Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
bedenkingen
overdaad aan onzinnig taalgebruik en woorden om op dreef te komen
mijn horizon is begrensd,
de wolken bedrijven er telkens overspel
en de zon duikt weg verwaterd
licht ze bij, de ochtenden te verschuiven
de nacht groeit alleen in het donker elke dag.
avondwandeling, Antwerpen by nacht
.
ik hou van 't stad en zijn te lange leien
de tram die stapvoets door de bochten
giert en schreeuwt, met zand de stalen
staven schuurt
de koperen nagels tussen de kasseien
het Sint-Anna strand, we zochten haar
altijd op linkeroever, want we houden
van een overkant
het gras is daar gewoon, ook groener
de blauwe zak met zijn te lange tenen
ik vroeg hem of zijn broek die zware
gordel wel verdragen kon, en zonder
de bretellen
de olie stank, de beerput lucht, de Schelde
de vreemde die nog 's avonds laat met
zijn viool de wandelaar op de Meir wel
wil, ontroeren
is een dronkenman, een rode zon schijnt naar
zijn hoofd gestegen, de zwerver heeft intussen
al de bank bekleed, het houten bed de koude
hij is uit 't licht verdwenen en toch liever
uitzichtloos gebleven
herfstgedachten
tussen haakjes iets meer omvangrijk, maar
wat hij zei was niet belangrijk, ik werd het
zelf gewaar, ik hoef geen beschrijving van
een ander
een boom is altijd een aardig wezen en hij
doet wel eens alsof, zijn takken de aarde
verheffen tot hoog in de lucht, hij groeit
breeduit zowel boven als ondergronds
hij houdt blijkbaar, van de aarde
de lucht en het water vast
het vuur dat heb ik, als mens ooit zelf
bedacht, het mijne is onzichtbaar vurig
hart en er komen geen vlammen
aan te pas
natuurlijk
op het nog grasgroen plein vallen de meeuwen
vandaag zo uit de lucht met het nieuws, hoor ze
krijsen het uit maar de regens wisten het reeds
ijskoud plukte de westenwind de bomen kaal
ze huiveren en schudden nog gauw hun laatste
bladeren af
om zich met wit te laten tooien
de duiven schuilen opeengepakt in het oude fort
een reus staat er naast en naakt te pronken, hij
houdt de wacht en strekt zijn armen in de lucht
hij heeft er veel meer dan twee, en tracht alzo
de wind te vangen en sneeuw misschien?
grauw grijs metaal
de lucht laat beven, aangeslagen als ware het 'n
beest dat zijn doodsnood schreeuwt en vergeefs
zijn laaste kreten slaakt, het bloed rood ophoest
omdat de keel werd opengescheurd en de hals
slagader zich schokkend ledigt, dan verdwijnt
het licht, en de ogen staren naar 't laatste beeld
van de hongerige blik van het roofdier, gulzig,
gretig, razend en ook grauwend, grauw grijs
met taal.die niet meer gewoon te spreken valt
dan wordt zelfs een bange hond bloeddorstig
en is mijn mond als een afgrond vol afgrijzen
warmetaal
waar landerijen als lappendekens drijven, een trage
stroom afboorden, en diepe grachten dragen er het
water weg, de regens zijn er overvloedig, ze komen
uit het westen en smaken zoet, ze vullen plassen in
de karresporen langs een waterweg
er zijn ook harde wegen, opgehoogd het razen van
metalen of de stank van rubber en verkoolde lucht
ik hou toch meer van trage wegen en het water zelf
en de wind, die vang ik liever in een zeildoek en de
stroming verscheur ik stroomopwaarts met een boeg
Dichtkunst / poëzie / mentametica
Een gedicht (poëzie) is een stuk tekst waarvan, anders dan in proza, niet alleen de inhoud maar ook de vorm belangrijk is. Tot de vorm behoren klank, rijm en metrum.
Verder speelt in poëzie de beeldspraak en de stijlfiguur een belangrijke rol.
De schrijver van gedichten wordt dichter genoemd.
Wat poëzie (ook wel dichtkunst genoemd) dan wel is blijft onduidelijk. Het is een persoonlijke beleving van een tekst. Gelaagdheid, dat wil zeggen het op meerdere manieren kunnen lezen en kunnen begrijpen van een tekst, speelt een belangrijke rol. Toch zijn veel geslaagde hedendaagse gedichten niet tot nauwelijks gelaagd.
Wat kan ik daar aan toevoegen?
Onlangs had ik een interessante discussie met betrekking tot een nieuwe vorm, gestuurd door de 'Mentametica'. In het kort is deze term een afgeleide van twee Griekse lettergrepen 'Menta', van mentaal of geestelijk; 'Metica', de kunst van het omzetten, je zou het bij benadering ook vertaling kunnen noemen. Samengevat dus 'vertaling van de geest'. Dus eigenlijk iets dat we al lang wisten, maar nog niet goed beseften. De taal wordt daarbij als middel gebruikt om uiting te geven aan innerlijke gedachten, gevoelens of beleving.
Het begrip 'Vertaling' in de Mentametica is niet zomaar het vervangen door woorden, omdat woorden nooit bij iedereen dezelfde betekenis hebben. Het zou hetzelfde zijn als iemand 'de liefde' als woord in de mond neemt, en een argeloze voorbijganger vraagt dan 'houden van?'. Het woord 'houden' duidt op bezit, de gradatie is niet dezelfde dus. 'Het verdriet' tja, wat wil dat zeggen, een gemis? Dergelijke woorden schreeuwen om verduidelijking, om oprechtheid. Ze zijn zo gemakkelijk in de mond genomen. Ze maken totaal geen indruk meer op mij.
Dichters schrijven hun 'waarachtigheid' neer. Het is niet zomaar uiten van je persoonlijke gevoelens, je mag ze concretiseren.
Nog een artikel uit ¨de wikipedia:
Met poëtica duidt men het waarom van het schrijven van poëzie aan.
Wat poëzie inhoudt hebben dichters vaak neergelegd in een geschrift. Het eerste en bekendste is de Ars Poetica (de kunst van de poëzie), van de Romeinse dichter Horatius. Horatius schreef zijn 476 regels lange brief ± 20 v. Chr., die eeuwen lang als standaard gold voor wat poëzie moest zijn.
Er zijn vier typen poëtica te onderscheiden:
- pragmatisch
- kenmerken: het effect is belangrijk, de lezer staat centraal (Rawie)
- symbolistisch
- kenmerken: het gedicht als ding, de taal staat centraal (Nijhoff)
- expressief
- kenmerken: de uitdrukking van het gevoel, de dichter staat staat centraal (Kloos)
- menisis
- kenmerken: de nabootsing van de werkelijkheid (het "plaatje"), de wereld staat centraal
Met de Mentametica zou ik dus een vijfde type kunnen toevoegen, waarbij de vier elementen tegelijk aan bod komen. Wat mij betreft moet een goed gedicht voldoen aan die 4 punten en niet enkel aan eentje.
Dat was het voor het ogenblik;
waanzin of loutering door het vuur
die deze avond vuurrood gloeit, er
is waarschijnlijk rook maar de zon
die onderging heeft het niet gezien,
over de maan wordt helemaal niets
verteld, misschien is ze nog te jong
ook de schimmen, oproerkraaien
die zijn zwart en losgeslagen, men
heeft ook nooit naar hen omgezien
nu zijn ze er te talrijk, smelten ze
samen, zou het vuur hen louteren?
oefeningen in verbeelding
is dit wel onbegrijpelijk, onvatbaar voor de geest of een delirium zonder het beven
een lichtroze pantser op poten
terwijl het zijwaarts schrijdt
met ingehouden scharen en
monddelen die knippen en pulken
de ogen op stelten en een ingeklapte staart
als je nog nooit een krab gezien hebt, tenminste.
Al met al is dit te beschrijvend, er zit ook geen betekenis achter, het is louter een observatie, zoals een natuurliefhebben het doet. Het raakt me dus niet en een dergelijke verbeelding doet geen pijn.
Haar ogen haakten zich vast in de mijne, doordringend als een staalblauw mes, zo hard kon ze me aankijken.
de tinten van een kleurloos oog, zijn blauw gevat in wit met een zwarte iris puntgroot, want het ogenblik is vernauwend en gefocused.
Haar oogopslag is eng, en zelf ben ik nog puntgroot gevat.
Zou dit een tirade kunnen zijn?
en beschrijft het water zo bevallig met een
verzonnen woord, het plonst soms in zijn
plompe vijver, al blijft hij ogenschijnlijk
onbewogen
de reigers hebben wat gehoord en roeren
graag met hun gespleten hoofd op stelten
ze spietsen er de gekooide vissen en hun
kroost heel netjes, ze roepen met gekapte
kreten als ze weer een modderspruit naar
boven halen, of onderuit, ben ik verbeten?
---
want zelf sla ik liever, met een voorhamer
hun hoofden plat, zodat ze uit mijn vaarwater
blijven
ik ben Doerga's broer en met wel zes
tentakels heb ik al eerder een meute
kakels over de kling gejaagd
hier braak ik enkel zelf mijn vurige zinnen,
hier tier ik enkel als het smakeloos woord te branderig wordt,
hier spuw ik het speeksel van de vuurdraak,
het mythisch wezen
eenzaamheid
en 's ochtends voor die dagjesmensen
weer ontwaken, verlaat ze de halve
leegte van een bed en een tafel voor
twee gedekt, de ramen houden 't licht
nog tegen
een lichte conversatie
z' is donderwolk en braakt de regen
vandaag zijn het zware druppels die
vervelen, ze heeft ze neerbuigend en
nog net niet minachtend, koel op mijn
luie stoel gesmeten, ik was hem op
het terras vergeten
zij
klinkt chagrijnig, zou ze weeral maan
ziek zijn, of heeft ze weer een weekje
langer liefdespijn?
migraine
dag dochterlief, je bent een bloem
maar soms zie je er niet uit
zoals vandaag dus weer
het weer is niet wat
het wezen moet
hoofdpijn
dat krijg ik van je kortgekapte
zinnen, ik zwijg - zeg toch niks?
Oefening van de sonnetvorm
Misschien is hij de storm
om in het oog te houden
(sonnet)
laat hem toch die oude taal vervormen
met vreemde woorden op een gedreven
voordraagtoon, want bamboe knispert even
zacht als bladerkroon, tot zelfs de wormen
ze knagen aan de wonden van een boom
en hebben het niet op licht begrepen
daar is 't veel te donker voor, benepen
en broeierig warm, als een fletse droom
liever raast hij uit het westen, vochtig
spoelt hij straten leeg en laat zich dragen
op slaande vleugels, zijn tocht is bochtig
zelfs hij wentelt in de wind met vragen
zijn naam klinkt in het grieks zo plechtig
in het oog de omega, de laatste dagen
---
er woedt een storm in mijn linkeroog
toen deze dichter van het pad afboog
intensieve conversatie
toen ze de deur achter mij toesloeg met
een harde ruk als om te benadrukken
dat het genoeg geweest was.
het was niet genoeg, er stak een voet
tussen de deur en de deurstijl
voelt dat dus nog, het moment
versplinterde toen ik haar toeriep
dat ze naar de maan kon lopen
liefst tevoet en zonder stinksokken
in schoenen met afgetrapte hieltjes
de sloddervos, met een walgelijk
luchtje, genoeg om hele meutes
Engelse honden in vervoering te
brengen, de jacht is pas geopend
ik heb haar nooit zo stom zien gapen
en mijn voet?
verdomde pijn, ik voel het nog
ssst, laat me maar wakker liggen .
ik wacht totdat mijn dag alweer de lakens werpt
of ze scheurt, totdat de zon het zicht aanscherpt
hang ik nog aan de flarden dromen vast, en toch
klinkt barstensvol die zoemtoon nog, en ik grom
dat
ik meestal 's ochtends schrijf tussen wat scherven
geen schemer, soms de wandeling, het graafwerk
in een uitverkoren hersenhelft, langs de paden van
zin en onzin tot vervelens toe en stap voor stap het
boek uitwei tot aan de maag, de lever, de zwezerik
het hart dat roept als een geschroeide koekoek
de vogel pest altijd, de slinger blijft wat haperen
tussen getande wielen die elkaar wel begrijpen
de rug werd al gekraakt, de vellen één voor één
gelost, de inhoud een wat te mager beest een
rare zonderling met haar tot op zijn schouders
want zij kijkt mee, zij klemt zijn lippen op elkaar
en een tong verbeten laat slechts een vinger veeg
een teken maken
sssst
hier rust een schrijver
hij bromt wat uit zijn slaap
van gisteren
Scheld kanonnades en karbonades
is een dozenzetter en een kartonnen opbouw staat
je goed, topzwaar is anders dan licht geraakte chaos
er is zelfs een wind die het beter doet, je stuift wat
rond en pronkt met pauwenveren in je lamme kont
je bent ongenietbaar, zoals de smurrie op een plakje
groene schimmelkaas
ik hou van dwaas en warrig taalgebruik
ik braak de woorden
en verguis
Een lawine van woorden
toont een beukende waterval tussen de tanden
en scherpe rotsen, het hoofd een besneeuwde
top met ijzige haren van de sparren die groen
blijven en denken dat ze voor eeuwig mogen
klauwen een helse afgrond op, het voorhoofd
is laag gewelfd de wenkbrauwen spits, en het
fronsen een trieste tempel
en het woord braakt zich een weg naar een
uitzinnige stroom van slijk en ontwortelde
bomen en huizen drijven er mee, in ijskoude
en de wouden worden gemaaid, met het
wanhopige kraken van groene stammen
die het vreselijke dal trotseerden
en het gras zal als laatste gaan en er als
eerste terugkeren, het zal er het graven
bedekken en het slijk dat zo vruchtbaar
werd.
tuingeneugten
en nog andere soorten langs de muren
van een kruidentuin, ligusterhagen en
sommigen stinken naar kattepis, we
houden ze voor die zondag want
palmbomen staan hier veel te koud.
nachtelijke bezinning
's avonds als het donker wordt en 's nachts
zijn we gewend om straten grijzer te zien en
zijn schaduw soms wat langer in 't maanlicht
hij snuift lijm, het bevalt hem niet, 't loslaten
komt niet ter sprake, als 't brein een smurrie
wordt en hij een idioot, maar zonder vragen
ik wacht op aangenamer zaken en een meer
opgewekte bui, misschien dat deze ochtend
me kan raken
het mag zelfs trieste regen zijn

