Orpheus en Eurydicè (2)
|
Orpheus en Eurydicè (2) Niemand voelt de pijn die zijn hart doet breken als was het een ei, de inhoud loopt eruit, in de dooier is wat het begin van leven worden moest, alsnog te ontwaren. Een koppel vogels die hun nest zien roven, de eieren worden kapot gepikt, de kinderen opgevreten, zij vliegen buiten zichzelf in het rond met veel lawaai en gevleugelden van alle soorten voelen met hen mee en schreeuwen het uit, de hele omtrek wordt gealarmeerd, zij vliegen kriskras zenuwachtig schichtig door het gebinte van de bomen die getuigen zijn maar die niet spreken kunnen, nochtans doen zij hun takken waaien als wilden zij de ongelukkigen een helpende hand toesteken. Edoch, tegen de grote zwarte rovers valt weinig te beginnen, het kwaad is al geschied terwijl zij net nog plannen maakten voor de toekomst die nu dicht gaat zoals de poorten van een burcht, de ophaalbruggen werden al gehesen. Vermannen deed hij zich, Orpheus, nadat hij overvloedig had geweend bij het dode lichaam van zijn gade, zo schoon nog zoals zij daar lag, het gelaat in een vredige plooi, de handen uitgestrekt nog om in het geliefde gras de geurende bloemen te plukken, een glanzende kever kroop niets vermoedend over haar zo jong gelaat. Orpheus, als een halfgod richtte hij zich op, zijn rijzige gestalte was een pekzwart silhouet tegen het vuurrood van de avond want zovele uren waren reeds verstreken sinds het noodlot hen getroffen had, het wordt gezegd dat dan de tijd gaat stilstaan, jaren lijken niet langer meer te duren dan minuten, er is een stilte waarin niet meer wordt geteld, geen klokken luiden en geen stemmen zijn er nog die zich verheffen, alles zwijgt en het blijft zwijgen, in de gesloten monden werden alle tongen stenen. Hoorde hij daar haar adem wederkeren? Of was het de verre wind die zuchtte? Hij speelde door haar haren gelijk toen zij nog ronddanste en jubelde onder de zon. De aarde koelde af, in het rimpelende water van een vijver zwom een kikker weg, insecten vormden zwermen maar hun gegons was zachter nu, het leek of zij het hele gebeuren in zich op hadden opgenomen en hun vlucht had iets meer traagte dan anders, wie het gewoon waren om hier 's avonds te vertoeven konden het heel duidelijk zien. Orpheus wierp nog een laatste blik naar zijn geliefde, dan nam hij het lichaam dat al stijf werd, op en bracht het weg, hij deed niet wat alle mensen met hun doden doen en hij dacht anders: een vreemd scenario kreeg gestalte in zijn hoofd, hij nam zijn lier en slenterde zo door de nacht, biddend bij zijn muzen om hun wijze raad en dan, gelijk een ster aan 't firmament weerklonk één snaar, zij opende een elegie die zich ontvouwde zoals zwarte bloemen doen als zij, gewekt door de klaarte van een volle maan, tot leven komen. Wat daarna gebeurde is niet langer voor woorden vatbaar, zeker is dat het gezang dat opsteeg uit de keel van de getroffen god, de oren van alle wezens op deze aarde naar de plek van het ontzaglijk onheil toe deed draaien; nooit luisterden de vinken en de raven, de vlinders, de everzwijnen, de herten en de konijnen met meer aandacht naar de verten want dit had geen van hen ooit gehoord en niemand, niets op aarde zou dit gezang na die noodlottige dagen ooit nog bespeuren. Het was zoals het sissen van het gas uit een vulkaan die open is gebarsten en die vuur de hemel in wil jagen, die alle wolken wil verbranden, schaaldieren, otters en ook vissen doet stranden en rood rijzen de gestalten van de goddelijke zuchten op tegen pekzwarte luchten. |





