
Volgend stukje en ook hetgeen volgende week volgt is geschreven door Koen.
Koen woont al jaaaaaren in Agde , aan de middellandse zee in het departement Hérault.
In Frankrijk....
Nu profiteer ik er van om terwijl ik zelf aan het werk ben, en niet op vakantie zoals iedereen denkt, om zijn schrijfsels te gebruiken zodat ik even veel.... en Koen het werk gedaan heeft.
Ik wilde schrijven verdiend, maar met blogs schrijven is tot hiertoe niets verdiend...
Hier gaat hij:
Het zal U maar overkomen dat ge door de barhouder uitgenodigd wordt, samen met Uw echtgenote, omdat ge nogal dikwijls naast één van zijn trouwe tooghangers staat. En omdat hij weet dat ge nogal goed met deze laatste bevriend bent.
Les amis de mes . . . clients. . .
Vooreerst is het niet erg duidelijk waarvoor die uitnodiging geldt. Het gaat over een mechwi, morgen zondag, nabij Montblanc, om twee uur. Er wordt 80 à 100 man verwacht. De barhouder richt dat in voor zijn trouwe klanten. Er zal lekker eten zijn maar mes en vork moet ge zelf meebrengen.
De kleine slimmerik geeft uitkomst: (*)
Méchoui: n.m. Chez les Arabes, rôti de mouton, de gazelle ou de chamelon.
(*) Petit Larousse.
Dat is wel duidelijk maar laat alle mogelijkheden open. Geroosterd schapenvlees voor 80 à 100 man, we zien dat niet zo goed zitten, maar we zullen ons toch in het avontuur storten.
En een avontuur bleek het wel te zijn, al verwachtten wij geen gazelle- of kameeltjesvlees in het land waar schapen- en lamsvlees de grote lekkernij uitmaken. Dat klopte dan ook.
In dit door de zon bevoordeligd oord zijn geen afspraken te maken. Behalve met tandartsen, dokters en inwijkelingen uit andere regionen. Niemand houdt zich aan een woord of een afspraak en iedereen voelt zich daar wel bij, behalve de onnozelaars uit filosofisch minder ontwikkelde landen, die geloven dat uurwerken en kalenders een zeker nut hebben. Maar . . . er zijn uitzonderingen en die zijn snel omschreven: bij alles wat de ingeborenen amuseert kan men op hun rekenen. Spelen, zich vermaken, ziedaar de voornaamste bezigheid.
Die méchoui blijkt zo’n “spel” te zijn.
Er is veel overredingskracht nodig om een geboren Languedocien te bewegen tot enige lichamelijke inspanning die naar werken zweemt. “Ca fatigue le cœur!”
Maar voor wat hun aanspreekt mag het zweet hun langs de rug gutsen. We zouden ze bezig zien bij het méchoui-spel. Achteraf gezien hebben wij er geen spijt van.
* *
Het zal nog even duren want er wordt tot voorbij halfdrie geapéritiefd in de bar, vooraleer een karavaan van een vijf en twintigtal wagens zich in beweging zet aan de ronde sluis van het Canal du Midi, richting Bessan. Aan een gezapig gangetje rijden wij door de smorende juni hitte. Dat traag rijden hoort niet tot de plaatselijke geplogenheden want met een lichte druk van de voet kan men evengoed laag vliegen, en een blutsje meer of minder speelt ook niet zo’n grote rol.
De koprijder is duidelijk bekommerd om geen deelnemers te verliezen onderweg. Die zouden van dorst kunnen omkomen. Eenmaal de départementale verlaten en Bessan achter ons, kruipen wij naar Montblanc toe. We dwarsen de “bretelle” en even later de A 9 zelf. Het contrast met onze trage stoet, die wat weg heeft van een reusachtige processierups, met de erg gehaaste Spanjevaarder, is zéér groot.
Merkwaardig genoeg blijkt het tamelijk kleine Montblanc over een “Hôtel de Ville” te beschikken in plaats van de gebruikelijke “Mairie.” Maar wij zijn er snel doorheen, vier straten en een kerkhof. Het moet een zeer ongezond oord zijn, want de collectieve rustplaats is buiten verhouding groot. Misschien worden er bestellingen uit omliggende dorpen aangenomen? Mogelijk heeft men er simpelweg de gewoonte de zaken groot te zien. We weten dat er een zogenaamde Abbaye moet zijn die een goed wijntje produceert, maar daar komen wij niet langs. En onze karavaan trekt voorbij, al horen wij geen honden blaffen in de hete stilte.
Wijngaarden, wijngaarden, laagstammige vruchtbomen en wijngaarden. . . Naargelang het centrum van Montblanc in de verte achter ons verdwijnt worden de wegen nog slechter. Tot het hoofd van de karavaan halt houdt op een stuk garrigue naast iets dat op een oase lijkt, alle verhoudingen in acht genomen natuurlijk.
Het is waarachtig een terrein dat rondom afgebakend is met twee meter hoge roestige tennisdraad en voorzien van een dubbele, even hoge maar nog roestiger toegangspoort.
Het terrein is een goede hectare groot en de wijd openstaande poorten zitten ten minste tien centimeter diep in de grond. Het geheel getuigd van een zware inspanning die ooit in het verleden geleverd werd door iemand die niet helemaal in deze omgeving paste. Zijn nakomelingen vonden zelfs het sluiten van de poorten nogal vermoeiend. Vandaar . . .
Midden de eindeloze wijngaarden staan hier op dit afgebakend terrein een vijftigtal kleine parasoldennen samengetroept. Droog als kurk, klaar om in brand te vliegen wanneer iemand ze kwaad zou bezien. Maar zij geven schaduw! De grond erachter is bedekt met een al even droog naaldentapijt van tien centimeter dik. Nu vooral niet aan een lucifer denken. En die rokers daar, wou ik liever niet zien.
De karavaan reizigers ontdekken onder deze dennen een eigenaardige verzameling lange tafels en zitbanken van de meest uiteenlopende soort. Waarschijnlijk het afgedankte meubilair van oude drankhuizen die omgevormd werden tot seizoen gebonden “restaurants” voor argeloze toeristen. Hier zullen deze oude meubels nog goede diensten bewijzen. Wie het klimaat kent weet dat ze hier nog vele jaren in weer en wind mogen staan eer ze uit mekaar vallen.
Wat we verder aantreffen is minstens even belangrijk: een soort voorhoede of kwartiermakers, ongeveer tien man sterk, heeft reeds de nodige voorbereidselen getroffen. De aankomenden krijgen een glas in de hand gestopt en mogen langsheen een lange tafel hun eerste apéritief in ontvangst nemen. Ik zeg wel duidelijk “eerste”, want de aanschuivende rij verandert geleidelijk in een soort bijenzwerm die zich aan de apéritieftafel vasthecht.
Na de préliminaire apéritieven in de vertrekbar, en de pastis en de wijn die hier geschonken wordt à gogo, vinden de bakjes met olijven en knabbels allerlei, gretig aftrek. Het middaguur is ook al lang voorbij. . .
We verkennen het terrein en dat loont de moeite, zodat we één en ander beginnen te begrijpen. De plaatselijke mentaliteit in acht genomen, is de méchoui goed georganiseerd. Achter een tankwagentje van ongeveer duizend liter treffen wij een autokarkas met dieselmotor aan. Een vernufteling heeft het zo geregeld dat die motor met een lange drijfriem (eigenlijk een touw) het braadspit draaiende houdt.
En op dat braadspit wentelt reeds een volwassen schaap boven een zacht houtvuur in een pas gegraven greppel. Er hoeft slechts één vonkje weg te vliegen en . . . Niet aan denken!
Uit de fragmenten van gesprekken leer ik dat die tankwagen daar niet enkel staat voor de afwas, maar ook om de eerste bluswerken te verrichten in geval van. . .
Oeioeioei, ocharme duizend liter water! Terwijl er een radiozender aanwezig is om de brandweer van Montblanc op te roepen “en cas d’en cas.”
Montblanc heeft dus niet alleen een “Hôtel de Ville” en een reuzenkerkhof, maar ook nog een brandweer! (Ik moet mijn kleinerende manier van denken afleren.) Zouden die pompiers hier wel geraken voor we allemaal geroosterd zijn gelijk dat schaap, en, waar zullen die water gaan halen? Terwijl ik angstig onze overlevingskansen afweeg, wordt nog een groot vuur aangestoken naast het eerste. Toe maar. . . ! Zou dat voor het iets kleinere reserve schaap zijn dat op een ander spit klaar hangt? Neen, dit vuur heeft een andere bestemming.
In een grote plaatijzeren bak met vier hengsels worden twee zakken van vijfentwintig kilo mosselen leeggegoten. Vier mannen, met ijzeren staven gewapend, hangen de bak boven het tweede vuur om de mosselen te roosteren. Een vijfde man, die het nogal warm heeft, roert regelmatig de schelpdieren om tot ze gaar zijn. Dat neemt niet veel tijd in beslag en plotseling hangt de bijenzwerm van de apéritieftoog rond de mosselbak, elke bij gewapend met een kartonnen bord.
Het voorgerecht noopt tot plaatsnemen aan de tafels en het wordt wat stiller boven die galmende Middellandse-Zee stemmen.
Er moet zowat honderd man bij mekaar zijn, ongerekend de zuigelingen en kleine kinderen die intussen door hun moeders werden bedacht met een borst, of een
Lu-Parein-De-Beuckelaër-koekje om ze zoet te houden. Het eetmaal is nu op dreef en iedereen gaat om een tweede of derde portie geroosterde mosselen, want de tweede bak is intussen gaar en de derde wordt omgeroerd.
De lege schalen worden netjes in zakken gedeponeerd. Men gelooft zijn eigen ogen niet, hoe proper ze soms kunnen zijn.
Van de betrekkelijke rust rond de vuren maakt de grootste van de aanwezige honden gebruik om het reserve schaap een beetje nader te bekijken. Hoe is een hond ? Maar, voor hij eraan kan likken krijgt hij een droge tik op zijn snuit. Zijn collega’s die een beetje afwachtend toekeken, klaar voor de algemene aanval, nemen de les ter harte. Zij dringen niet aan.
Opnieuw worden er stokbroden rondgedeeld en komen er volle kruikjes rouge op de tafels. En grote kommen sla, tomaten, komkommers, groene en rode pepers en wat er nog bij hoort aan “mâche”, krulandijvie, en ajuin, alles natuurlijk met de nodige vinaigrette bevochtigd. Niet alleen een lust voor het oog.
Ondertussen worden wij omgeven door een heerlijke lucht van gebraad. En dan komt het grote moment:
Het dieseltje wordt even stilgelegd en het geroosterde schaap komt tot rust op een uit haar hengsels gelichte deur, vooraf proper geschuurd met (blus)water.
En of we het nu willen of niet, het is een plechtig moment wanneer de voorsnijder het grote mes in het vlees zet. En dan, zoals hier gebruikelijk is wanneer iets lekkers op tafel komt, beginnen alle aanwezigen in de handen te klappen en complimenten te roepen naar de bereiders. Zoals :”Salut l’artiste!” de artiesten glunderen door hun zweet heen.
Schapenvlees is een lekkernij. Maar wat ik na enig geharrewar op mijn bord krijg, slaat alles. Vraag me niet welk deel van het beest het is, het enige wat ik zie is dat het van de buitenkant komt. Na verwijdering van de bruinzwarte geschroeide huid komt een gaar maar rozig plat stuk tevoorschijn, ter grootte van een hand. Mijn pollen zijn niet van de kleinste. Het vlees is onwaarschijnlijk lekker. In Antwerpen – hoever is dat nu weg? – zou men zeggen: “oem te zouige!”
Het feest komt nu pas goed op gang. Geholpen door de wijn en het lekkere eten stijgen de conversatie en de stemming tot op grote decibel hoogte. Eer het zover was zijn de vrijwilligers zo opgegaan in hun “spel” dat het in deze warmte niet meer netjes was. Nu genieten zij natuurlijk dubbel mee. Wie nog iets hebben wil moet het zelf maar gaan halen. Het reserveschaap wentelt verder.
Bij onze aankomst zag ik op de apéritieftafel tussen de pastisflessen en de wijnkruikjes een wat vereenzaamde magnum staan met het etiket “Nuits Saint Georges”. Omdat niemand ervan schonk dacht ik dat deze grote fles was nagevuld met de “gewone” rouge van Pinet, (spreek uit: Pinéed) die er trouwens nogal zachtjes binnenliep.
De plastieken kruikjes goten handiger en elke tafel had er een paar geënterd om zeker niet zonder te vallen.
Aan mijn schaap beginnend, valt mijn oog weer op de magnum met het lekkere etiket. Hij is opgerukt tot de tafel naast de onze en de inhoud is met een kwart geminderd. Eigenaardig, niemand schenkt er veel aandacht aan. Omdat ik niet van onopgeloste mysteries hou, ga ik de grote fles gewoon halen om er van te proeven. Het moest eens waar zijn . . . Niemand verdedigt de fles, of kijkt zelfs maar even op. En daar hebben zij ongelijk in, want het is waar! En een stuk zacht schapenvlees, vergezeld van een vier jaar oude Nuits Saint Georges kan ik aanbevelen. Onze tafelburen delen deze opvatting, en de magnum komt niet verder dan onze tafel.
De gloeihitte van de dag vermindert een beetje en de feestvierders worden wat kalmer na de uitgebreide maaltijd. Met een deken, wat ik uit de wagen haal, trek ik naar een wat lager gelegen stuk van de “oase” en vlei me neer op de matras van droge naalden.
Het laatste wat ik zie is de zinderende lucht boven het golvende landschap dat gelijkenissen heeft met onze Brabantse heuvelruggen. Het geroezemoes wordt zwakker en Morpheus moet niet lang naar me zoeken. Maar mijn slaap is niet zo heel rustig want mijn onderbewustzijn is met iets bezig dat maar niet aan de oppervlakte wil komen. Zalig is het hier.
Wanneer ik de ogen weer open, baden de glooiingen in de karmijnrode gloed van de vooravond zon. De temperatuur is aangenaam geworden, en ver achter mij hoor ik het vertrouwde geluid van tegen mekaar tikkend metaal, begeleid door de commentaren van de boulisten.
Alles is in zijn vredige plooi gevallen. Deze mensen genieten volop van de zevende zondag van de week.
En plots weet ik waar ik onbewust naar zocht: de boerenbruiloft. Het wereldbekende werk van onze onvolprezen Pieter BRUEGEL.
Zou het kunnen dat hij ooit een studiereis maakte in de Languedoc? Uitgesloten is dat niet, maar deze middag was hij hier in elk geval aanwezig.
Ik heb hem zelf gezien!
Zelf heb ik ook nog een verhaaltje over een mechoui in Algerije: hier...
Volgende keer over gegrilde sardienen