Grauw begint de dag. Grijzige wolkenslierten aan het uitspansel. Van de beloofde zesentwintig graden is weinig te merken. Straks zal Ariadne me oppikken voor ons afspraakje bij de radioloog. Eigenlijk kreeg ik de uitnodiging vorig jaar reeds, maar van uitstellen – want ooh wat zag ik er tegenop – kwam welhaast afstel. Mijn brief is nog geldig, zo verzekert men me bij telefonische navraag.
Ze is wat te vroeg, Ariadne, want ze moet nog geld uit de muur halen, maar éér we er een vinden! Nieuwe zaken schieten als paddenstoelen uit de grond, andere sterven een stille dood en de bank die ik op het oog had, is niet meer. Mijn vertrouwde winkels, mijn artsen, mijn tachtigjarige buren, mijn cafeetjes… ze gaan geen leven lang - het mijne - mee en soms vind ik dit geen prettig idee. Het voorraadje tandartsen zal uitgeput zijn tegen dat de mijne in pensioen gaat, want de nieuwe lichting trekt naar Nederland omwille van hogere honoraria en spreekuren overdag, zo meent hij. Ik heb ook al heel wat bakkers en slagers versleten. Vroeger leverden ze bij ons aan huis. Op de avondlijke broodronde kochten we meer dan eens restanten koek of taart aan een zacht prijsje. De zondagse pistolets met bruine suiker moesten wijken voor de chocobollen, een koek met bovenaan een laagje chocolade en gevuld met slagroom. Een delicatesse waaraan mijn vader meteen verslingerd raakte, toevallig ontdekt na onze wekelijkse eetlustopwekkende zwemactiviteit. Elke vrijdagavond gaf mijn moeder telefonisch haar boodschappenlijstje door aan de plaatselijke kruidenier, die zowat alles verkocht, een warenhuis avant la lettre. Hij is er nog altijd, op zijn vertrouwde hoek, al is het de zoon die intussen, jaren geleden, de winkel heeft overgenomen. Je kan er nog altijd snoepjes per stuk kopen. Keer op keer was het wikken en wegen aan welke zoete geneugten we ons zuur verdiend zakgeld zouden spenderen…
Ik ben nog steeds klant bij de bank waar ook mijn vader zijn rekening had. Het gebouw werd sedertdien meermaals gerenoveerd en beveiligd, directeurs en bedienden volgen elkaar in een steeds sneller tempo op, bouwend aan hun carrière.
Op dit moment echter zijn we op zoek naar een Bancontact. Dààr! Een banklogo! Helaas, zonder geldmachien. Straks zijn we alsnog te laat op het rendez-vous. Ha, gevonden! Net voordat ik de glazen deur openduw, merk ik dat het een verzekeringskantoor betreft. Ariadne gebaart heftig. En dan zie ik het. ‘k Stond er zowat met mijn neus tegenaan, de bankautomaat bevindt zich buiten, in de voorgevel.
We laten ons elk apart doorlichten, de foto’s tonen niets verdacht, gelukkig maar.
Thuis boks ik vlug een salade in elkaar want ik dien in Tongerlo zoonlief op te halen. Vrijdagnamiddag, begin van het bouwverlof, E17 richting Antwerpen. Een combinatie waar ik niet echt naar uitkijk. Het is druk maar er zijn gelukkig amper files. Zonder problemen, zonder één keer fout te rijden, bereiken we het sportcentrum waar mijn oudste zich vijf dagen en nachten bekwaamd heeft in het basketballen. De stage is nog niet beëindigd, zo blijkt, hij moet nog deelnemen aan de plechtige diplomauitreiking. Hij heeft veel bijgeleerd en is een beetje van zijn a propos als een Amerikaanse coach hem een complimentje geeft en belooft zijn best te doen om hem in een college te krijgen. Gelukkig weet hij dit toch te relativeren, al geeft het hem toch een beetje vleugels!
We besluiten langs secundaire wegen de thuisrit aan te vangen. Liever mobiel onze tijd verdoen dan uitzicht- en bewegingloos tussen de vrachtwagens op de autostrade. Het wordt een echt avontuur. De GPS leidt ons op baantjes die we op vrijwillige basis nooit zouden volgen, maar nu zijn we vol vertrouwen, we komen wel terecht. Dorpen, velden, koeien, schapen, al dan niet zwart, het passeert allemaal de revue en het brengt me in vakantiesfeer. We hebben de tijd, so what! Maar wat ik ook probeer in te tikken, de snelweg kan ik blijkbaar toch niet vermijden, volgens mijn navigatiesysteem althans. Voortgaan op mijn richtingsgevoel, is het noodlot tarten, dus rijden we via Boechout Antwerpen binnen en net voor de Kennedytunnel de E17 op. Al bij al valt het aanschuiven op de ring mee, in geen tijd zijn we terug in Gent.
Opdracht volbracht. Oef.
“Ik zou dat wel zien zitten: met een ganse zak snoep ons’ kinderen uitzwaaien…”
“Me laten voeren naar mijn reisbestemming en aan niks anders denken dan aan de heerlijke tijd die me te wachten staat…”
“Zwemmen, zeilen, bergen beklimmen, zonnen, spelen, ravotten, wandelen en niet moeten prakkiseren wat ik deze avond op tafel tevoorschijn moet toveren…”, denk ik.
Helaas, niet ik zit in die bus, maar mijn jongste.
In de vooravond had ze reeds uitgebreid afscheid genomen, privé, zonder pottenkijkers. “Je begrijpt dat toch hé mams, ze gaan me anders uitlachen.” Tiens, tiens, gisteren nog liepen we hand in hand door de winkelstraten. ’t Is te zeggen, ze hield m’n mouw vast, dat was handiger. We liepen toen de mama van een vriendinnetje tegen het lijf. Oh, wat vond die ons schattig en hartveroverend. Eerlijk gezegd bereid ik me reeds twee jaar voor op een abrupt einde van mijn verheven positie. Een soort troonsafstand. Maar zover is het nog niet. Nog even mag ik genieten van de uitgebreide knuffels, de openlijke adoratie.
Kahlil Gibran zei het reeds: “Je kinderen zijn je kinderen niet… ze komen door je, maar zijn niet van je, … ze behoren je niet toe, je mag hen je liefde geven maar niet je gedachten, want ze hebben hun eigen gedachten…”
Een tekst uit mijn jonge jaren, en o zo waar, maar wist ik veel, vroeger. Opvoeden is een evenwichtsoefening tussen loslaten en steun geven, tussen luisteren en instrueren.
Op dit eigenste moment is mijn dochter op weg naar Schwarzsee in Zwitserland. Laat je niet misleiden door het woord “See” want dat betekent “meer” en “zwart” verwijst naar de omringende wouden die zich vroeger in het water weerspiegelden.
Een brief schrijven hoef ik dit keer niet te doen. Vorig jaar wachtte ze daar dàgen op, en hij kwam pas op het einde van haar verblijf en dat gaf maar onrust.
Stipt om 22u zouden ze vertrekken vanavond. Na een valse start vallen de motoren stil. “Straks moeten we onze kroost nog zelf naar Zwitserland voeren,” schertsen we. Een halfuur later is het zover, achter de donkere raampjes ontwaren we wuivende armen, even later draaien ze de hoek om, de vakantie in.
De Ronde van Frankrijk in mijn achtertuin, zoals de collega die briefjes kleeft op het keukenapparaat “Koffie Staat Klaar. Goeiemorgen Lieve, Kom ik nu ook in jouw Blog” het benoemde. Als je het zo stelt, is het zonde dit gebeuren aan mij voorbij te laten gaan. En ’t is waar, ik koester kleurrijke herinneringen aan een dergelijke gelegenheid ergens in de regio van de Bossen van Vlaanderen. Het peloton was in een flits voorbij, maar de sfeer bleef…
Een pitstop thuis tussen mijn nachtdiensten in confronteert me met gewijzigde verkeersborden. Met krijt staat genoteerd dat vanaf 9 juli niet meer mag geparkeerd worden in mijn straat. Vanaf zes uur in de morgen alstublieft. Zo stond het niet in de folder vermeld! Ik sta meteen op mijn achterste benen maar uiteraard zit er niks anders op dan me bij de feiten neer te leggen.
Dochterlief schuimt overdag de plaatsen met randactiviteiten af samen met een vriendin.
Te laat om nog een gezelschapsmens op de kop te tikken om me te vergezellen naar de Tour. Op mijn eentje dan maar, wat trouwens heel wat voordelen inhoudt! Ik ben zo vrij als een vogeltje!
De drukte aan de Heuvelpoort valt nog mee. Hoe dichter ik de aankomstzone echter nader, hoe compacter de mensenzee, dus zoek ik kalmere oorden op. Wat ik mis aan sportieve prestaties kan ik immers later voor de televisie inhalen. Ik ben een complete wieleranalfabeet en meer geïnteresseerd in de Tour-atmosfeer.
De publiciteitskaravaan zoekt zich luidruchtig een weg. Grappige wagentjes defileren op een halve meter afstand van mijn stelplaats. Wat een immense volksverhuizing! Zo ver mijn oog reikt staan opzichtige bussen aan de wegkant geparkeerd. Een gordijntje schermt de ingang af.
Uren geleden drong de Tour reeds mijn huis binnen zonder dat ik het besefte. Eerst dacht ik: ik heb een gaslek! Later: de buren zijn waarschijnlijk aan ’t barbecuen. Nu concludeer ik dat deze trage colonne gassen produceert die allerminst weldadig zijn en niet alleen mijn neus maar ook mijn longen infiltreren…
Voor ik er erg in heb is de stroom publiciteitswagentjes gestopt. De tijd kabbelt voort. Jolien staat een heel eind verder, bericht ze me via SMS.
Maar dit terzijde. Ik geef me over aan mijn favoriete bezigheid: mensen bekijken. Een jongen duwt een winkelwagentje met twee bakken Jupiler, duidelijk boven zijn theewater, en maakt reclame voor het schuimende product. Een krullebol met zijn arm om een oudere man geslagen, eveneens goed in de wind, geeft in het Gents commentaar. Schijn bedriegt, ik denk niet dat hij voor hetzelfde geslacht valt.
Ik zie Patrick Dewael en ook Eddy Merckx.
Een ukkepuk krijgt van een kennis van de mama een hoedje. Héla! ’t Is om op te zetten hé! Er passeren jongelui in hesjes met opschrift foto, tv of radio.
Mijn linkerbuur zet een quasi-professionele boom op over de koers. Hij wordt via GSM geïnformeerd over de vorderingen van het peloton.
Tot ze op twee kilometer genaderd zijn. Er waart een zenuwachtige rilling door het publiek. Vier helikopters cirkelen boven de aankomstzone. Agitatie. Er wordt gefluisterd dat Tom Boone deze rit gewonnen heeft. Wat later wordt dit tegengesproken, Steegmans was hem luttele centimeters voor.
Wanneer de renners stapvoets mijn dranghekken passeren, realiseer ik me mijn schitterende positie. Ik zie hen van heel nabij. Ze lijken niet afgepeigerd! Integendeel, jonge goden met gladde bruine benen, hier en daar een spatadertje, en kleurrijke fietsmachines. De winnaars zijn er niet, die staan elders op een podium.
Ze is zenuwachtig. Kan zich niet goed concentreren op de film. Noewi schiet schichtig langs haar, hij voelt haar stemming aan. Ze moet even de hometrainer op om haar spanningen weg te fietsen.
Later is ze druk doende met het tekenen van een plannetje. Een soort routebeschrijving. Ruimtelijke oriëntatie is niet meteen haar sterkste kant. Tja, van wie heeft ze het!
Weken lang reeds telt ze af, synchroon met de aankomst van de tweede rit van de Ronde van Frankrijk. Een bord langs de ring geeft aan hoeveel dagen ons nog resten vóór de overrompeling. Gent op zijn kop.
Opgebroken straten, omleidingen, files, een teistering de laatste tijd.
Op 7-8-9 juli komen daar nog parkeerproblemen bij. Mensen, wat kijk ik dààr naar uit! Ik woon vlakbij de aankomst van de Tour de France!
Maar dààr ligt ze niet van wakker! Wat haar zo sterk bezig houdt is van orthodontische aard. Ze krijgt namelijk blokjes. Welke kleur zal ze kiezen? Roze? Blauw? Ze gaat voor zilver. Elke maand kan ze eventueel veranderen van kleur, bedenkt ze. Twààlf keer. Waaw.
Ze heeft het uiteindelijke resultaat reeds gevisualiseerd. Met kauwgom. Tussen het spleetje van haar voortanden.
Dat spleetje is in Kameroen nochtans goud waard, geldt als schoonheid. Maar zij wil er vanaf…
Samen met haar voel ik ook kriebels in mijn buik. Meer bepaald om het prijskaartje van het onderwerp van haar zenuwen.
Ik ben zelfs nerveus in het kwadraat. Mijn troonopvolger is nog maar eens de hort op. Zijn vakantiewelzijn hangt nauw samen met het aantal nachtelijke uren buitenshuis of met de decibels van zijn muziekprogramma. Achteraf is het makkelijk zeggen: waar maakte ik me zorgen om! Maar midden in het verhaal weet ik niet hoe het afloopt en vreet de onrust aan me…
De avond is zacht en noodt tot natafelen. Uit een rijke waaier aan ervaringen diept hij herinneringen aan zijn eerste schoolse jaren op. Hij kan zo boeiend en kleurrijk vertellen dat het me geen enkele moeite kost me de branievolle kleuter met zijn donkere deugnietogen voor de geest te halen.
Het is grootouderfeest en meester Leonardus splitst de klas met weidse gebaren in twee groepen: die mèt oma of opa en diegenen zònder. Hij hoort bij de laatste groep en mag naar de speelplaats. De anderen worden naar de eetzaal geloodst. Met de neus tegen de ruit probeert hij te ontwaren wat daar binnen gebeurt. Hij ziet tafels overladen met cake en wanneer die verorberd is wordt er een nieuwe lading aangevoerd. Hij wou dat hij met zijn ogen kon eten. Voor zijn smachtende blik worden de gordijnen met een snok dichtgetrokken. Op naar een ander venster. Daar voltrekt zich hetzelfde scenario. Zjoef, gordijnen dicht. De jaren hebben de belevenissen gekleurd, maar het gevoel was toendertijd wel echt: buitengesloten van iets leuk. Nu hij erop terugblikt beseft hij dat het de Kosovaartjes, de Kongoleesjes, de vreemde nationaliteiten waren die het zonder grootouders moesten stellen…
Ooit heb ik een surogaat-oma opgetrommeld… Ze bewaart nog steeds het geknutselde geschenkje.
Wat later worden de warme maaltijden plastisch omschreven. Ze worden unaniem als walgelijk en oneetbaar bestempeld. De soep, om en om gewalst, blijft aan de rand van de kom kleven en verliest zo volume. Lekkernijen van bij de bakker verhuizen naar de leraarskamer terwijl de kinderen kleffe aardappelen naar binnen werken. Op de speelplaats nipt de juf van haar Fanta… ooo wat wekt dit goesting op!
In het derde leerjaar rijgt hij straf na straf aan elkaar. Hij pijnigt zijn hersenen op zoek naar een niet voor de hand liggend antwoord op de vraag wat er zoal in de dierentuin te bezichtigen valt. “Dinausaurussen!” Het wordt hem niet in dank afgenomen. Een dier uit het bos. Een olifant! In Azië toch, ja? De echtgenote van koning Boudewijn? Euhm… hij twijfelt… Koningin Philadelphia? De klas is te klein, juffrouw Ilse is heel boos, als sanctie vliegt hij naar het vierde leerjaar. Of deze juf weet wat haar volgend jaar te wachten staat: zo’n dommerik? En zo voelt hij zich ook: ontstellend dom.
Herinnering na herinnering passeert de revue. Om zijn verhaal kracht bij te zetten veert hij recht.
Met een kreet vol weerzin hipt hij omhoog. Bwakkes, eikes… Vol afgrijzen kijkt hij van de half geplette slijmerige naaktslak naar zijn blote voet. “Wacht maar, die moet er aan…” en hij stevent naar de keuken. Gewapend met het zoutvat gaat hij zijn belager te lijf. Het laat het weekdier onberoerd, het geeft geen krimp, het is immuun.
Hiermee komt er een abrupt einde aan het gezellig gekeuvel op het terras.
Uren later, de avond heeft plaats gemaakt voor de nacht, zit ik weer aan de tuintafel, onder mijn gele parasol. Hij heeft zijn beste tijd reeds gehad, de zonnige kleur is verschoten, het katrolkoord gebroken, het hout staat krom van de reumatiek. De buitenverlichting verkeert nog in een embryonaal stadium, de opgerolde draad bungelt in drievoud doelloos boven de dubbel openslaande deur. Ik behelp me met een stijlloze functionele looplamp die desondanks, in de nok van het scherm gehaakt, een warm feeëriek licht verspreidt.
Ik zit hier graag, omringd door bloemen en planten, half in het mysterieuze duister, met het geruis van de autoweg op de achtergrond. Het stoort me niet, geluiden klinken gedempter in de nacht.
Toch kan ik me nu moeilijk concentreren. Mijn ogen dwalen telkens weer over de witte muur en speuren naar glimmende sporen of donker afstekende silhouetten van die slijmerige veelvraten. Ze zijn dol op mijn lelies en dat heb ik helaas veel te laat in de gaten. Ik betrap ze op heterdaad terwijl ze met zijn vieren bloemknoppen consumeren. Ze laten zich niet zonder slag of stoot hun maaltje ontnemen, taai en onwrikbaar zuigen ze zich vast. Op veel sympathie van mijn kant kunnen ze niet rekenen, zonder mededogen pulk ik ze los, linea recta de slakkenhemel in…
Mijn zout is op, maar de slakken niet...
Het lijkt er op dat deze meeting niet door zal gaan. Op het laatste moment kom ik te weten dat ze nog een taak heeft voor school. Tegen morgen of overmorgen, ze weet het niet precies. Een opdracht die ze reeds vóór de paasvakantie kreeg. Een boek lezen en daarvan op een Aviertje een synthese maken, in stripvorm. Ik kan mezelf wel voor het hoofd slaan. Waarom heb ik het niet beter opgevolgd? Ik laat me steeds in slaap wiegen door die nee-ik-heb-niks-te-doen-voor-school annex controle van de agenda waar niets in stond. Ik zou beter moeten weten. De ervaring heeft me immers geleerd dat mijn dochter problemen onder de mat veegt en een struisvogelpolitiek hanteert: wat ik niet zie, bestaat niet!
In elk geval, na het ontbijt dat we samen op ons zonovergoten terras degusteren, besluit ze in haar schoolwerk te vliegen en ’s avonds na de wedstrijd zal ze nog een tandje bijsteken. Knutselwerk, zo bestempelt ze haar taak, doe ik pas nà het studeren!
Na enig wikken en wegen valt onze keuze voor de zondagsbesteding op een atletiekwedstrijd in Izegem. Aalst haalt het niet wegens minder keuze aan disciplines die ons interesseren.
Ik ga meteen in de weer voor het middagmaal. Het moet voedzaam en transportabel zijn. Een pastaslaatje met kip dus…
Het beoogde vertrekuur halen we niet, het ging net zo lekker dat schoolwerk, dus…
Het rijdt vlot op de E17 richting Kortrijk. Echter…. Naarmate we westelijker rijden overtrekt de hemel en wanneer we onze bestemming bereiken is het helemaal grijs en miezert het. Ondertussen kom ik tot de ontdekking dat ze enkel haar trainingsvest meenam en niet haar broek, dat de regenkledij ook thuisbleef, dat ze niet aan verse sokken of pullover dacht. Wederom, ik ben kwaad op mezelf, had ik maar…
Gelukkig heb ik twee regenschermen in de koffer liggen.
De atletiekpiste ligt in een groen kader, echt mooi.
Ze zal deelnemen aan verspringen, kogelstoten en discuswerpen.
Ik heb op dergelijke namiddagen al dikwijls nattigheid meegemaakt. Maar nog nooit als deze namiddag. Het hield niet op met regenen.
Hoe het zand aan je blijft kleven bij de landing van een middelmatige sprong, zonder handdoek om het af te vegen.
Hoe vies en nat een kogel in je nek aanvoelt.
Hoe droog een discus wordt met een natte handdoek…
Mijn regenscherm lekt. Via naden en minuscule gaatjes plenzen regendruppels op mij. En op Jolien. Wij delen een eenpersoonsparaplu. Met enige afgunst kijken we naar de reuzenschermen op pikkel van de collega’s. Een half-tent-regenscherm trekt mijn aandacht. Het ziet eruit als een overmaatse paraplu met zijflappen, voorzeker een visser! In die flappen zitten links en rechts ruitjes verwerkt. De man erin volgt de wedstrijd evenwel nog vanonder een extra regenscherm!
Mijn sportief meisje is verkleumd! Ze voelt de discus zelfs niet meer in haar handen. Ik probeer haar op te warmen met mijn mohair pull-over. Nadien ziet ze er pas uit als een verzopen kat, met die haartjes uit mijn pull op haar handen….. Ze voelt zo klam dat wrijven zelfs niet helpt. Uiteindelijk vinden we een oplossing. Armen uit de mouwen, handen onder de oksels, binnen de kortste keren is ze weer op temperatuur.
Het resulteert in een persoonlijk record voor discus…
Die hele namiddag heeft het dus geregend. Zonder ophouden.
Toen we in Gent terugkwamen zag alles er verdacht droog uit. Mijn pluviometer – een achtergelaten afwasbak – wijst minimale neerslag aan… Djeeeezes… hopelijk heeft het in Aalst ook goed geplensd…
Even heb ik de smoor in. Pol heeft de kinderen om vijf over twaalf gedropt. Het is namelijk moederdag. Alleen… dit is niet om mij te plezieren, want niet ik word in de bloemetjes gezet, maar de moeders van zijn jonge gezin, namelijk zijn partner en de oma van de jongste kinderen. Het knaagt een beetje bij mijn telgen, ze voelen zich ietwat buiten spel gezet. Ze hebben reeds foufou gegeten, met kip, in een haastje, en daar sta ik dan met mijn opgespaarde honger, want zin in de mij ingebeelde brunch hebben ze niet.
Maar ik ken mijn pappenheimers, aan een aardbeientaart zullen ze niet kunnen weerstaan! En zo wordt mijn middagmaal alsnog gered.
We halen herinneringen op. Hoe ik indertijd voor de charmes van hun papa viel. Ik was de gedroomde moeder voor zijn – toekomstige - kinderen, en ik, ik was verkocht.
Mijn allereerste moederdag bracht ik ei zo na kinderloos door. Als vanouds was ik tijdens het Hemelvaartweekend in Woluwe, waar de hele leefgroep deelnam aan de Special Olympics, een jaarlijks weerkerend sportief, sfeervol gebeuren. Het liefst begeleidde ik de atletiek, volgens mij het kloppende hart van dit evenement.
Pol had op zaterdagavond echter een optreden met zijn percussiegroep en collega An zou onze baby opvangen. Toen ik die zondagmiddag op mijn werkplek terugkwam, was mijn eerste bekommernis het thuisfront contacteren. Een GSM had ik toen nog niet en bellen vanuit de leefgroep kon ook niet, ik moest naar de telefooncel buiten het kasteeldomein.
Tot mijn teleurstelling was An nog niet langs geweest. Erger, ze bleek gewoon niet te bereiken.
Ik heb moeten wachten tot half negen ’s avonds eer ik mijn zoon terugzag. Mijn baby die net kon zitten en die ik meer dan drie dagen had moeten missen. Mijn allereerste moederdag. Zonder Kind.
An had met hem grote sier gemaakt bij haar familie, waar ze – o ironie - moederdag vierde. Ze had geen idee van mijn grote gemis…
Tegenwoordig meet het onderwerp van deze feestdag ruim een meter negentig. Hij is niet de enige die deelt in mijn moederlijke aandacht. Zijn zus, bijna drie jaar jonger, steekt hem qua lengte nèt niet naar de kroon, maar groeide mij heel recentelijk en letterlijk boven het hoofd.
Ze mogen er zijn, mijn troonopvolgers, en daarmee bedoel ik dat ze gezién mogen zijn. Ik ben een fiere moeder…
Moederdag anno 2007. Fietszondag met dochter. Te velde genieten van een cocktail. Zij met exotische vruchten, ik een mojito.
Ze wil samen met familie vieren. ’s Avonds vinden we elkaar in een Turks restaurant: zij en ik, Boontje en zijn vrouw, Koekske en dochter. Heerlijk!
Veiligheidshalve nemen we de GPS mee. Stel dat we onze parkeerplaats niet terugvinden! We memoriseren elk een straat.
Ongelooflijk, na afloop weet ik niet meer waar ik de auto achtergelaten heb! Met een druk op de sleutel met afstandbediening hoop ik de pinkers te activeren, waarna het een fluitje van een cent zou moeten zijn mijn vehikel te lokaliseren. Het is eng. Belachelijk om me niet veilig te voelen.
Uiteindelijk rest ons niets anders dan de weg te vragen aan een koppel… Ahum, ahum… blijkbaar zijn we toch ongemerkt de parkeerplaats voorbijgelopen…
Verhofstadt komt bij de hemelpoort.
Petrus schrikt zich een hoedje want zo vaak ontmoet hij daar geen hoge
politici.
Hij weet niet zo goed wat hij met hem aan moet.
Verhofstadt geeft aan dat zijn plaats toch echt in de hemel is.
Maar volgens de regels moet Verhofstadt, alvorens hij mag kiezen, een
dag in de hel en een dag in de hemel zijn.
Petrus leidt hem naar de lift en zet hem eerst bij de deur van de hel af.
De deur gaat open en Verhofstadt stapt meteen in de mooiste zee die hij
ooit zag en waar hij ook nog kan diepzeeduiken!
In de zee ontmoet hij bijzonder gelukkig ogende oude vrienden.
Ze schudden elkaars hand en praten volop over de goede oude tijd waarin ze beroemd en rijk werden.
Vervolgens duiken ze, na eerst een paar vissen te hebben gegroet, samen
verder.
Na afloop genieten ze van een diner met kreeft, kaviaar en champagne.
De duivel is ook aanwezig en blijkt een bijzondere en aangename man te
zijn
die
grapjes maakt.
Al met al is het zo'n heerlijke bijeenkomst dat de dag om is voor hij
het
in
de gaten heeft.
Zijn vrienden zwaaien hem uit als hij terug de lift instapt.
Als de
lift
weer open gaat komt hij in de hemel terecht.
In de 24 uur die volgen zweeft Verhofstadt tevreden van wolk tot wolk.
Er wordt gezongen en op de harp gespeeld en Verhofstadt zingt graag een
deuntje mee. Hij heeft het aardig naar zijn zin.
Als hij weer voor Petrus staat, vraagt die hem of hij een keuze heeft
kunnen
maken.
Verhofstadt denkt even rustig na en zegt: "Ik zou het nooit gedacht
hebben
hoor, en ik moet zeggen dat de hemel heerlijk was".
"Maar ik denk dat mijn plaats toch in de hel is bij mijn oude
vrienden."
Petrus begeleidt hem in de lift naar beneden en de deur gaat open.
Daar zijn zijn vrienden weer aan het duiken, nu echter in een vervuilde
zee,
er is geen vis te bekennen, ook geen koraal.
Er is bijna geen zuurstof meer. Zijn vrienden hebben teveel lood om
zich
heen om boven te kunnen komen.
Ze zitten vast in de vangnetten, ze kunnen geen kant meer op.
De duivel komt naar Verhofstadt toe en slaat een arm om hem heen.
"Ik snap er niets meer van", stamelt Verhofstadt. "Gisteren was het
hier
prachtig en aten we kreeft en kaviaar".
"We dansten en hadden een heerlijke dag! Wat is er gebeurd?"
De duivel kijkt hem aan, glimlacht en zegt: "Gisteren was het nog
verkiezingstijd. Vandaag heb je gekozen."
Het begint zo’n beetje een zondagse gewoonte te worden: een kort fietstochtje gecombineerd met een bezoekje aan een of ander familielid. Of vrienden.
Dit weekend hebben we een ritje naar Bietje in gedachten wat voor haar des te aantrekkelijker lijkt omdat nichtje Nele daar logeert. Een telefoontje om te checken of het past, en weg zijn we, moeder en dochter. Ik vertrek niet onbeslagen ten ijs: een uitgeprinte route, de gps, water, een stuk fruit, een fietspomp, regenkledij, de gsm, het zit allemaal in mijn rugzak. Zo’n zak is natuurlijk niet bevorderlijk voor de aërodynamica, maar dat geldt evenzeer voor ons model fietsen.
Van in ’t begin loopt het al fout. De brug die ik in mijn hoofd heb blijkt niet dezelfde als op de kaart. Hierdoor rijden we al meteen de verkeerde richting uit. Maar het deert ons niet, het is lekker fietsweer, niet te warm, noch te koud. Ik heb geen gevoel voor richting en ruimte, en dat blijkt eens te meer. Een doorsteek draait uit op een omweg, links moet eigenlijk rechts… ik heb duidelijk geen ingebouwde magnetische naald die me het juiste pad wijst.
Af en toe vragen we de weg, maar aangezien ik slechts twee richtingwijzigingen kan onthouden, rijden we binnen de kortste keren weer verkeerd. Er is iets met Heusden Brug: erover, erlangs? Ik weet het niet meer. We rijden op een dijk langs de waterkant. Rechts een schriel stroompje water, links weilanden. Een autoweg boven ons hoofd met een wegwijzer naar een parking maakt onszelf niet veel wijzer. Aan de linkerkant een onbekende kerktoren. Een zijweg leidt enkel naar een boerderij. Twee lege fietsen tegen een boom. Af en toe een tegenligger. Of twee. De gps brengt weinig soelaas, er resten ons nog evenveel kilometers als bij het begin. Plots zie ik recht voor mij twee torenspitsen. Heel vertrouwde.
Ik rijd verdorie richting Gent! Even later wordt dit door een passant bevestigd.
Rechtsomkeer dus. Ten langen leste vinden we de beoogde brug en dreef. Vanaf nu laten we ons leiden door de technologie opgeborgen in haar jaszak. Via een hoofdtelefoontje ontvangt ze de richtlijnen. De gps sommeert rechtsaf waar het naar mijn gevoel rechtdoor moet zijn. Kilometers later moeten we naar links terwijl ik pertinent zeker weet dat het nog rechtdoor is. We negeren dit dus. Even later krijgen we dezelfde oproep. Ze is er niet gerust in dus gehoorzamen we de gps, passeren een aangrenzende gemeente en arriveren van een totaal andere kant ons doel.
Bietje offreert ons een verfrissing. En ochgottekes voor mijn dochter, ze krijgt Nele pas te zien op het moment dat deze vertrekt, er is een vriendje op bezoek.
Een uur later zijn we paraat om de terugweg aan te vatten. Nondeku! Haar band staat plat. Vergeefs proberen we die op te pompen. Moet ik nu alleen naar Gent om de auto te halen? Of samen met de bus?
Na veel vijven en zessen en de helpende hand van mijn schone broer, slagen we er toch in het ventiel te repareren. De terugweg wordt opboksen tegen een fikse tegenwind. Wensen dat ik er nooit aan begonnen was. Afzien. Doorbijten.
Stram en stijf. Ai mijn achterwerk.
Stretchen. Rekken. Dat doet deugd.
Ik heb zes punten verdiend bij de Weight Watchers…
“ZONDAG VOOR LIEVE KOFFIE GEMAAKT” lees ik op het briefje. Op mijn ronde door het huis vond ik het bovenop de koffiezet. Het staat er zelfs in dubbel, in onbeholpen drukletters. Vertederend, vind ik, het geeft me een warm gevoel en ontlokt me een glimlach. Schatten zijn het, elk apart, en het maakt dat ik met een licht hart de nacht inzet.
Daarnet nog was de loeiharde muziek uit Donalds kamer een woordeloze kreet om eens langs te komen. Met afgewend gelaat zit hij televisie te luisteren. Is hij boos? Teleurgesteld? De magische woorden of het uitstapje met M & M leuk was, wekken hem tot leven. Hij gebaart honderduit, vraagt hoe het met mijn “kiki” is. Ze slapen al, maak ik hem duidelijk, het is al na elf uur. En mijn kinderen zijn al groot, toon ik met mijn hand boven mijn hoofd. Hij knikt begrijpend. Morgen, vertelt hij me nog in zijn SMOG-taal, gaat hij met mijn collega naar de koers kijken. Of ik hem ’s morgens wil scheren? Uiteraard! Deal!
Ik moet nog een communicatiemap lezen en voorbarig zet ik mijn handtekening nadat ik het document in vogelvlucht doorgenomen heb. Morgen, beloof ik mezelf, lees ik het serieus. En voor kritische bemerkingen op die andere procedure, met deadline op 11 mei, heb ik nog even tijd… Alhoewel, de tijd vliedt snel…
Sedert ik halftijds werk leef ik in een trager tempo waardoor alles dubbel zo snel lijkt te gaan. Het leven in sneltreinvaart… De volgende ochtend probeer ik het eerste uur vol te proppen met klaarmaken van ontbijt, de was, de administratie… Edoch voor het uur rond is ontwaakt onze Igor en overstelpt mij met vragen. Heb ik goed geslapen? Jaja, lekker. Heb ik hem gehoord vannacht? Ja, ik dacht van wel, heeft hij zijn dorst niet gelest aan het kraantje in de gang? Nee, dat kan niet, beweert hij, hij heeft de hele nacht geslapen. De suggestie alleen al maakt hem onrustig. Of hij volgende zaterdag naar huis mag? Tuurlijk, dat is een vast gegeven, stel ik hem gerust. Of hij mee mag op uitstap naar Zeebrugge? Euhm… gaan we niet naar De Panne? Voor hem staat “zee” gelijk aan “Zeebrugge” in analogie met een vroegere ervaring. “Juih! Ooooh ik zie u zooo graaaaag!” En met een dikke kus onderstreept hij zijn uitspraak.
Diezelfde ochtend word ik op de hoogte gebracht van een dubbel overlijden. De twee overblijvende warmwatervissen hebben de geest gegeven. Ze liggen bewegingloos op de bodem van het aquarium. Het doet me twijfelen. Zijn ze wel echt dood? Drijven levenloze vissen normaliter niet aan de oppervlakte van het water? Het stemt me droef, net nu we een nieuwe thuis voor hen gevonden hadden!
Floris brengt me twee eieren. Ze zijn nog warm. Kakelvers dus. Hij meldt me dat een bruine en een zwarte kip nog in volle productie zijn. Aangezien Fritz op reis is, neemt hij spontaan diens taak over, namelijk de zorg voor het kiekenkot.
Even later dringt Merci’s stem met vele decibels het huis binnen. Ze zit op de schommel naast Floris. Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. Bij het middagmaal blijkt dat ze zich ergert aan het gezaag van de ene, het geluiwammes van de ander, de privileges die ze naar haar gevoel moet ontberen. Soep in een kom die ze nadien moet afwassen weigert ze te eten. En het extraatje in de vorm van een curryworst, wat ze anders nooit versmaadt, wordt van de hand gewezen wegens veel te laat opgediend. Gelukkig wordt ze weer haar opgewekte en blije zelf wanneer de namiddagcollega verschijnt. Wat een metamorfose! Ze heeft warempel weer gevoel voor grapjes!
Héhé, zo eindigt mijn nachtdienst alsnog in schoonheid. Een dienst gewisseld met Syl, waarvoor oprechte dank. Vrijdagavond wou ik namelijk graag naar het Diontheater in Antwerpen, om mijn blogmaatje Paz aan het werk te zien. Ik had een uur “onvoorziene omstandigheden” ingecalculeerd, maar dit bleek ontoereikend om de files te overbruggen. Meer dan twee uur was ik omringd door vrachtwagens wier opschriften ik me zelfs niet meer herinner. Rechts. Voor. Achter. Stilstaand. Stapvoets. Danig uit mijn humeur arriveerde ik daar tijdens de pauze om slechts drie kwartier toneel te consumeren. Gelukkig bestond er nog zoiets als après-theatre waarbij al mijn ambetantigheden werden weggewassen, dankzij Jackie’s en Friedl’s wedervaardigheden.