De metafysische grondslag van discriminatie (vervolg)
|
De metafysische grondslag van discriminatie (vervolg) Het streven naar meer en beter vindt zijn drijfveer in het verwerpen van weinig en slecht maar tegelijk is de verwerping van het onvolmaakte een voorwaarde voor het tot stand komen van de streving naar vervolmaking. Het probleem is tweevoudig: vooreerst zijn wijzelf de belichaming van het onvolmaakte maar vervolgens maakt het alsnog nastreven van volmaaktheid ons ongelukkig omdat het gaat om iets dat onbereikbaar is: de volmaaktheid is een fictie die enkel bestaat in de negativiteit en dus als een negatie van het onvolmaakte en in dat licht zijn de bijhorende benamingen dan ook bijzonder misleidend omdat het feitelijk onvolmaakte wordt geschreven als de negatie - met het voorvoegsel 'on-' - van het fictieve volmaakte wat erop wijst dat dit 'onverstand' haar oorsprong vindt in de wereld van de taal. Het is ook de wereld van de taal die is gaan heersen over die van het leven en uitgerekend dit huzarenstukje houdt onze 'beschaving' in stand. Dat wijzelf de belichaming zijn van het onvolmaakte is waar zolang we de onterecht negatieve term 'onvolmaakt' blijven gebruiken maar in wezen is die term oneigenlijk en moeten we het veeleer hebben over de staat van verandering waarin wij als levende wezens altijd zullen blijven verkeren omdat het leven zich pas handhaaft in wezens die onderworpen zijn aan groei. En dat wij dit inzicht kennelijk negeren, heeft dezelfde oorzaak als de denkfout waarop Augustinus van Hippo heeft gehamerd en die erin bestaat dat we ertoe neigen om de 'geschapen' wereld - en in dit licht aldus de 'wereld in groei' - te benaderen alsof het om een constructie ging. Constructies kunnen alleen maaksels van onze eigen handen betreffen en dus verlengstukken van onze handen - instrumenten; natuurlijke dingen zijn echter niet tot stand gekomen middels constructieve handelingen, ze zijn als het ware uit de werkelijkheid zelf geboren en, in het geval van levende wezens, gegroeid. Wat leeft, groeit en wie leven, zijn aan groei onderworpen en groei is een gebeuren dat even mysterieus als het leven zelf aan ons begrip ontsnapt. Niet 'vooralsnog ontsnapt' maar wel zonder meer 'ontsnapt' omdat het een zekerheid is dat het leven nimmer een constructie kan wezen en die stelling is makkelijk te bewijzen vanuit het ongerijmde. Nu volgt de groei voor zover bekend een genetisch patroon, al wordt zij ook door externe omstandigheden beïnvloed maar ingrepen vanuit verstandelijke inzichten in de groei van een wezen zijn nooit zonder zorgen omdat het verstand slechts een afkooksel is van wat de natuur ons voordoet waar zij ontwikkelt door divergentie en selectie, waarvan het denken voor een groot stuk een internalisering is: als we denken, beoefenen we de voorzichtigheid, we tasten mogelijkheden af zonder die ook effectief in daden om te zetten en dan maken we keuzes en nemen we beslissingen. De onterecht van 'redeloosheid' beschuldigde natuur doet hetzelfde maar dan wel vanzelfsprekend zonder te falen omdat het de natuur ontbreekt aan de mogelijkheid om fouten te maken daar zij helemaal geen keuzes hoeft te maken. Dat onze beschaving resulteert uit het feit dat de wereld van de taal is gaan heersen over die van leven, is een gegeven dat haar niet alleen volledig karakteriseert maar dat tevens haar immoreel karakter aan het licht vermag te brengen: het middeleeuwse moto 'quod non est in actis non est in mundo' - 'wat niet in de akten staat, bestaat ook in de wereld niet' - etaleert hoe het burgerschap het mens-zijn zelf overheerst, in haar schaduw stelt en zelfs tracht te elimineren en bij een consequente voortgang zal, in een volgende stap, geheel analoog, de robot ernaar streven om de levende mens te elimineren. De dood gaat heersen over het leven waar op grond van het persoonlijke bezit van burgerrechten burgers vandaag het bestaan van de 'sans-papiers' miskennen maar morgen zullen op grond van het bezit van efficiëntiebewijzen robots hetzelfde met de burgers doen. In een beschaving tot stand gekomen door de hegemonie van de taal over het leven, geschiedt dat, reeds volop vandaag, niet toevallig middels de taal, namelijk daar waar zij met de oogverblindende vertoningen die aan demonen eigen zijn, het menselijke intellect in haar schaduw probeert te stellen. Dat is de werking van A.I., de onpersoon die zich niet alleen profileert als persoon maar die van zodra hij de kans schoon ziet, de persoon met huid en haar verslinden zal. Als de zichzelf hoogachtende mens, de eerwaarde, de zeer eerwaarde, de meester of hoe hij zich ook noemt, zijn 'onvolmaakte' naasten als zodanig blijft bestempelen, zal de dode robot op grond van zijn eigen beginselen met hem exact hetzelfde doen. (J.B., 7 oktober 2026) |





