|
Vandaag was het de verjaardag van mijn broertje, hij zou 70 jaar geworden zijn als hij in diezelfde maand in 2002 geen einde aan zijn leven had gemaakt. Het paste wel bij hem, dat plotselinge einde. Hij deed altijd alles anders. Altijd in voor iets nieuws, altijd aan het experimenteren, iets waar het Amsterdam van de jaren zeventig royaal in voorzag. Hij had zijn eigen verhaal, zijn eigen demonen, zijn eigen keuzes.
Hij had een briefje voor mijn ouders achtergelaten waarin hij schreef dat het niet hun fout was geweest. Maar toch… Ik weet nog hoe kwaad ik toen was, kwaad op hem, op de wereld, op zijn foute vrienden en vriendinnen, op mezelf omdat ik hem niet had gezien, niet had kunnen tegenhouden, niet had… ja, wat eigenlijk. Alsof ik hem ooit had kunnen stoppen. Hij was altijd onderweg naar een plek waar wij hem niet konden volgen…
Vandaag merk ik dat mijn gevoelens veranderd zijn. De kwaadheid is niet weg, kwaadheid gaat nooit helmaal weg. Maar ze is gestopt met grommen. Ze zit ergens achteraan, als een hond die eindelijk is gaan liggen. Wat overblijft is iets anders, geen vergeving of begrip, maar een soort van onverschillige zachtheid.
Het verdriet van mijn ouders was het moeilijkst. Dat stille verdriet dat altijd aanwezig was. Dat briefje “het was niet jullie fout”. Alsof een schuldgevoel zich zomaar laat wegschrijven.
En toch mis ik hem, zijn rare ideeën, zijn plotselinge plannen, zijn manier om alles net anders te doen dan de rest. Dan vraag ik mij af hoe hij zou denken over de tegenwoordige toestand in de wereld. Wij zouden waarschijnlijk ruzie krijgen, elk onze eigen overtuiging, en hij zou kwaad weglopen. Zelfs zijn koppigheid mis ik, af en toe.
En iedere keer als weer even terug ben in mijn stad, kom ik hem tegen en loopt hij een stukje met mij mee.
|