Start van onze tweedaagse voettocht naar de watervallen van de Geti-stroom.Wij rijden eerst een uur ver tot in een dorp. Daar gaat René wat palaveren en hij komt terug met 6 mannen met lansen. Dat zullen onze dragers zijn. Ze nemen elk een koffer op het hoofd en op een rijtje trekken wij voorbij de laatste hutten van het dorp de brousse in.Langs kleine wegjes gaat het berg op en berg af. Het lange gras belet ons de stenen en rotsen op de weg te zien en het marcheren is moeilijk. Wij moeten een stroom oversteken. Blootsvoets gaan wij bedachtzaam door de rivier. Door het snelle water hebben wij alle moeite om rechtop te blijven. Wanneer wij over zijn willen de dragers niet meer verder : ik moet eerst een foto van ze nemen.
Het wordt middag en het is heet. Hier en daar staat er een schrale boom, voor de rest rotsen en gras. Enkel een fijn briesje komt af en toe verfrissing brengen. Dan bereiken wij de rand van het gebergte. Wij houden halt. Opgepast voor het drinken, wij hebben maar 4 liter water mee en moeten toekomen tot morgen avond. Voor ons, 800 meter lager, ligt de vlakte met daarin als een wit glinsterend lint de Sekliki-stroom; daarover ligt Oeganda. We beginnen de afdaling. In de verte zien wij de waterval. Opzij van ons, gescheiden door een diepe afgrond, machtige falaisen : bergen waarvan de rotswanden uitgesleten zijn door de erosie. In de vlakte zijn er geen wegen; door het gras dat boven ons hoofd reikt, volgen wij onze dragers. Het is snikheet, er is zelfs geen deugddoend briesje meer. Plots staan we voor een hut. Onze dragers stoppen. Hier zullen wij ons kamp opslaan. Wij laten ons moe vallen in de schaduw van de hut. René is nog fris. Hij pakt uit en begint meteen soep te koken. De dragers komen ons uitleggen dat een eind verder de stroom loopt en brengen er ons naartoe. In onderbroek liggen wij plat op onze buik in het lauwe water dat ros ziet van het zand dat het meevoert. Onze dragers profiteren er van om zich te wassen, ze zepen zich in van kop tot teen en gaan dan ook languit in het water liggen. Een van hen zegt me in het weinige Frans dat hij kent dat hij 28 jaar is, en dat hij twee vrouwen heeft. Ik antwoord “Moi, seulement une femme” waarop hij me meewarig aankijkt. Hij had me wellicht hoger ingeschat. Mijn hielen staan vol blaren. En dan maar bedenken dat onze dragers gans de weg blootvoets gelopen hebben.
Als we terug bij de hut zijn is de soep klaar, het is echter veel te warm om te eten. Drinken moeten wij doen. Maar onze kruik met water is al zo ver gezet. Panja, een oude neger met dikke voeten, zit bij zijn hut te naaien aan een kleed. Hij is het familiehoofd. Maar hij is nog meer : hij is de gids en de tovenaar. Al wie naar de waterval wil moet langs hem rond. Hij zal dan meegaan en een kip slachten aan de voet van de waterval om de boze geesten, de slangen en de vallende stenen te verdrijven. Daarom hebben de dragers ons niet rechtstreeks naar de waterval gebracht, hoewel dat heel wat korter zou geweest zijn. Nu is het nog minstens 2 uur lopen. Dat kunnen wij vandaag niet meer halen voor het donker wordt. Wij besluiten dan maar van morgen vroeg niet verder te gaan maar rechtstreeks weer te keren. En zo leven wij dan een ganse namiddag met Panja en zijn familie mee. Terwijl een vrouw de maniokbrei aan het stampen is, is een ander een klein jongsken aan het zogen. Het loopt af en toe eens weg om wat te spelen en komt dan weer resoluut naar zijn neergezeten moeder, neemt haar borst en steekt ze in de mond. René is wat verder met het mannenvolk aan het palaberen en Georges, die niet tegen de reuk kan, zit tegen een appelboom, zijn broer aan het verwensend omdat die ons gebracht heeft waar wij nu zitten. Een van de Panja’s vrouwen heeft bier, inlands bier uit de blaren van palmbomen. In een moorken loopt ze er mee rond om het te verkopen aan de dragers. René geeft ook een rondeken. Mijn grote dorst doet al mijn principes van hygiëne wijken en ik drink mee. Uit een vuile kroes met eronder een grotere kroes drink ik het brouwsel dat op erwtensoep lijkt. De eerste smaak is meelachtig, de nasmaak is rens en misschien mag het best te vergelijken met geuze. Het is toch wel een straf goedje. Tegen de avond aan wanneer de zon minder straf is, zetten wij de tent op, vlak naast de hut. Onze dragers gaan wat gras afsnijden om het onder het grondzeil te leggen, zo liggen we toch niet op de harde grond. Ik leg me direct in de tent. René en Georges komen wat later . Ook zij liggen te draaien en te keren. Het is snikheet. Wij doen de tent open en hebben meteen zwermen muggen om ons oren. De negers zitten wat verder bij een vuurtje te babbelen en te drinken, uren lang. Het vuur werpt schaduwen op het tentzeil boven ons hoofd. Georges ligt met zijn kop buiten de tent, hij is er niet gerust in. René roept op de negers om stil te zijn. Plots enkele donderslagen, enkele rukken van de wind in de bomen en het tentzeil en dan begint het water te gieten. Alles koelt nu vlug af. Het is 1 uur. Ik val in slaap.
Vervolgt.
Foto’s : -Fier poseren op een termietenheuvel.
-Eerste dag van onze tocht naar de watervallen van de Gety stroom. Krijgshaftig poseren onze dragers.
-Tocht door het lange gras.
-Hut van de tovenaar waar wij ons kamp moeten opslaan.
Terwijl René op de missie blijft rijden wij met de jonge Pater Michel naar Boga, 53 km ver.Het is een groot dorp dat ook behoort tot de parochie. Spijtig dat er steeds fijne nevel hangt, eigen aan het droog seizoen, anders konden wij gemakkelijk de besneeuwde toppen van de Ruwenzori zien. Onderweg stoppen wij in Bukringi, daar is Michel een kerk aan het bouwen. De grondvesten zijn gegoten. Een dertigtal mannen komen met zware rotsstenen op het hoofd op een rijtje afgelopen, van enkele honderden meters verder waar ze de stenen gaan zoeken zijn. Enkele anderen zijn door mekaar de voorgevel aan het metsen, die staat al 1 meter hoog. De catechist is de werkopzichter. Veel zijn ze niet gevorderd sinds het laatste bezoek van Michel en hij laat het hen dan ook horen. Toch is het een zware onderneming voor de katholieke gemeenschap die maar klein is in die streek, de meesten zijn protestant. Ja, zegt Michel, zij moeten hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Ze willen een kerk, goed, dat ze er dan zelf een bouwen. Wij betalen de materialen maar zij moeten er zelf voor werken. Wij geven hen zoveel mogelijk verantwoordelijkheid. Onze parochie is langs de ene kant 80 km ver (van Leest tot in Luik) en langs de andere kant 55 km (tot in Gent). Met René ga ik beurtelings de brousse in voor één week lang, dan één week op de Missie, dan weer één week in de brousse. Wij gaan van dorp tot dorp, dikwijls ook te voet omdat we er met de auto niet bij kunnen. Wij lezen er dan mis, horen biecht, bespreken het werk met de catechist, bezoeken de zieken en de school, eten en slapen bij de negers. Bij het naderen van Boga wordt het drukker langs de baan : het is marktdag en iedereen is op weg. Hier woont een ander ras : groter en fijner. Het zijn geen landbouwers, maar herders, koeienboeren. Een schoon volk, dat wisten de blanken vroeger ook want ginds gingen ze, ze halen. Michel neemt een oude man mee in de wagen. Hij zal gans de tijd met ons blijven. Hij poogt van Michel wat geld te krijgen maar Michel weigert. De tijd dat de blanken alles konden en alles gaven is voorbij, ze moeten zelf hun plan leren trekken. Als wij in Boga bij de markt uitstappen loopt er een arrogante kerel te paraderen : mooi gekleed, brede cowboyhoed, zonnebril. Hij is de nieuwe landbouwambtenaar van het gebied. Op de markt is het bonte wemeling van kleuren van de panjes van de vrouwen. Op de grond zitten ze bij hun waren : de meest vreemde vruchten en fruitsoorten. Ook koude schijfjes boter in bladeren verpakt en nieren tot brij gekookt. Onder een boom is een koe geslacht, het vlees wordt aan de takken omhoog getrokken. De centen worden in een hoek van de panje vastgeknoopt. ’s Middags gaan wij eten bij de catechist van Boga. In zijn hut hangt een foto van Mobutu en van Paus Johannes. Voor wij gaan eten moeten wij onze handen wassen in een kom, ze afspoelen mag echter niet in de kom want het water moet proper blijven voor de volgende. Dan maar met de ene hand wat water scheppen uit de kom en zo het over de andere hand gieten, het geeft niets dat daarbij de grond nat wordt. Zo is immers het gebruik. Wij krijgen kip en uit een andere kom rijst. De oude man die ons overal gevolgd is, eet mee. Een stukje evangelie. Reeds 38 jaar geeft de catechist onderwijs. Hij heeft 9 jongens en 1 meisje. Die is kloosterzuster geworden. “Die heb ik aan de kerk gegeven,” zegt hij. Voor hem hebben deze woorden de volle betekenis. De familie van het meisje dat huwt krijgt immers 7 koeien van de familie van de jongen. Een dochter is immers een werkkracht die door haar huwelijk de familie verlaat en dit moet vergoed worden door een bruidsschat. Drie zonen van onze catechist zijn reeds getrouwd : daarvoor heeft hij telkens 7 koeien moeten geven. Dat zal ook het geval zijn voor zijn volgende zonen. Daarom koopt hij kalveren die hij zelf dan groot brengt. Zijn enige dochter, waarvoor hij zelf koeien had kunnen krijgen heeft hij echter aan de kerk gegeven. Wanneer wij in de valavond op de Missie terugkeren gaat René een kat dragen naar een hut waar ’s nachts de vingeren van de kleine kinderen door ratten zijn aangevreten.
Zondag 15 juli 1973 :
We worden wakker van het klokkengelui. Lang op voorhand worden de mensen opgeroepen uit de brousse naar de zondagsmis. Wij zetten ons tussen de kerkgangers op heel kleine bankjes. Mama Alexandra, een van de nonnen, komt er ons weghalen en doet teken dat wij op een gewone kerkstoel moeten zitten. De mama’s zingen voor. Enkele jongens slaan op de tam-tam. Na de mis blijft iedereen nog wat praten. We kennen reeds heel wat volk. De onderwijzeres draagt een rok met in grote letters “Liberté” opgedrukt. Onze sergeant is er ook. Een moeder komt met haar twee dochters bij Frans, de gepensioneerde Hollandse pater. Frans heeft van zijn zwager in Nederland, die tandarts was, ooit eens een stel tangen gekregen. Die bewaart hij, nu beroest, in een doos. Daar trekt hij tanden mee en zijn faam is ver over de heuvelen bekend. Van einde en verre komen ze tot hem : 700 tanden heeft hij vorig jaar getrokken. En steeds met hetzelfde ritueel. Buiten schuift hij de lijdende een stoel onder het achterwerk (van Frans mag geen neger binnenkomen op de missie), die wijst met zijn vinger de zieke tand aan, Frans heeft het gauw gezien, grabbelt in zijn doos de juiste tang weg, trekt met een snok, de neger kreunt, de tand vliegt op de grond, de neger bukt zich om die op te rapen en Frans is direct terug binnen met de stoel en zijn tangen. Zo trekt men tanden in de brousse : zonder verdoving, zonder ontsmetting. “De zon ontsmet hier alles” zegt Frans. Michel heeft eens drie dagen met razende tandpijn rondgelopen, de vierde dag zei hij “Hé Frans, trek hem !” Marie-Louise is op haar zondags gekleed. In de week kapt ze met een lange machete het hout voor de missie. Ze is nog jong maar heeft het toch klaar gespeeld drie kinderen te hebben. Ze is ook in het bezit van een helder stemgeluid waarvan ze veelvuldig gebruik maakt. De bok die we van de hoofdonderwijzer meegekregen hebben, heeft ze meegebracht als bewijs dat hij nog welvarend is. Georges had immers gisteren in schoon Leestes en met de nodige gebaren gevraagd of ze hem nog niet opgegeten had. René had het dan moeten vertalen. Gelegenheid dus om een foto te maken van Marie-Louise, Georges en de bok samen.
Wij rijden nog eens naar Gety-Etat. Daar heeft Michel mis gelezen. De mis is uit en de vrouwelijke jeugd profiteert van het samenzijn om rond twee tamtams wild zingend in een ronde te dansen. Levensvreugde waar wij, westerlingen, vreemd staan op te kijken. Ondertussen palaberen de mannen met René en Michel hoe ze de voorgevel van de kerk, die gevaarlijke barsten vertoont, zullen herstellen. Op de middag een feestmenu. Ik verjaar vandaag. Ik heb me dat in de loop van de week eens laten ontvallen en onze gastheren zijn het niet vergeten. Ze hebben zowaar een doosje met zalm, dat we meegebracht hebben, opengemaakt en we eten tomaten met zalm. Na het eten brengt onze zwarte kok met blauwe voorschoot en naïef lachend gezicht de taart met vier grote kerkkaarsen en een klein kaarsje. Na het middageten siësta. Een gewoonte waar ik me nog niet aan aangepast heb. Het weder is lichtjes overtrokken en er valt een zacht licht als bij ons in de maand september. Ik zit op de barza in een zetel een boek te lezen. De anderen zijn ingedommeld. Het is stil. Een mens wordt er weemoedig bij. Frans is eerst wakker. Hij sloft wat rond en komt zich bij mij zetten. Veertig jaar is hij reeds in Afrika. Gewijd in Algerië. Hij vertelt ons over de tijd van “Belgisch Kongo”. Hoe ze op jacht gingen. Hoe de blanken toen alles voor mekaar deden. Hoe hij ook moeten vluchten is voor de Simba’s : een dag, een nacht en een dag te voet door de bergen en de vlakte om in Oeganda aan te komen; daar heeft hij dan drie maanden bij Hinde’s gewoond. Er verandert veel in Afrika zegt Frans. Plots wordt er op de deur geklopt. Een kindje is deze voormiddag gestorven en men vraagt de Pater om het te begraven. Als wij buitenkomen is de begrafenisstoet reeds bij de kerk. De moeder draagt het dode kindje op haar arm onder haar panje. Vrouwen volgen wenend en luid jammerend. Mannen zijn er niet. René doet de dienst in de kerk en gaat dan mee naar het kerkhof. Daar hebben de mannen reeds een kuil gegraven. De zwarte catechist spreekt en het zingend jammeren van de vrouwen houdt op. Er wordt gebeden. Het dode kindje wordt in een rieten matje gerold en zo in het graf gelegd. Weeklagend gaan de vrouwen terug. Als vreemden bij dit leed staan wij wat op zij. Wij gaan zwijgend naar de missie terug. Op de missie heeft Frans zijn oude grammofoon uit de kast gehaald : eerst met de hand opwinden en dan speelt hij oude deuntjes van Kees Pruis : “Ik hou van Holland”, “Breng eens een zonnetje”. René maakt onze koffers klaar. Morgen vertrekken wij immers voor twee dagen te voet door de brousse met dragers. Tent, kookvuur, lantaar, proviand worden gereed gezet. ’s Avonds worden de filmen afgedraaid die wij meegebracht hebben. En zoals altijd sluiten wij de dag met het gezamenlijk invullen van ons dagboek.
Vervolgt.
Foto’s : -De markt van Boga. -Nog beelden van de marktdag : resten van een ter plaatse geslachte koe worden aan de takken van een boom opgetrokken. -Kleurrijke panjes. Een marktdag is ook een modeshow. -De cathechist van Boga. -Bang toekijken hoe pater Frans tanden trekt. -Georges met Marie-Louise, de “kosteres” bewaakster van de gekregen bok…
Als we wakker worden kunnen we ons overtuigen dat wij goed bewaakt zijn geworden : drie grote herdershonden lopen grollend om ons heen. Dit is in ieder geval veiliger dan een neger-waker “’n zamo”. Die mannen spelen immers toch onder één hoedje met eventuele dieven of vallen in ’t beste geval in slaap. Wij maken kennis met de missie, met Dan, een jonge Amerikaanse pater die toch zoveel last heeft met het Frans, met pater Moore, een oude Hollandse pater die ons brengt bij de apenbrug uit lianen gebouwd over de Rwaza, en die nog altijd hoopt er eens een vaste brug te bouwen. Wij bezoeken de leprozerie waar de melaatsen opgenomen worden. Keurige nette huisjes in baksteen. Onder een afdak worden de zieken verzorgd : hun voeten baden in aluminium bassins. Anderen hebben hun benen of handen omwonden. Ze lachen ons toe, enkel een verpleger -die denkt dat hij de man is- loopt ons hoogmoedig voorbij. Om de twee dagen komt een blanke dokter de zieken onderzoeken. Gans dit melaatsendorp is een gift van een Duits industrieel, die zelf kreupel is. Nooit heeft hij het dorp bezocht maar ieder jaar zendt hij iemand op controle uit. Vorig jaar had de missie een auto aangekocht met eigen geld, ze wilden hun vrijgevige weldoener niet lastig vallen. Toen hij het hoorde, was hij zeer verstoord.
Wij zijn nu al een goed stuk doorgereisd naar het noorden, naar de missiepost van René. Voor de middag rijden we naar Bunia, de hoofdplaats van het bisdom. Voor we de stad bereiken verspert een MP -een grote prachtige neger, fijn gestreken uniform, witte helm- de weg. We moeten een omleiding nemen, de President komt immers de stad bezoeken en men is bezig een triomfboog op te richten over de hoofdweg. We bereiken het bisdom dat een vijftal km buiten de stad ligt. Iedereen is blij ons te zien; ze waren wel wat ongerust geweest met die staatsgreep in Rwanda. Toevallig zijn een hele boel paters van hun verschillende posten naar het bisdom gekomen ; overal moeten we uitleggen wie juist de broer van René is, hoe de reis verlopen is, en wat wij er van vinden. We beginnen het antwoord al goed te kennen : magnifique, alles is hier anders tot zelfs een grassprietje toe. Het onderwerp van alle gesprekken is het nakend bezoek van Mobutu : zal hij komen of is het maar een gerucht. De chef van het protocol van de partij, een dik en zeer gewichtig man, komt toe op de missie, hij komt vragen om witsel om er de boordstenen van de straten mee te witten. In de namiddag rijden wij terug de stad in : op het kantoor van Air Zaïre gaan wij onze vliegbiljetten bestellen om van Bunia naar Kigali terug te vliegen volgende week. Er hangt een onweder boven de stad, de lucht is duister en tot overmaat van ramp is de elektriciteit in gans Bunia uitgevallen. Iedereen is zenuwachtig en de bediende van Air Zaïre zegt dat hij niet voldoende kan zien om onze biljetten te schrijven. We moeten maar terugkeren. Wij gaan nog gauw wat inkopen doen : langs de enige straat met asfaltbedekking staan verschillende magazijnen. Ze worden allen gehouden door Grieken. Die Grieken zijn een volkje apart, ze leven ergens tussen de blanken en de negers in, maar bij beiden hebben ze hun relaties. Zij rijden meestal met een Mercedes. Gans de handel hebben ze in handen, zonder hen was er niets meer te verkrijgen in het binnenland. Als het de Griekse nationale feestdag is, steken ze de Griekse vlag uit en sluiten ze hun zaak, dit tot ongenoegen van Mobutu. Als we zo een magazijn binnengaan, staan er op de brede, lange houten toog kaarsjes te branden om licht te geven. Gans de muur is bedekt met rekken waarop de waren staan. René koopt wat inlandse tomaten en een fles whisky.
Dan vangen we onze laatste trip aan : nog een drie uur rijden en wij zijn ter bestemming : Gety. Het onweer barst los, voor de eerste maal hebben wij regen in Afrika. Het water valt loodrecht naar beneden. De wegen worden slijkerig en glibberig. Als wij in Gety aankomen staan Frans en Michel, de twee paters-collega’s van René ons op te wachten. Voor de laatste maal sleuren wij onze valiezen uit de auto. Nu kunnen wij definitief uitpakken. Met al wat wij meegebracht hebben spelen wij Sint Niklaas : “Fantastisch wat ge allemaal bij hebt.” Alles wordt veilig weggeborgen in de provisiekamer, waarvan Michel zorgvuldig de sleutel bewaart en die getraliede vensters bezit. Frans proeft gretig van de grote bol kaas en ’s avonds drinken wij een whisky op de kennismaking. Als wij gaan slapen, moeten we ons met twee dekens dekken.
Vrijdag 13 juli 1973 :
Na acht dagen rijden en rotsen wordt het een welgekomen rustdag. Zoals altijd ga ik een fles gefilterd en gekookt water halen om mijn tanden te poetsen. Van de boy die in de keuken op houtkachel aan het koken is, krijg ik een pannetje met warm water om me te scheren. Ontbijt in pyjama. Het brood wordt op de missie zelf gebakken en is zeer goed. Als dessert eten wij ananas. Dat doen wij ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Heerlijk. De missie is een stenen gebouw in u-vorm en zonder verdieping. Eerst hebben we de badkamer, met een groot antiek bad dat warm water krijgt van het fornuis dat in de keuken staat. Dus let er op steeds een bad nemen als men aan het koken is, anders is er geen warm water. Dan is er de keuken waar twee boy’s het eten koken : dat fornuis wordt gestookt op hout. Daarnaast de refter met een zithoek : enkele houten en rieten zetels, een paar kasten, een tafeltje, enkele boeken en wat Hollandse tijdschriften. En daarnaast dan hebben we de goed afgesloten provisiekamer met kisten en rekken en vervolgens onze kamertjes : een éénpersoonsbed, een tafeltje, een stoel, een lavabo en een kleerkast. Tegen de muur hangt een kruis met een fluorescerend Kristusbeeld erop. Naast de missiegebouwen staat een grote kerk, modern interieur en mooie muurschilderingen. Zij is enkele jaren geleden gebouwd door een Zwitserse broeder. Die man zat jarenlang in zijn Zwitsers klooster, is toevallig in Zaïre terecht gekomen en is nu bezig overal in het bisdom kerken aan het bouwen. Frans, de derde pater, is Nederlander en zo een beetje de Armand Pien van het gezelschap : buiten heeft hij allerlei meters en instrumenten om temperatuur en vochtigheid te meten : het is 19 graden. In de voormiddag neemt René ons mee naar de notabelen van de streek. De gewoonte eist immers dat wij, als vreemden in hun gebied, eerst met hen kennis gaan maken. De hoofdonderwijzer is juist een nieuwe hut aan het bouwen. Hij geeft ons een geitenbok ten geschenke, hetgeen voor hem een week loon betekent. En zo maken wij kennis met een der schoonste gebruiken : men verwelkomt een vreemde gast met geschenken. Hoewel de mensen zelf nauwelijks genoeg hebben om te leven, zouden ze het weigeren van zulk een geschenk zeer kwalijk nemen. Dankbaar aanvaarden wij dan ook het geschenk. Aksente mingi (veel dank), en geven sigaretten en snoep terug. De chef is niet thuis. Hij is naar Bunia omwille van het bezoek van Mobutu. Hij is immers de man van de partij en door de partij aangesteld om gans de streek te besturen. Vroeger was hier een blanke gewest-beheerder, na de onafhankelijkheid kwam er een zwarte : een flinke man, maar die bij de opstand van de Simba’s vermoord werd. Dan kwam de huidige : veel is er niet over te zeggen, geen kwaad en geen goed. “Het is moeilijk om weten wat die mannen menen en doen” zegt René. Twee dagen later zullen wij hem dan toch vinden : ergens in een hut die als café dienst doet. Hij droeg een hemd met de beeltenis van Mobutu erop geweven en was nog volop in stemming. Hij vroeg ons waarom wij ook niet naar Bunia gegaan waren om Mobutu te verwelkomen. René was daar echter niet voor te vinden geweest : ge weet eerst nooit of hij komt en wanneer, en ten tweede ge weet ook nooit wat er allemaal kan gebeuren bij zo’n gelegenheden : er wordt immers gedronken en de mensen worden dagen van tevoren opgezweept. In het kamp van de soldaten gaan we goeiendag zeggen aan de sergeant. Een grote, flinke man die lachend en met uitgestoken hand op ons afkomt. Hij nodigt ons uit in zijn hut. Terwijl René gans de uitleg doet zit de sergeant ons lachend te bekijken. Een van zijn kinderen neemt hij op zijn knie, een zeldzaam gebaar voor een man in Zaïre. Wanneer wij afscheid nemen roept hij zijn vrouw en zijn dochters erbij. Zijn vrouw moet een kip halen. Die schenkt hij ons. Met een koordje bindt hij de kip samen, legt wat blaren in onze auto en de kip er bovenop. “Da’s ook een speciaal geval,” zegt René als we wuivend wegrijden gevolgd door een troep negerkinderen. “Een flinke man voor zijn huisgezin, een goed kristen, komt steeds naar de mis, maar trouwen voor de kerk wil hij niet. Dat is het probleem van de soldaten, zij worden dikwijls verplaatst en hun vrouw wil dan meestal niet mee omdat ze te sterk vastzit aan haar eigen familie.”
Wij rijden nu boven op een berg. Er staan nog de ruïnes van een gite, een soort berghut. Vroeger kwamen er blanken van Bunia op uitstap : het klimaat is hier heel goed en het uitzicht is prachtig. Op de terugweg stoppen wij nog bij een dorp : er staat een broussekerk in leem met een strooien dak. Ergens op een balk staat een inlands Mariabeeld, nog echte inlandse kunst. Wij nemen het van zijn plaats en laten het bewonderend draaien in het schrale licht dat door de smalle venstertjes binnenvalt. Wij hebben alle last om de bekoring het als souvenir mee te nemen te onderdrukken. Een beetje verderop zijn een hele boel mensen onder een afdak samengetroept : het is er zitting van de rechtbank. Als wij aankomen stopt alles. Mijnheer de juge, Mijnheer de Griffier, een boek en een bic in de hand, en de policiers komen ons begroeten. Later zullen wij vele verhalen horen over de rechtspraak. “La justice des rois nègres”. Een zoon heeft gestolen van zijn vader, de vader klaagt zijn zoon aan, maar deze is inmiddels gevlucht. De vader wordt dan maar gevangen gezet omdat hij verantwoordelijk is voor zijn zoon. Hij kan echter wel loskomen als hij een geit aan de rechter geeft. Toch is niet alles hopeloos. Een pater, leraar aan het college in Bunia, vertelde ons dat hij op een brousseweg een kind zwaar had aangereden, het was uit het bos zo over de weg komen aanrennen. Onmiddellijk was hij omringd door een dreigende menigte. De politiecommissaris was gekomen, zei dat het de fout van het kind was, kalmeerde de omstaanders en stelde een correct verslag op. Na de middag gaan wij, te voet, kennis maken met een negerdorp juist naast de missie. Wij trekken van hut tot hut, begeleid door enkele mannen en een troep kinderen. Wij trakteren duchtig op sigaretten. De vrouwen zitten bij hun hut : bonen van ranken te pluizen, een mat te weven, maniok te stampen, het haar van de kinderen te kammen met een houten kam. Als wij hun hut naderen staan ze bedeesd recht, slaan hun panje met beide armen open om hem dan goed rond hun borst te schikken, geven ons de hand met een lichte kniebuiging en beginnen dan onder mekaar wat te giechelen. De kleinste kinderen lopen er poedelnaakt bij rond, zo ook de honden en de geiten. Georges neemt de stamper uit de hand van een vrouw die, alles klutsend, maniok in een trog staat te stampen. Hij gaat het zelf eens proberen. Groot jolijt bij iedereen. De sigaretten worden omgekeerd met het vuur in de mond, door mannen en vrouwen, opgerookt. Een koewachter, ene van een andere stam, laat eventjes zijn koeien alleen en komt ons goedendag zeggen : met zijn staf in de hand en een doek om de schouders geslagen is hij een figuur als een profeet uit het Oud Testament. Op de terugweg gaan wij de zusters bezoeken. Wij kloppen aan, een zuster komt kijken, verdwijnt dan weer en dan komen ze allemaal samen in groep opendoen : negen inlandse zusters zijn er, met twee lieve weeskindjes en een hele boel jonge meisjes, die voor alles worden ingespannen. Zo heeft elke zuster nog haar eigen veld dat ze voor zichzelf bewerkt en waarbij ze best wat hulp kan gebruiken, al was het maar om de apen van de velden te verjagen. Naast de school staan de zusters in voor een dispensarium en een moederhuis : twee categorieën, een met matjes op de grond en een met ijzeren bedden, voor de vrouwen van de onderwijzers die het kunnen betalen. Op de barza zit René zijn uitleg te doen aan de zusters, wij verstaan er geen woord van en zitten te kijken naar een reuzegrote spin in haar net tegen de zoldering. ’s Avonds proberen wij wat nieuws op te vangen van de Wereldzender. Maar die komt er slecht door. Hoe zou het zijn met de Ronde van Frankrijk ? Bij een glaasje whisky vertellen wij onze emoties van de dag. Een onderwijzer komt ons nog even storen, hij wil met ons kennis maken. Ik spreek er een tijdje mee, hij vertelt hele stukken uit de redevoeringen van Mobutu, die worden immers telkens vier of vijf keer per dag over de radio heruitgezonden. “Je me suis converti, oui je me suis converti à l’ authenticité”. (Ik heb me bekeerd tot de authenticiteit).
Vervolgt.
Foto’s : -De apenbrug van lianen over de Rwasa, ooit zal er een vaste brug komen. -De leprozerie waar zieken hun voeten baden in een bassin. -Kennis maken met de Gety-missie van pater René. Links staat pater Michel uit Antwerpen en in het midden pater Frans uit Nederlands Brabant. Op de achtergrond een deel van de gebouwen van de missiepost met een stuk van de toren van de kerk. -Het interieur van de kerk van Gety. -De zusters van de missiepost zijn samengekomen voor de foto.
Als wij ’s morgens wakker worden, hebben wij geluk dat er water uit de kranen loopt want dat gebeurt meestal niet, naar het schijnt. Een neger komt aangereden. Hij zou willen een taxidienst naar Beni inrichten en komt nu om raad vragen aan onze Limburgse broeder. Op weg naar Beni haalt ons zeer snel een witte Mercedes in. Wij zetten ons opzij van de baan om hem door te laten. Hij zit vol fijn geklede heren : mannen van de partij.
Beni is een stad. Wij houden even halt om op de inlandse markt enkele pakjes sigaretten te kopen. Kleine jongens bestormen ons met hun waren. De sigaretten zijn niet duur: 4 frank voor een pakje Belga (die naam is nog niet veranderd) van 20, verpakt in cellofaan. De sigaretten worden ook per stuk verkocht. Onder een afdak zitten jonge meisjes koffie te sorteren. Wanneer ik ze wil fotograferen stuiven ze giechelend uiteen. Wij rijden nu het bos in. Hier begint het oerwoud, de wegen worden smaller. In de missiepost van Mbau maken wij even halt. Een pater van de orde van Kapelle heeft er zijn papegaai “Walen buiten” leren zeggen. Dit omdat zijn medepater, een Waal, pas uit het land gezet was omdat hij nog negers gedoopt had onder een christelijke naam, hetgeen door Mobutu verboden is. Er is ook een broeder, een Brusselaar, met 40 jaar Kongo achter de rug. Uren in het rond zijn zij de enige blanken. Men komt naar hen voor alles. Als een bevalling wat moeilijk gaat, moet de pater met de landrover ambulancier spelen. Zo heeft hij tijdens de afgelopen week drie bevallingen in zijn jeep gehad. Wanneer wij verder rijden zitten wij midden in het oerwoud. De mensen zijn primitiever, minder gekleed. Overal langs de baan bieden ze inlandse vruchten, matjes en een soort eigengemaakte gitaar te koop aan. Wij kopen elk zo’n gitaar voor nauwelijks 10 makuta. Plots kunnen wij niet verder. Een zware camion staat midden in de weg. Men is druk bezig het dekzeil terug op te binden. Die auto was gisteren van de baan geraakt en in het slijk naast de weg blijven steken. De nacht had men dan maar ter plaatse doorgebracht bij een vuurtje, en ’s morgens was men begonnen de wagen uit te graven met de hulp van enkele bosnegers die er met pijl en boog rondliepen. Wat een geluk dat wij gisteren niet langs deze baan gekomen waren, anders hadden wij ook nog de nacht in het oerwoud moeten doorbrengen. Het opbinden van het zeil duurt en blijft duren. Die camion moet nog naar Kisangani, 700 km verder. René vraagt aan de chauffeur wanneer hij denkt aan te komen. “Dat weet God alleen,” is het antwoord. Boven op het dekzeil worden nu nog trossen bananen opgebonden, dat is een apartje voor hem, zijn handeltje. U ziet, overal ter wereld zijn de vrachtvoerders dezelfde. Met dit oponthoud zijn wij al ver over de middag en van ergens eten vinden zal er niets in huis komen. We stillen onze honger dan maar met bananen en inlandse pruimen. Wanneer wij stoppen om die te kopen bestormen de mensen ons en voor enkele makuta gieten ze bassins vol pruimen vanachter tussen onze valiezen. Dagen later zullen wij nog steeds van die pruimen tussen onze spullen vinden. In de vroege avond bereiken wij dan de Mont Hoyo met zijn hotel, opgericht door de Borgmansen, die wij reeds eerder in Rwanda ontmoet hebben. Het hotel ligt boven op de berg, het is een soort Zwitsers Chalet, opgericht in hout. Om toeristen te lokken heeft Borgmans een stam pygmeeën uit het oerwoud laten overkomen. Voor 20 Zaïre (800 fr) voeren die dan beschilderd een dans op in een nabijgelegen grot. “Dat is goed voor Amerikanen,” zegt René, “wij gaan morgen het bos in om de pygmeeën te zien zoals zij zijn”. Tegen de avond aan wandelen wij nog even langs een riviertje overdekt met slingerplanten en komen plots voor een waterval. Van grote hoogte stort het water zich over een reeks trappen van rots naar beneden : ’t Escalier de Vénus. Als we terugkomen is een neger druk hout aan het stoken onder een vat water dat op een verhoogje staat buiten onze kamer : warm water uit een Afrikaanse boiler. Het eten is prima klaargemaakt door een inlandse kok en smaakt. Toch laten de pruimen reeds hun nadelige invloed op ons spijsverteringsstelsel gevoelen. We liggen vroeg in ons bed.
Woensdag 11 juli 1973
René gaat de mis lezen, buiten op het terras van het hotel. Van overal in de omtrek zijn negers aangekomen. Zij hebben het onder mekaar voortgezegd dat de pater er was. René hoort eerst nog biecht in de hal van het hotel. Bijna allen gaan eerst te biechten, ze doen het ingetogen en bidden, kaarsrecht op hun knieën hun penitentie. Een catechist is in het dorp beneden de berg het misboek in de inlandse taal gaan halen. Hij komt hijgend terug. De mis wordt in geloof meegevierd. Zouden wij toch iets te leren hebben van de Zaïrese kerk ?
In de voormiddag gaan wij dan het oerwoud in op zoek naar Pygmeeën. Vanuit een dorp op de rand van het bos gaan de chef en enkele gidsen mee. Op een rijtje, de éne na de andere, zoeken wij onze weg. Hoewel de zon niet door het gebladerte door kan is het toch drukkend heet. Overal geraakt men verstrikt in de slingerplanten. En zo heeft Stanley 158 dagen in de groene hel gezeten ! De Pygmeeën zijn niet te vinden en nu beginnen onze gidsen luidkeels op hen te roepen. Geen antwoord en wij gaan maar verder het woud in. De sigaretten in mijn zak worden door de verpakking doornat van het zweet. Weer geroep en dan antwoord uit de verte. Eindelijk komen wij bij de Pygmeeën aan : een dertigtal op een open plek. Hier staan wij tussen de meest primitieve mensen, half zo groot als een normaal mens, half naakt, leven ze in kleine ronde hutten bedekt met bananenbladeren. Wij ervaren een schok ! Op een lange boomstam zitten ze tegen elkaar aangeleund, de kinderen op de schoot, de kleintjes aan de borst. Een vuurtje smeult, er liggen wat bananen. De mannen tonen fier hun bogen en pijlen : de jacht houdt hen immers in leven. Ze kijken ons starend aan. Wij delen sigaretten uit, ze roken ze omgekeerd, met het vuur in de mond. René geeft hen geld : er volgt een lang palaber wat ze ermee zullen doen en hoe ze het zullen verdelen. Enkelen zullen met ons mee terug gaan om ons over de kortste weg uit het bos te loodsen. Als wij weggaan geven wij hun de hand. In het hotel zijn er nu gasten : een jong Duits koppel dat rond Afrika reist en vertelt over de Sahel en een andere Amerikaan die al jaren in Zaïre Engels onderwijst maar nog geen convenabel Frans kent. Zijn vrouw, overdadig geschminkt, loopt er bij in een lang hippiekleed. De negers moeten toch ook soms over ons een eigenaardig gedacht hebben. Na de middag vertrekken wij naar Badia, dat is de missiepost waar René 17 jaar lang geleefd heeft. In Maraboe rijden wij een moskee voorbij : die is er gezet door de Arabieren die daar, midden Afrika, de handel in handen hebben. Wij komen in Wrumu, een administratief centrum op de kruising van enkele voorname wegen. Aan een school houden wij halt. Bij de opstand van de Simba’s in 1964 heeft René hier 11 dagen gevangen gezeten, samen met nog een andere pater. Van daaruit trokken elke dag de Simba’s naar het front tegen de huurlingen, daar kwamen ze ook elke avond terug met hun gekwetsten en doden. En telkens moesten die twee paters het dan ontgelden. Een beetje verder rijden wij over een brug over de Rwaza. Daar heeft het Zaïrese leger de Simba’s tegengehouden. Daar zijn duizenden Simba’s, jonge mannen die zo gedrogeerd waren dat zij meenden onsterfelijk te zijn, gevallen onder de kogels van de mitrailleurs. Wanneer er geen kogels meer waren is het Zaïrees leger gaan lopen en zijn de Simba’s plunderend en moordend verder getrokken. René vertelt niet gaarne over deze periode, maar wanneer wij op de missie in Badia ’s avonds op de barza zitten bij het licht van een petroleumlamp (de motor die de elektriciteit moet leveren is immers stuk) zal hij toch, samen met zijn confrater Michel De Meyer, hun belevenissen vertellen. Het is een lang, triestig verhaal van moord en waanzin, van schrik en ontbering. Wij staren zwijgend naar de vele vreemde insecten die rond de lamp komen dwarrelen.
Vervolgt.
Foto’s : -In Beni sorteren jonge meisjes koffie in een huis naast de weg. -Onze ontmoeting met de Pygmeeën maakt diepe indruk. Nauwelijks een week in Afrika, geeft het ons een nieuwe cultuurschok.
Het luiden van de klok maakt me wakker. Voor de kerkdeur staat de pater de parochianen, die van overal uit de brousse naar de mis komen, op te wachten. Hij drukt hen allen de hand. Ik sta er naast en deel in de ceremonie. De vrouwen en de kinderen zitten links, de mannen zitten rechts in de kerk. Elders in de wereld zijn er nog streken waar dit zo gebeurt. Het wordt onze eerste zondagmis. De kleinste kinderen hangen op moeders rug gebonden, soms weent er wel eentje of is maar gewoon maar wat aan het fezelen. Als er eentje honger krijgt haalt de moeder het met een elegant gebaar vanachter haar rug om hem de borst te geven. De mis duurt lang, méér dan een uur. De missie heeft een grote middelbare school. Een Nederlandse broeder is er nog volop aan het bijbouwen : de Nederlandse regering heeft hem 14 miljoen geschonken ! Twee ruiten zijn kapot in de klas : dat heeft een leerling moedwillig gedaan omdat hij ontevreden was over zijn uitslag. De paters hebben er een inlandse chef bijgehaald en nu zit de vlegel opgesloten. Een jonge-zuster-verpleegster-vroedvrouw uit Dendermonde leidt er het moederhuis. Wanneer wij om 10 uur afscheid nemen, zit de Hollandse broeder op zijn kamer naar oud-vaderlandse gewoonte aan een borrel te nippen. “Dit is mijn zondag” zegt hij.
Wij verlaten nu Jomba, dat op nauwelijks 7 km van de Oegandese grens ligt. Amin heeft echter zijn grens gesloten en wij kunnen er dus geen kijkje gaan nemen. Wij rijden nu langs de Rutshuru, een rivier die een van de bronnen van de Nijl is. Aan een prachtige waterval houden wij halt. De boorden zijn begroeid met een dichte tropische plantengroei, men is midden in de jungle. Wij zijn nu in het vroegere Albertpark dat nu in Virunga park is herdoopt. Wij hebben de bergen verlaten en rijden in de vlakte, de plaine. Voor de eerste maal hebben wij het zeer warm. Wij komen aan de ma-ja-moto : de warmwaterbronnen. Wij stoppen. Kokend water loopt in kleine beekjes. Wij lopen een honderd meter verder, de grond is warm aan onze voeten en het ruikt naar solfer. Uit de grond borrelt het kokend water. De streek is er zeer verlaten. In de vochtige aarde staan grote sporen van dieren afgedrukt.
Wij rijden verder, urenlang, zonder iemand te zien, door dorre grasvlakten met hier en daar een schrale boom. In de verte aan de rand van de vlakte staan de bergketens. René geeft uitleg : in de oertijd is Afrika middendoor gebroken. Links en rechts zijn er bergketens gekomen en middenin , de vlakte en de meren op een rijtje: het Tanganica, het Kivu, het Edward en het Albertmeer. Tegen de middag komen wij in het kamp van de Rwindi aan : een prachtig hotel en een veertigtal chalets in de vorm van een ronde hut. Voor nauwelijks 80 fr eten wij er een middagmaal met 3 gangen, tafeltjes met een tafelkleed, mooie couverts, gemakkelijke clubs en een garcon per tafel. Het dessert wordt opgediend uit een rijdend frigokarretje en de koffie wordt genomen in de bar.
’s Namiddags doen wij een safaripiste. Wij krijgen een gids mee in de wagen die gretig van mijn sigaretten meerookt. Troepen buffels, olifanten, antilopen kruisen onze weg. In een poel liggen tientallen nijlpaarden -tonnen vlees- te proesten. Een jakhals is op jacht en steekt spits zijn kop uit boven het gras. Langs de weg ligt het karkas van een buffel, half opgevreten. ’s Avonds komen wij terug in het hotel. Een koud buffet staat uitgestald op een lange frigotafel. Elk gaat er langs met zijn bord. U kunt kiezen tussen gekende en minder gekende spijzen. Ik neem het veilige hoewel René me aanspoort van dit en van dat eens te proeven. Een twintigtal toeristen zitten aan tafel. Wanneer wij opstaan om de koffie in de prachtig verlichte tuin te gaan nemen, komt een oudere heer bij ons. Hij is een Gentenaar. Hij is ontgoocheld over de mensen en komt daar genieten van de natuur en de negritude. Het is een wonderlijk man, wij kunnen zijn redenering niet steeds begrijpen. Toch doet hij wel een typisch verhaal : “Ik had kennis aangeknoopt met een van de garçons en had gezien dat hij slechte schoenen had. Ik beloofde hem een paar nieuwe te kopen en samen gingen we naar een soort winkeltje voor de inlanders hier achter het hotel. Op de duur had ik door dat de garçon het op een akkoordje wou gooien met de verkoper en mij voor elk van beiden een paar schoenen wou laten betalen. Ge moet die mannen hier in de gaten houden,” zegt hij in mooi Gents. Wij logeren elk in één van die ronde chalets. Een mooie slaapkamer van De Coene rechtstreeks met het vliegtuig uit België overgevlogen. In elk chalet is ook een badkamer met Italiaanse faiënce-steentjes tot boven. De kranen van het sanitair zijn sierlijk bewerkt. Enkele jaren geleden is onze Koning hier op bezoek geweest, daarvoor heeft Mobutu het hier allemaal zo luxueus laten inrichten. Midden in de brousse, honderden kilometer van de bewoonde wereld. Aan de deur hangt een bericht : het is verboden etensresten in de auto achter te laten, de olifanten komen er op af en zouden wel eens hun log gewicht tegen uw wagentje durven zetten. Alle berichtjes en foldertjes beginnen met de aanspreektitel : “au voyageur” en eindigen steeds met een beroep op “goodwil” : “als iets niet volledig is neem het ons niet kwalijk want wij doen hard ons best”. Daar is wel iets van waar want de eerste jaren na de onafhankelijkheid was het park totaal vervallen. Nu nog is trouwens een Belgische geleerde de grote chef van het park. Het is mijn eerste nacht dat ik zonder dekens sliep. Het is een echte tropennacht. Een nijlpaard komt tot onder het venster van René’s hut. Dan breekt een onweer los. Onder de morgen staan twee olifanten vlak bij mijn hut, hun getromp maakte me wakker.
Maandag 9 juli
Om vijf uur staan wij op. Wij hebben immers met onze gids afgesproken om te 6 uur, wanneer het licht wordt, te vertrekken op zoek naar leeuwen. Wie niet te vinden is, is onze gids. Om 7 uur komt hij er door : samen met andere gidsen was hij een morgendcrossje gaan lopen. Wij stoppen hem gauw in onze auto waar hij dan zit uit te zweten van de gedane inspanningen. Een ganse troep apen -wel honderd- zit op de baan te spelen. Als wij dichterbij komen, stuiven ze uiteen. De kleintjes op de rug van de wijfjes. Enkele negers zitten te wijzen naar de verte en roepen opgewonden “simba” -leeuw-. Wij rijden er heen. Als wij naderen richt de leeuw zich lui op en rent dan plots in volle vaart weg. Even later hebben wij meer geluk. Aan de rand van een bosje zitten twee leeuwen een antiloop op te peuzelen. Wij kunnen heel dicht naderen omdat ze hun morgendmaal zo maar voor ons niet in de steek willen laten. Als alles op is, en enkel nog de poten van de antiloop overblijven, gaan beide leeuwen lui verder. Enkele honderden meters verder staan nog twee antilopen, van de kudde afgezonderd, door de nachtelijke jachtpartij van de leeuwen. Zij kijken schichtig, kop hoog op. Wij blijven in spanning alles gadeslaan. De leeuwen komen van achter enkele struiken, zien de antilopen. Gaan ze aanvallen ? De antilopen blijven roerloos staan. De leeuwen lopen lui door, ze hebben genoeg gegeten.
Wij komen in het vissersdorp Vitshumbe aan het Edwardmeer : het is er juist markt, de vis wordt er aangeboden onder al zijn vormen : vers, rot, gedroogd. Vliegen zwermen er om heen. Het stinkt er. Visarenden en maraboes houden zich in de omgeving om zich op de visresten te storten. Wij gaan naar het kleine haventje : ijzeren boten van een tiental meter liggen aangemeerd : ze zitten vol negers, netten en vis. De vissers hebben een coöperatieve gesticht. Er zijn enkele stenen loodsen waar de vis wordt gekuist en behandeld voor verkoop. Enkele negers lopen er rond met een notaboekje en een bic vast gestoken boven op hun hoofd in hun krulhaar. Zij zijn de bedienden en staan dan ook veel hoger op de maatschappelijke ladder.
Wij rijden nu verder door de vlakte in de richting van de bergen. Die moeten wij over. De baan wordt slechter naargelang wij hoger komen. Er is geen enkele plantengroei meer, enkel nog rotsen en zand. De vlakte van Midden-Afrika verdwijnt onder ons in de nevel. Na uren rijden beginnen wij terug te dalen en komen wij terug in de bewoonde wereld. Het is al over de middag wanneer wij stoppen om onze meegenomen pic-nic langs de weg op te eten. In de verte zien wij een vrouw aankomen : groot pak op het hoofd, een kindje op de rug gebonden. Zij stopt wanneer zij nog geen vijftig meter van ons is. “Kijk,” zegt René, “dat is van schrik, die is nu aan het overdenken of ze ons voorbij zal durven gaan. Zo achterdochtig zijn ze hier.” De vrouw blijft staan. Wij eten verder. Plots komt ze toch door. René spreekt ze aan en zo vernemen we dat haar kind ziek is, dat ze op weg is naar een dispensarium en dat ze zich moet haasten om er voor de avond aan te komen. Kilometers ver zal ze gaan, kind op de rug en een zwaar pak op het hoofd. Haar man zit wellicht ergens te palaberen en te drinken met de andere mannen van het dorp.
Er staat ons nog een lange weg voor de boeg. René rijdt hard door : 30 à 40 km per uur. Valiezen en passagiers schokken meedogenloos doorheen in de V.W. En wat gebeuren moest, gebeurt : platte band, juist bij Lubero. Maar daarop is men voorzien in Zaïre. René heeft naast de reserve buitenband nog drie reserve binnenbanden en een voetpomp. Het wordt avond, het heeft geregend, het is mistig en het is koud. Wij doen onze trui aan. Met verenigde krachten wordt er een nieuwe band gestoken. De negers staan op afstand te kijken. Langs de baan staan twee stenen huizen. Hier hebben vroeger de blanke administrateurs gewoond en gewerkt. Van daaruit beheerden ze de streek, van daaruit trokken ze drie weken per maand de brousse in om recht te spreken, zieken te verzorgen, de veeteelt te bevorderen. Ver van huis hebben enkele blanken hier jaren geleefd onder de negers. Ook dat was kolonialisme.
Wij rijden nog geen vijf minuten verder of twee policiers staan midden de baan en doen ons stoppen. Onmiddellijk troept een ganse bende negers rond onze wagen. De policiers willen onze papieren zien, willen weten vanwaar wij komen, naar waar wij gaan, enz. Hun ogen staan wild en hun adem stinkt naar de drank. Ze spreken zeer moeilijk enkele woorden Frans. Wanneer dit spelletje een tijdje geduurd heeft schiet René in een Zaïrese koleire en we vertrekken. Och ja, als bij ons een onbekende door het dorp gaat, dan weten wij ook gaarne wie dat is en wat die komt doen. Laten wij maar aannemen dat die policiers -glaasje op- ook gaarne met ons kennis maakten. Na al dat oponthoud zullen we Beni, waar we wilden overnachten, niet meer bereiken.
Wij rijden over de evenaar, een klein plakkaatje op een boom langs de weg zegt het ons : “Equateur”. Het is bijna donker en dit belet ons de traditionele foto te nemen. Wij zitten alle drie met koude voeten in de wagen. “Dat zal thuis wel niemand willen geloven, met koude voeten over de evenaar”. Het is al donker als wij in de volgende stad, Butembo, aankomen. Wij besluiten maar niet verder te rijden en op zoek te gaan waar wij kunnen overnachten. Er is een missie van de paters van Kapelle-op-den-Bos. Wij rijden door de Cité : overal branden er vuren voor de hutten en lopen negers spookachtig om het schijnsel van de vlammen. Van overal horen wij gezang en geroep. En de reuk. Uiteindelijk hebben wij de goede weg gevonden en komen op de missie aan : een inlandse priester en twee blanke broeders, een Waal en een Vlaming. Na het eten blijven wij praten met de Vlaamse broeder : Maurits uit Schalkhoven-Limburg, een man van een jaar of veertig. Hij is de garagist en heeft de zorg voor 128 voertuigen van de verschillende posten. En dat wil wat zeggen hier, gezien de staat van de wegen en de afwezigheid van wisselstukken. Hij spreekt ook over zijn dorp waar hij uit weggegroeid is, over zijn familie die hij niet meer kent en over de kerk in België en de priesters die uittreden. Allemaal problemen die zouden veronderstellen dat het een triestig gesprek was. Maar het tegendeel is waar, die man spreekt levendig, hij lacht, vertelt anekdoten, heeft geloof, zit vol enthousiasme. Na het eten blijven wij praten met de Vlaamse broeder. Als hij wou kon hij ginder zelf een garage uitbaten. Dan was hij een rijk man. Nu is hij maar “een broeder, een jongen van de Limburgse buiten”. Maar voor mij is hij een van de schoonste mensen die ik in Zaïre heb ontmoet.
Vervolgt.
Foto’s : - Een avondfoto. Wij trekken door de “plaine”, de laagvlakte die Afrika middendoor snijdt met de bergen in de verte. -In het Virungapark : een lodge per persoon, grote luxe midden in de brousse. -Onze gids bracht ons naar een vijver vol nijlpaarden. -Deze leeuwen waren blijkbaar weinig geïnteresseerd in onze aanwezigheid. -Vissers in Vitshumbe aan het Edwardmeer, geflankeerd door maraboes.