed op haar beurt nu zijn stem: Euridicè! Euridicè! Mijn Euridicè! Vruchteloos wachtte hij op een antwoord en hij besefte nu dat het van gene zijde niet langer tot bij hem kon komen. Hij boog het hoofd, kuste haar op de bleke lippen, koud, de ogen open, glazig, starend in het niets. Mijn Euridicè. Maar zij was er niet meer. Tallozen hebben over de dood gefilosofeerd maar de dag dat het leven hen confronteerde met de wegnemer ervan, verstomden zij en dat deden zij voor immer. Nevermore, aldus weerklinkt de roep van de grote wiskundige en kosmoloog, Edgar Allan Poe, in zijn verstikkende gedicht uit de bek van de pekzwarte raaf in The Raven. Nevermore, u hoort het goed en het is geen vergissing, geen zweem van twijfel over de waarheid van dat oordeel, van die kwalijke veroordeling. "Lord, help my poor soul", zo klonk het uit zijn stervende mond in 1849. Euridicè stierf nog lang voor de tijd van Ovidius en voor die van Vergilius die beiden tijdgenoten waren van Jezus Christus. Zij gaf derhalve ongedoopt de geest en belandde aldus onder het gezag van Hades of, zoals de Romeinen het verwoordden, in het hol van Pluto. Eens verdwaalde de grote dichter Dante, gekomen in het midden van zijn leven, in een duister woud en vond daar prompt een poort onder het opschrift: “Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt!” Hij trad naar binnen, naar beneden, in het gezelschap van Vergilius, de dichter die zijn raadsman was omdat die ooit van Orpheus moet vernomen hebben, wellicht in een lucide droom, hoe men doorheen de hel kan waren zonder door haar vuur verteerd te worden. Alleen Odysseus deed het hem voor, voor zover ik mij herinner, Odysseus in de Hades, ver van huis, zag daar plots zijn moeder en hij schrok omdat hij nu begrijpen moest dat zij niet langer tot de wereld van de levenden behoorde en dat hij haar bij zijn verhoopte thuiskomst na zijn zwerftochten, niet meer zou terugzien, nevermore. Het moet allemaal door Orpheus' hoofd zijn gegaan toen hij met het hoofd van zijn geliefde in zijn schoot, de wanhoop alsnog wilde afwenden, vastberaden als hij was, en machtig want begiftigd door de goden met die bijzondere gave van de muzen die het mensen mogelijk maakt om het onmogelijke te zien, te horen en ook te betrachten. > |





