“De afrekening”: Westendenaar gebleven in hart en nieren, vertelt de auteur Jaak Maes uit Antwerpen, over zijn bewogen jeugd.

Toen ik op 31 december 2012 mijn artikel "Middelkerke: verdient wijlen Andreas Inghelram, oud-burgemeester en veroordeeld wegens collaboratie tijdens WO2, dat een pleintje naar hem vernoemd wordt? " publiceerde, kreeg ik daarop een reactie uit een hoek waarvan ik het bestaan niet afwist.
Ziehier de tekst ervan: "Ik ben 83 en heb 1938-1940 als snotneus in de jongensschool van Westende bij 'Meester' Inghelram in de klas gezeten. Ik stel met veel genoegen vast dat Middelkerke de man nog niet vergeten is. MIJN jeugd heeft hij in elk geval sterk beïnvloed, ook al woon ik sinds '45 in Antwerpen. Nu ik ver op het einde van mijn bobijn ben beland, heb ik een geromantiseerde Blog opgestart in Seniorennet (categorie Literatuur jaak_maes 'De Afrekening' over MIJN Westende in de periode '38-'48 waarin onder andere de figuur van een 'burgemeester Engelborghs u erg bekend zal voorkomen...”
En een paar weken later: “Ondanks het spons-vegen en het eerherstel wringt het mij dat A. I als bezielde collaboratie burgemeester een aantal van zijn volgelingen met zijn propaganda zot genoeg kreeg om ze voor het oostfront te doen tekenen om daar te creperen. Dergelijke volksmenners waren 'moreel schuldig' voor het trieste lot van hun onmondige meelopers, maar werden er nooit op afgerekend. Dit probleem komt uitvoerig aan bod in mijn 'gefingeerd' verhaal over de oorlogsburgemeester van Westende (*) Engelborghs...(Seniorenblog/Literat./'DeAfrekening')”
*Inghelram is in werkelijkheid wel burgemeester van Middelkerke geweest, niet van Westende
Gezien mijn belangstelling voor Westende, leek mij dat natuurlijk uitermate interessant en daarom nam ik contact op met Jaak (of Joseph?) Maes. Hij vertelde mij uitvoerig en zonder schroom over zijn bewogen jeugd, vooral over zijn belevenissen als tiener tijdens de tweede wereldoorlog.
Ik vond het de moeite waard daar even over uit te wijden.
Ik beperk mij deze week in het huidig artikel tot de beschrijving van zijn jeugd tijdens de oorlogsjaren. Over zijn omvangrijk schrijfwerk, zal ik het in één van de volgende afleveringen hebben.
Wie is Josef/ Jaak Maes alias Jacky Deben?
Josef Emiel Maes werd geboren in Oostende in 1930. Hij werd als baby met de roepnaam ‘Jacky’ opgenomen in het pleeggezin Deben. Vader Deben was elektricien, zijn echtgenote was pensionhoudster. Zij hadden twee dochters Francine °1922 en Hetty °1928.
Verblijf in Westende-bad tijdens de Duitse bezetting
Door de economische crisis in 1931 verhuisden zij van Oostende naar Westende-bad. Daar bood de bouw van nieuwe villa’s na de eerste wereldoorlog voldoende werkgelegenheid voor vader Deben maar het ‘pension-houden’ in de aanloop naar de tweede wereldoorlog wilde niet zo goed vlotten. In de komende vijftien jaar veranderde de familie, vooral door de oorlogsomstandigheden, vijfmaal van adres.
“Alle opeenvolgende pensions-café-snacks zijn ondertussen afgebroken en vervangen door betonnen gevaarten van tien verdiepingen hoog…uitgenomen de ‘Bar du Soleil’ dat de Duitse bezetter in de zomer van ’40 ongevraagd ‘overnam’…”
Er volgde dus noodgedwongen een nieuwe verhuis, deze keer naar de ‘Bouquet Normand’ midden op de dijk tussen de Meeuwenlaan en de Arendlaan.
“Het draaide twee jaar goed, weliswaar met een uitsluitend Duits cliënteel, wat wél hier en daar op het Bad voor verdoken naijver en achterklap zorgde. En toen met ‘Stalingrad’ in de winter van 42-43 de krijgskansen keerden, werden de Debens – en dus ook hun pleegkind - steeds openlijker voor het houden van een soldatencafé als ‘zwarten’ aangezien."
Dat vindt Jozef onterecht want volgens hem waren moeder en dochters absoluut niet politiek geïnteresseerd. Pa Deben, in een midlifecrisis, was toen al vrijwillig naar Berlijn getrokken om er te gaan werken.
Bar du Soleil Bouquet Normand MaisonDesInvalides
*Lees meer hierover in het blogartikel’Zware criminaliteit in Westende in de voorbije 100 jaar’ in de map
‘Veiligheid – Politie’
En samen met dit drama begon de afgang van het gezin Deben, want het werd onweerstaanbaar bij het onderzoek van de Duitse speurders betrokken. Dit mondde voor mijn pleegzus Francine uit op een briefje met doodsbedreigingen vanwege de ‘Witten’.
Vlucht naar Berlijn
Francine kreeg nu zodanig de stuipen op het lijf en in paniek sleurde ze op 5 september 1944 heel het gezin mee in een vlucht naar Pa in Berlijn.
De Ortskommandant gaf ons een vrijgeleide en sympathiserende militairen van de batterij bezorgden ons een lift met een vrachtwagen tot de veerpont in Breskens.
Door deze waanzinnige beslissing kwamen wij echter van de regen in de drop, en zonken wij op één jaar tijd van argeloze houders van een soldatencafé weg in de poel van politieke ‘collabo’s’.”
De eerste halte op onze vlucht naar Berlijn was ‘Opvangkamp Adlershorst' op de Lüneburger Heide : overvolle barakken waar mannen, vrouwen en opgeschoten kinderen in het stro op de vloer in schaamteloze promiscuïteit bijeen hokten…Deze platte snelcursus in menselijke driften bezorgden mijn jonge olifantenoren doorlopend een dieprode kleur, en voldoende stof om alle ‘tinten grijs’ ruimschoots te overtroeven ! Voeg daarbij dat overdag het jongvolkje hitsig in de omliggende bossen samenklitte om aan de karweien te ontsnappen en vrijgevochten de grenzen van hun onkuise ontdekkingen aftastte... En in dat ‘romantische’ herfstkader herinner ik mij vooral de onverbloemde avances van een dolgedraaide deerne. Als mijn eerste complexloze flirt kon dat tellen, ook al heb ik er, buiten een leuke deuk in mijn gevoel voor fatsoen, geen blijvend leed aan overgehouden. En van toen af wist ik tenminste zéker hoe een meisje er vanonder uitzag…
Verblijf in Berlijn
Na een tweetal weken geraakten wij dan door de goede zorgen van Pa Deben deftig onder dak in een vensterloos appartement in Berlin-Steglitz, Albrechtstrasse 15B. Het vroeg heel wat werk om het bewoonbaar te maken, maar we hebben het er toch bijna een jaar uitgehouden.
Dit bewogen ‘Berlijns avontuur’ met de verschrikkelijke belevenissen die ik in Duitsland de volgende negen maanden meemaakte, volstaan om tien boeken vol te schrijven.”
Als ‘Ausländer’ kon Josef in Berlijn niet op school, maar hij hielp thuis bij de eindeloze herstellingen van de door bommen uitgeslagen ruiten en het nog eindelozere aanschuiven aan allerlei winkels. Zijn pleegzus Hetty (‘Rika’…) werd winkeljuf in een bakkerij en Francine vond een plaatsje als typiste op de ‘Flämische Kulturstelle’…
Haar vriendin en collega Phil Verhulst hield er aan met de bureelchef, de éénbenige Vlaamse SS-Oberscharführer Jef Petré, “beide nogal vrijgevochten en ietwat ordinaire Antwerpenaren”.
“Als dié ’s zondags op koffievisite kwamen kreeg ik dikwijls de scabreuze verhalen te horen hoe het er op de Kulturstelle werkelijk aan toe ging… Het zotste éérst, en proper was dat allemaal niet. Maar Jef vond dat ik als bijna vijftienjarige, buiten het lichtvoetige bureelleven, ook gerust de harde en smerige kanten van zijn lange frontinzet mocht leren kennen en trok zich daarbij van mijn rode oortjes niks aan.
Kort voor de inval van de Rus werd het villaatje van Jef en Phil door de Amerikanen platgegooid en trok het koppel bij ons in. Dat werd wat krap natuurlijk, en bij de badkamer was het meestal dringen, wat mij op een morgen ‘per ongeluk’ een glorieus zicht gaf op de spiernaakte dame. Zij lachte dat incident later aan tafel ongegeneerd weg en ook Jef zal er verder niet van wakker gelegen hebben, maar ik natuurlijk wél ! Het bleef sowieso de mooiste herinnering van mijn Berlijns avontuur, dat vast en zeker een ander mens van mij gemaakt heeft. De eindeloze nachten dat we voor de bommen bibberend wegkropen in een koude stoffige kelder, met soms krakende inslagen en loeiende branden alom, hebben mij een stevige aversie bezorgd tegen het zo bejubelde heldendom van de geallieerde vliegtuigbemanningen. Niemand kon begrip opbrengen voor de blinde vernieling van kunstschatten en de laffe slachtingen onder de burgerbevolking die door de Yanks doelbewust werden aangericht :”Wij hebben hén toch niets misdaan !” klonk het steeds verongelijkt bij de Berlijners. Deze onmenselijke bommenterreur liet diepere sporen na dan de dierlijke angst die de Russen ons – en dan vooral de vrouwen - aanjaagden toen zij in woeste bloedige straatgevechten straat na straat ons Berlijns district veroverden. Want deze brutale uitspattingen waren na veertien dagen zo goed als achter de rug, en iedereen begreep dat die wilde steppehorden met hun beestigheden doodgewoon een beetje weerwraak namen voor veel erger leed dat de Duitse soldaten hun volk had aangedaan. Maar begrip of niét : maandenlang hebben wij tijdens de moorddadige bombardementen dag en nacht eindeloze uren op de naakte dood zitten wachten, als radeloze beesten bijeen in het slachthuis. Op den duur verloor iedereen het laatste schilfertje vernis van menselijke beschaving en primair fatsoen. Vooral tijdens de Russische bestorming stortten veel vrouwen jammerlijk ineen en was er van enige welvoeglijke terughoudendheid al vlug geen sprake meer. Ze bespraken onderling waar ik bijzat ongeremd de intiemste vrouwenzaken, wat voor een zuiver jongenshart érg brutaal aankwam…
Maar nog schokkender was het apocalyptische zicht van de omliggende straten, toen wij na de bestorming naar ‘achter’ geëvacueerd werden, tussen de verhakkelde lijken van de gesneuvelde kindsoldaten en de opgehangen grauwe deserteurs…Dat heeft definitief de onbezonnen jongen in mij gedood…
In Berlijn is langzaam rust en orde weergekeerd, en met de intocht van de Amerikanen, een paar maanden later, kregen we eindelijk het gevoel dat het vrede was. Maar de meeste Berlijners, die door deze laffe bombardementen have en goed plus hun halve familie hadden verloren, hielden er tegenover de Yanks lang een voorzichtige haat-liefde verhouding op na. Zij zagen in hen enkel de kille gewetenloze massamoordenaars die hun misdrijf nadien schijnheilig afkochten met een pakje kauwgom: je moet maar durven !
Terug naar Westende
Wij hadden ons waanzinnig ‘Berlijns avontuur’ dan toch zonder al te veel kleerscheuren overleefd: nu bleef nog de terugkeer naar Westende te regelen. Einde juli '45 ging het dan verplicht in die richting en werden Francine en mijn pleegvader bij onze aankomst in Brussel een maand of twee geïnterneerd als incivieken : zij wegens haar werk als dactylo op de ‘Flämische Kulturstelle’ en hij als vrijwillige arbeider in Duitsland. Na deze eerste schok op ‘vaderlandse bodem’ bleven wij als een soort ‘uitgestoten leprozen’ bij mijn pleegvaders familie wonen op een zolderkamertje in Antwerpen. Leuk was ànders…Maar na deze traumatische belevenissen ben ik wel serieus terug op mijn pootjes gevallen: ik had begrepen dat het leven geen lachspel was, en dat ik uit mijn pijp moest komen om uit de put te geraken.
Ikzelf ben pas in '46 tijdens een schoolvakantie voorzichtig mijn voelhorens gaan uitsteken in Westende, als logeergast bij een bevriende familie.”