* Mijn tweede huid * van ERWIN MORTIER

Uitgeverij Meulenhoff, 192 blz.

Mortier kauwt op zijn woorden en proeft ze. Groot is zijn aandacht voor klankwaarde en ritme'.
****
Mijn tweede huid is een roman over een Belgische plattelandsjongen.
Anton groeit op op een boerderij, die niet meer als zodanig funktioneert. Wanneer hij klein is wonen er buiten zijn ouders ook tantes en ooms, met al hun eigenaardigheden.
Het begin van dit boek doet denken aan Marcel, het debuut van Mortier. Ook hier gaat het om een kleine jongen, Anton, die alles vertelt. Anton groeit op in een voormalige boerderij, het huis met zijn vele kamers en kasten is een waar paradijs, er is altijd wel wat nieuws te ontdekken. Vele ooms en tantes komen en gaan in dit huis en Anton, hij kan net lopen, is de lieveling van allemaal. Mortier vertelt in prachtige taal het uiterlijk en de eigenaardigheden van de familieleden. Als een oom komt te overlijden, Anton zat toen op zijn schoot, maakt hij kennis met zijn neef Roland. Een vreemd en, in Antons ogen, onbeschoft, bizar figuur. Gefascineerd bekijkt Anton het doen en laten van de neef maar echt contact krijgen ze niet.Hoewel hij het niet zo goed met hem kan vinden, kijkt hij op tegen zijn oudere leeftijd.
Even later, bij de rouw, zie je dan weer zo’n typische alinea van Mortier: ‘Mijn moeder droeg me de kamer rond. Bij iedereen hield ze halt, ook bij de onbekenden, schimmen die hun pet op hun knieën hadden gelegd en onwennig zwegen, aan hun broekspijp prutsten of verlegen "jaja" fluisterden.’
Er staat geen woord teveel in deze zinnen, ze zijn erg beschrijvend en toch roepen ze een enorme sfeer op.
Maar kleine jongens worden groot, moeten naar school met alle narigheid van dien. Gelukkig maar, want als Mortier was blijven steken in weer een roman louter vanuit het perspectief van een jongen dan zou je haast schrijven dat hij zijn succes wilde overdoen.
Er zijn vele romans geschreven over opgroeiende kinderen. Belangrijk is erin niet zozeer wat er gebeurt, maar hoe de sfeer wordt weergegeven. In dit boek is het niet alleen het verhaal over Anton, maar ook het verhaal over het huis waarin Anton opgroeit. Was het huis voor hem vroeger een groot sprookjesbos met vele kamers met geheimen,naarmate Anton groter en wijzer wordt, verliezen de kamers hun geheimen, overlijden ooms en tantes en wanneer Anton tenslotte naar school gaat, blijkt het huis oud, stoffig, koud en ontdaan van vroegere glorie. Zelfs de herinneringen verbleken hierdoor en het huis, in Antons vroege jeugd een paleis, blijkt een gewone oude boerderij.
De eerste middelbare schooldag wordt meteen een desillusie. Haarscherp ziet Anton de maniertjes van de leraren en hun zwakke punten. De enige die het draaglijk maakt is zijn vriend Willem, zoon van een architect, wonend in een villa. Door Willem ziet hij zijn ouderlijk huis alsmede zijn familie zoals ze werkelijk zijn.
Het is natuurlijk niet alleen het ouder worden van Anton die deze metamorphose inzet. Tijd is de grootste knager aan het magische bolwerk. Niet alleen aan het gebouw zelf: ook de omgeving verandert drastisch: snelwegen krommen hun banen in het landschap, nieuwe bruggen vervuilen de achtertuin.
De confrontatie met de andere wereld, zoals het gezin en de grote villa van Willem, zet hem pardoes op zijn plaats wat betreft zijn afkomst.
Maar Mortier laat de jongen gelukkig zonder al te veel navelstaarderij groot worden. Het verhaal blijft zich subtiel opbouwen rond Anton, zijn ouders, zijn vriend Willem en Roland, maar ook sub-personages zoals leraren worden prachtig uit de doeken gedaan. De apotheose van het verhaal zelf is niet zo denderend, de verhaallijnen zijn misschien ook niet het sterkste punt van Mortier.
Het is niet zozeer het verhaal dat het boek zo mooi maakt maar wel het prachtige taalgebruik. Met een paar mooie zinnen worden karakters neergezet, bijna schilderachtig wordt het huis geschetst, over de vriendschap met Willem wordt mooi verteld. Ook het contrast tussen Antons en Willems familie wordt haarfijn neergezet, maar nergens wordt er geoordeeld of wordt het platvloers.
Erwin Mortier schildert zijn woorden subtiel, broos, zonder pompeusheid. Zijn taalgebruik is een lust voor het oog en de ziel. Een Vlaamse uitbundigheid van woorden trekken je mee in de wereld van het Belgische platteland. Erwin Mortier kreeg dan ook terecht de Ezelsoorprijs 1999, voor zijn debuutroman 'Marcel', ook zo'n wervelend bal met woorden. Met zijn tweede roman, 'Mijn tweede huid' moet hij die prijs waarmaken.
Erwin Mortier- 1965
*****************************
Erwin Mortier
geboren op 28 november 1965 is een Vlaams schrijver. Hij groeide op in Hansbeke, een dorpje aan de zuidergrens van het Meetjesland en deelgemeente van Nevele.Mortier studeerde kunstgeschiedenis in Gent en behaalde daarnaast het diploma van psychiatrisch verpleegkundige. Van 1991 tot 1999 was hij als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Dr. Guislain Museum,waar hij werkte aan de geschiedenis van de psychiatrie. In deze periode publiceerde hij in diverse tijdschriften als De Gids, De Revisor, Het nieuwe Wereldtijdschrift en Optima. Vanaf 1999 leeft hij uitsluitend van zijn pen. Begin 2004 werd Mortier voor een periode van twee jaar als stadsdichter benoemd aan de stad Gent.Zijn esoterisch oeuvre is een illustratie van de postmoderne tijd.
Erwin Mortier debuteerde met de roman Marcel (1999), ondermeer bekroond met de Gerard Walschapprijs, de Van Der Hoogtprijs en het Gouden Ezelsoor voor het beste debuut. In 2000 verscheen zijn tweede roman, Mijn tweede huid, genomineerd voor onder andere de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. De dichtbundel Vergeten licht (2001) ontving de C. Buddingh’-prijs.
In 2002 volgde de derde roman Sluitertijd, genomineerd voor de AKO-literatuurprijs, en de essaybundel Pleidooi voor de zonde.
Zijn werk verschijnt in vertaling in Duitsland, Frankrijk, Engeland en Bulgarije.
In 2004 maakte Erwin Mortier de overstap naar De Bezige Bij. Dat najaar verscheen zijn novelle Alle dagen samen. In deze novelle beschrijft hij zeven dagen in het leven van een jongen van vijf, wiens overgrootvader stervende is.
Op 7 oktober 2005 verscheen Uit één vinger valt men niet, gedichten bij foto’s van Lieve Blancquaert. De foto’s in deze bundel werden genomen in het voormalige Klooster van de Minderbroeders of ‘freremineuren’ te Gent. Lieve Blancquart maakte de foto's vlak nadat de laatste paters in 2004 het klooster verlieten.
De bundel Uit één vinger valt men niet bevat ondermeer de eerste drie stadsgedichten Patrologie (Vaderleer), Babel Lascaux of de Heilige Hiëronymus in zijn studio en Onze Magazijnen (Depot voor Verboden Voorwerpen).
Erwin Mortier schrijft geregeld voor het dagblad De Morgen, De Volkskrant, de Belgische openbare omroep, en literaire tijdschriften als De Gids, De Revisor, het Nieuw Wereld Tijdschrift en Optima.
Bibliografie :
Romans
Marcel (1999)
Mijn tweede huid (2000)
Sluitertijd (2002) (ook als luisterboek, voorgelezen door Mortier zelf)
Alle dagen samen (2004)
Gedichten :
Vergeten licht (2001)
Gebundelde essays :
Pleidooi voor de zonde (2003)




























