Naar de inhoud

Kronieken van Leest

bij Mechelen
akke.beakke.be

Berichten van 20 februari 2012 tot 26 februari 2012

1925 – 19 maart : Voor de vervanging van Isidoor Constant Van Hoof werden er te Leest

            van de elf twee kandidaten veldwachters weerhouden : Jan Theodoor Huybrechts

            en Antoon Eduard Van den Brande.

            Eerstgenoemde zou het pleit winnen.

 

            De burgemeester gaf op 19 maart volgende inlichtingen over de toekomstige

            veldwachter aan de Procureur des Konings :

            “Dezen jongeling, geboren van werkliedenfamilie, trad in dienst bij landbouwer

            Spruyt waar hij werkzaam bleef tot zijn inlijving bij het leger.

            Na zijn dienstvolbrenging trad hij terug in dienst bij Spruyt tot het uitbreken

            van den oorlog, wanneer hij het leger vervoegde.

            Na den wapenstilstand keerde hij weder bij Spruyt.

            Hij is een zeer oppassend dienstknecht, werkzaam, geen dronkaard en kan als

            voorbeeld aan velen dienen.

            Hij is kalm van karakter, en zijn gedrag en zedelijkheid zijn zeer goed.”

            Eduard Van den Brande, de tweede kandidaat, zou op 12 mei naar Kongo

            vertrekken  om daar zijn geluk te beproeven.

            Jan Theodoor Huybrechts was boerenknecht bij de familie Spruyt in de

            Winkelstraat, hij was wees en woonde bij de familie in.

            Later huwde hij de dochter van zijn baas en pleegvader, Serafien, die hem zelf

            ten huwelijk vroeg.

            Theodoor had zelf een aangenomen dochter (Maria Nuytkens), evenals hijzelf

            een wees.

            “Hij was te goed om iemand op te schrijven”, zouden de mensen later over hem

            zeggen.

            Op 30 mei zou Jan Theodoor Huybrechts benoemd worden mits een jaarwedde

            van 4.500 fr. (GR-18/6/1925)

            In 1954 werd hij opgevolgd door Victor Van Hoof.

 

1925 – 30 maart :

            “Op zondag 29 maart laatst, rond 2 ure 50 namiddag, met het gespan

            rijdende in de Koeistraat aan de woning Louis Vloebergh, in de richting

            van het dorp gaande, werd ik aangereden door eenen auto, die wilde

            voorrijden; ik was aan het spoorgeven, doch den autovoerder gaf mij

            er den vollen noodigen tijd niet voor, daar den steenweg op de plaats waar hij

            mij wilde voorrijden, op die plaats kromming heeft, reed hij mijn rijtuig aan,

            zijnen auto raakte den elektriek paal.

            Den as van mijn gerij is vervrongen, en de ressorts zullen zonder twijfel

            vervrongen zijn.


            Het autovoertuig dat mijn gespan beschadigde, draagt de plaat nr. 83139,

            en werd gevoerd door heer De Beuckelaer, zoon, van Mechelen, Dijkstraat

            nr. 69, te Mechelen wonend.

            Ik heb bij Mr. De Beuckelaer (vader) geweest om mijnen geledene schade

            bij minnelijke schikking te regelen, doch deze wilde niet onderhandelen.

            Getuigenis hiervan kan gegeven worden door : Pieter Jan Baptist Emmeregs,

            landbouwer te Leest, Tinneschuurstraat 6 en dezes echtgenote, dewelke

            achter mij kwamen aangereden en door Louis Vloebergh, metser Koeistraat

            Leest, dewelke de wielspoorindrukken van den auto gezien heeft.”

            Pro Justitia  opgemaakt door burgemeester Theophiel Verschueren

            in opdracht van Alfons Verbergt, een 23-jairge landbouwer uit Hombeek

            (Boskant nr. 119).

            De afloop is ons onbekend.

 

1925 – In april werd de Tiendeschuurstraat voorzien van elektrische verlichting.

            (GA-7/4/1925)

 

1925 – 15 april : Jaarlijkse stierenkeuring in het dorp te Leest.

            Dit gold voor de gemeenten Heffen, Hombeek en Leest. De keuring werd verricht

            door de Willebroekse veearts Van Passen.

 

1925 – 18 april : Brief  van de burgemeester van Leest aan de Provinciegouverneur :

            “...nogmaals neem ik de vrijheid mij tot u te wenden, om eene dringende

            benoeming van veldwachter te vragen, in vervanging van wijlen Mr Van Hoof,

            sedert meer dan 6 maanden overleden...

            Door den langdurigen uitstel komt er ontreddering in den gemeentedienst, de

            velden zijn onbewaakt, en niemand wil de bediening van tijdelijk veldwachter

            aannemen...”

            Zoals hierboven gezegd zou Jan Theodoor Huybrechts op 30 mei officieel

            benoemd worden.

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:54 Reageer op dit bericht

     

1925 – Stichting van het Davidsfonds te Leest.

 

                                        DAVIDSFONDS LEEST

 

            Dit gebeurde onder impuls van onderpastoor Cleeren, Jozef Verhavert (een

            propagandist voor het gewest Mechelen) en Alfons Hellemans.

            Laatstgenoemde werd de eerste voorzitter, Lode Verbruggen werd

            penningmeester, Maria Rheinhard secretaresse.

            Andere bestuursleden van het eerste uur : Victor Selleslagh, Flor Meyers,

            August Verlinden en Victor De Laet.

            In het begin was de afdeling Leest ook samengesteld met leden van Hombeek,

            dit tot Hombeek een eigen afdeling kreeg.

            Onder de kenspreuk “voor godsdienst, taal en vaderland” ging het bestuur van

            de culturele vereniging er flink tegenaan.

            Het richtte voordrachten in, 11-julistoeten met medewerking van beide

            muziekkorpsen en de andere plaatselijke maatschappijen, gevolgd door

            spreekbeurten in open lucht of beurtelings in de zalen van Teughels en

            Huybrechts.  

            Concerten door de beide fanfares of gymnastische oefeningen wisselden soms

            de spreekbeurten af.

            Er werden opstelwedstrijden georganiseerd, boerenkrijgherdenkingen,

            declamatieprijskampen, goochelavonden,  bedevaarten, enz...

            Deze declamatierijskampen waren de eerste in heel het Davidsfonds.           

            De eerste voordrachten werden gehouden in de zaal “Sinte Cecilia” bij Theodoor

            Van den Heuvel, later bij de weduwe Van den Heuvel.

            Een ballonnekensprijskamp werd in 1933 –eveneens de eerste soortgelijke

            prijskamp in heel het Davidsfonds- gehouden, die de naam van Leest en het

            Davidsfonds uitdroeg tot aan het Bodenmeer in Zuid-Duitsland.

            Gedurende de tweede wereldoorlog en nog enkele jaren nadien bleef de

            Davidsfondswerking zo goed al achterwege om midden jaren vijftig

            opnieuw in gang te schieten.

            Het nieuwe bestuur van 1956 gaf de vereniging een nieuwe opflakkering,

            een nieuw elan en de organisaties stegen evenals het aantal leden.

            Weerom was Alfons Hellemans voorzitter en zijn medebestuursleden waren

            Cyriel Verbruggen, Maria Rheinhard, Albert Van Rompaey, Hugo Stuyck,

            Frans Van Neck, Hugo Verlinden, Juul De Smet, Mariette De Prins, Madeleine

            Verbruggen en Mariette De Boeck.

            In 1969 kwam, vooral onder impuls van Toon Lamberts, het Davidsfonds

            weer aan zijn trekken. De beweging kreeg een nieuwe injectie en zag haar

            ledenaantal de hoogte ingaan.

            In 1980 zag het bestuur er als volgt uit :

            Voorzitter : Jeroom Verbruggen, Ere-voorzitter : Alfons Hellemans.

            Ondervoorzitter : Maria Dons-Lamberts, secretaris Martin Mollemans,

            Penningmeester Aloïs Hendrickx en actieve bestuursleden Marleen De Prins,

            Pastoor Lornoy, Mia Van Sweevelt-Dewit en Marleen Verschueren.

            Het lidmaatschap gaf toen volgende voordelen : zesmaal per jaar het tijdschrift

            “DF-mededelingen”, gunstvoorvoorwaarden voor speciale aanbiedingen,

            korting op plaatselijke activiteiten en een extra reisservice dank zij Davo Reizen.

            Het nationale Davidsfonds werd in 1875 opgericht met het tweeledige doel

            de alzijdige ontwikkeling van het Vlaamse volk en de verdediging van de

            Vlaamse belangen.

 

 

1925 –Bureel der Weldadigheid werd Commissie van Openbare Onderstand

Louis Verbruggen in “De Band”  1956 :

 

“Voor het jaar 1925 had de Commissie van Openbare Onderstand de naam van “Bureel der Weldadigheid”.

Ingevolge de wet van 10 maart 1925 op de Openbare Onderstand werden de burelen van weldadigheid afgeschaft en ontvingen de naam “Commissie van Openbare Onderstand”.

Zij bestaat uit 5 leden, waarvan een lid voorzitter is, die bij geheime stemming door de leden zelf wordt verkozen.

De leden hebben voor hun ambt geen vergoeding.

Het administratief werk wordt verricht door de secretaris, Lode Verbruggen en door Alfons Hellemans als ontvanger voor het beheer der fondsen.

Deze twee laatsten genieten een jaarwedde volgens het aantal inwoners der gemeente.

Doel van de C.O.O.

De ellende lenigen en de dienst van de ziekenverpleging der behoeftigen geldelijk regelen.

Geldelijk beschikt de C.O.O. over de landpachten waarvan zij eigenaar is.

Indien deze gelden ontoereikend zijn, vraagt zij een jaarlijkse toelage aan het gemeentebestuur.

            (Louis Verbruggen in “De Band” – 1956)

 

 

1925 – 7 januari : Veearts Van Passen stelde mond- en klauwzeer vast bij vee van

            Jozef De Maeyer uit de Kleinheidestraat.

            Plakschriften met verbod van doorgang werden geplaatst en al het vee in een

            zone van 300 m werd geinventariseerd.

           

1925 – 19 januari : Doordat de Laerestraat zich in heel slechte toestand bevond,

            verzocht de burgemeester van Leest zijn ambtsgenoot van Hombeek dit

            euvel te verhelpen en de kosten te delen.

            Leest stelde de kasseier Alfons Van de Ven uit Tisselt voor om de

            werkzaamheden te verrichten. Deze vroeg 4 fr per uur.

 

1925 – 24 januari : Zonsverduistering.

            “We zullen toch ook iets te zien krijgen van de zonsverduistering van 24 januari,

            die in Amerika totaal zal zijn. De verduistering zal waar te nemen zijn tussen 3 en

            4 uur”. (KH-GvM)

 

1925 – 29 januari : 8 leerlingen van Leest volgden lessen aan de Tekenacademie te

            Mechelen. De gemeentekas nam daarvoor 35 fr per leerling ten haren laste.

 

1925 – 29 januari – Gemeenteraadszitting –

            -Grafmaker Van den Vondel bekwam opslag :

            “...Overwegende dat de grafmaker het kerkhof in zuiveren en zienlijken staat

            heeft gehouden, dat het getal overlijdens, middelmatig tot 30 per jaar beloopt,

            hij dus voor het delven en vullen van iederen grafkuil 4 franks geniet.

            Dat het dus billijk ware de gevraagde verhooging te verleenen, ingezien hij

            de wegen en het kerkhof voortdurend onderhoudt, besluit de Raad éénparig

            zijn jaarwedde van 125 fr op 250 fr te brengen.”

 

            -“De Voorzitter doet kennen dat eenen ouden treurwilg, welks stam deels

            verrot is, en eenen noteboom, met hunne takken de daken belemmeren,

            licht beletten in de kerk, dreigen om te vallen en alsdan groote schade aan de

            daken en de geschilderde glasramen kunnen veroorzaken.

            Dat in den hof der pastorij zich eenen ouden olmen boom bevindt van 2 meters

            omvang, waarvan den verkoop alsnu nog voordelig is gezien de overdreven

            prijzen van die houtsoort, besluit éénparig machtiging te vragen om bedoelde

            3 boomen openbaar te mogen verkoopen.

            Na uitkapping zou er eenen anderen jongen treurwilg gepland worden op meer

            afstand van het kerkgebouw.”

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:47 Reageer op dit bericht

1924 – Bij Koninklijk Besluit van 26 juni 1924 werd Theofiel Verschueren tot

            burgemeester  der gemeente benoemd.

            Jacobus Theophilus  Verschueren was de zoon van Jan en van Anna Catharina

            Steemans. Hij werd te Leest geboren op 26 maart 1853 en trouwde in 1886 met

            Victoria Selleslagh.

            Theofiel was landbouwer en hij woonde in de Scheerstraat.

            Hij was medestichter van de fanfare “Sint-Cecilia” en bleef voorzitter tot aan zijn

            dood  op 26 mei 1942.

 

1924 – 28 juli : Het linkerbeen van brigadier-veldwachter Van Hoof werd afgezet tot

            onder de knie.

            “Veldwachter Van Hoof heeft het inzicht na herstelling nog dienst te willen

            doen.”  (GA-5/8/1924)

 

1924 – 11 september : Mond- en klauwzeer bij vee van Ferdinand Van der Hasselt uit de

            Kapellebaan (Wittehoef).

 

1924 – I oktober : Alfons Hellemans  werd gekozen uit 21 kandidaten als zesde

            leerkracht voor de jongensschool van Hombeek. (KH)

            Alfons Maria Jozef Norbert Hellemans was te Leest geboren op 28 juli 1901 als

            zoon van koster Louis Hellemans en Victoria Teughels en hij overleed te

            Mechelen op 20 april 1986.

            Hij was sticher-erevoorzitter van de toneelvereniging Rust Roest en van het

            Davidsfonds Leest. Erevoorzitter van club De Luxeduif, voorzitter van de

            B.G.J.G. Leest en van diverse andere sociale en culturele verenigingen.

            “Het verhaal van meester Alfons Hellemans is nu ten einde. Het boek van zijn

            leven is definitief afgesloten, onherroepelijk dichtgeklapt. Een lang verhaal.

            Een boeiende geschiedenis. Een eenvoudig doch schoon leven, een rijkgevuld

            bestaan,dat voor velen veel betekent. Een bestaan vol zaligheden, doorkruist

            met tegenslagen. Veel wel, maar ook veel wee.

            De zaligheid van een welige kroost met een begrijpende liefdevolle vrouw en

            moeder, met kinderen, die haarden zijn van zorg, maar ook bronnen van vreugde

            en trots.

            Rimpelloos en angstenvrij is het leven van dit kroostrijke gezin niet verlopen.

            Ook dit huis kreeg ruimschoots zijn kruis. (...)

            De zaligheid van een mooi beroep was een van de grote genaden van zijn leven.

            (...)

            De palmares van activiteiten en verantwoordelijkheden van Alfons Hellemans

            getuigt van onverdroten ijver en onbaatzuchtige inzet voor zijn medemensen.

            (...)

            Zijn levensverhaal kende de zaligheid van de volksverbondenheid, meer met de

            daad dan met het woord. (...)

            Hij was een sterk gelovig man. Een Vlaming uit één stuk, niet schreeuwig, doch

            overtuigd.

            “Alles voor Vlaanderen en Vlaanderen voor Kristus”, was het symbool van zijn

            verheven idealen.

            Alfons Hellemans was een sympathieke mens, beminnelijk en bescheiden.

            Zijn verhaal was boeiend en blijft het lezen waard. Zijn leven blijft voor velen veel

            betekenen. Zij mogen hem dankbaar zijn, zij voor wie hij baken in het leven was

            (...).” 

            (fragment uit de homilie uitgesproken door prof. Herman Mertens op 25/4/1986)              

 

1924 – Op 3 oktober overleed in de gemeente veldwachter Isidoor Constant Van Hoof.

 

1924 – 12 november : Het stoffelijk overschot van de gesneuvelde soldaat Romaan Van

            Mol, geboren te Hekelgem op 28 juni 1890 en gehuwd met Maria Jozefina De

            Bruyne, soldaat van het 11e Linieregiment, werd ontgraven en overgebracht

            naar Willebroek. (GA-28/10/1924)

 

1924 – 20 november – Gemeenteraad :

            Er werd een speciaal krediet gestemd van 700 fr, zijnde de operatiekosten van

            wijlen veldwachter Van Hoof, ten voordele van zijn weduwe.

 

1924 – Met 6 stemmen tegen 1 werd Frans Beullens in dezelfde raad verkozen als

            Eerste Schepen, in verganging van T. Verschueren die burgemeester was

            geworden.

 

1924 – 20 november : De gemeente Leest ging een contract aan met de “Compagnie du

            Nord de la Belgique” betreffende de verlichting van een deel der gemeente.

            (GA-25/8/1927)

 

1924 – 20 december : Wijziging van de keurrechten op het slachtvlees.

            Vanaf 1 januari 1925 zullen volgende tarieven worden geheven :

            Paarden, ezels, muilezels : per hoofd 8 fr.

            Stieren, ossen, koeien en vaarzen : per hoofd 8 fr.

            Kalveren, varkens, schapen, lammeren, geiten en speenvarkens : per hoofd 5 fr.

            (GR)

 

1924 – Bevolking op 31 december 1924 : 1709 zielen waarvan 832 vrouwen en 877

            mannen.

 

1925 – In 1925 werden er in de gemeente 11 huwelijken afgesloten en werden er 56

            geboorten genoteerd waarvan 31 mannelijke en 25 vrouwelijke baby’s.

            Er waren 18 overlijdens.

            130 jongens en 143 meisjes waren schoolplichtig.

            34 kinderen uit de Bist en de Kapellebaan liepen school te Kapelle o/d Bos.

            Zoals de voorgaande jaren werden er weer verscheidene ouders voor de rechter

            gedaagd wegens verwaarlozing van de schoolplicht.

 

1925 – De wedden van de gemeentebedienden voor 1925 bedroegen :

            sekretaris : 7.200 fr jaarwedde + 1.290 fr bijwedde en vergelding.

            Gemeenteontvanger : 2.100 fr + 105 fr levensduurtoelage.

            De veldwachter ontving 4.500 fr + 225 fr levensduurtetoelage.

 

1925 – Dat jaar gelastte de gemeente advokaat De Glas om tot een overeenkomst

            te komen met de Staatscommissaris tot de vaststelling van de gemeentelijke

            oorlogsschade.

            Er bleven nog oorlogsherstellingen uit te voeren aan de omheiningsmuren van

            pastorij en kerkhof.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:31 Reageer op dit bericht

1924 – 10 januari : Overlijden van herbergier, gemeenteontvanger en schrijnwerker

            Noldus Teughels. Hij woonde in “de Roselaer” op het Dorpsplein.

            Het  werkhuis van zijn schrijnwerkerij stond achter het huis en was gebouwd op

            de kerkhofmuur. Later (1927) verbond zoon Theodoor de zaal, die bij het

            woonhuis behoorde, met het werkhuis en maakte er één grote ruimte van, die

            als schrijnwerkerij  én als feestzaal moest dienst doen. Die zaal diende trouwens

            voor alles, zelfs voor politieke meetings.

            Daags voor een teerfeest of toneel werd de scène boven de machines opgebouwd,

            de  tafels gingen langs de kant (daar konden de kinderen op staan) en de feestzaal

            was beschikbaar.

            Om gemakkelijker te kunnen manoeuvreren met het hout dat door de

            zaagmachine moest, had men een gat in de kerkhofmuur gemaakt : de langste

            planken kwamen tot op het kerkhof. Het gat is nog te zien in de muur.

            (LG-blz.283)

            Trien Beullens volgde haar man op als gemeenteontvanger : “ingezien de lange

            jaren trouwen dienst van wijlen heer Teughels, besloot de Raad van de wedde

            aan zijne weduwe te bepalen op de som door wijlen haren man als dusdanig

            genoten, hetzij a rato van fr. 3.400 s’jaars.”(GA-12/1/1924)

 

Op de foto :

Achteraan van l. naar r. Joanna Catharina “Trien” Beullens, haar man Arnold “Noldus” Teughels, oudste dochter Marie Teughels en vierde dochter Clothilde.

Zittend : Theodoor, Frans, Henri en Louis Teughels, zonen van Noldus.

De foto dateert van kort na de Eerste Wereldoorlog.

 

1924 – Op 1 februari overleed nog een prominente figuur in de gemeente, burgemeester

            Jaak Bernaerts.

            Van beroep was hij landbouwer, alhoewel hij zichzelf ook wel betittelde als

            “eigenaar”.

            Jaak Bernaerts was gehuwd met Maria Virginie Wouters, een dochter van Carolus

            Wouters en weduwe van Frans Voet.

            Tot in 1894 woonden ze op het Hof ter Haelen, daarna bouwde burgemeester

            Bernaerts zich een huis aan de Sint-Jozefkapel.

            In de gemeenteraadszitting van 23 februari bracht Eerste Schepen Theophiel

            Verschueren hulde aan de nagedachtenis van de overledene en “deed mededeeling

            dat de familie van wijlen Mr Bernaerts, ingevolge zijnen uitgedrukte wil, aan het

            gemeentebestuur overhandigde, ten voordele der gemeente, eenen Rentetitel der

            Belgische schuld van 1.000 franks nominale waarde, 3% 2e Reeks, nr.426026,

            met den coupon vervallende 1 mei 1924, zonder last voor de gemeente.

            Hij stelde voor des Raads dankbetuiging aan de familie te betuigen.”

            In zijn testament liet Jaak Bernaerts ook 2.000 fr na voor de kerk van Leest

            “op last voor de kerk te doen celebreren 2 eeuwigdurende gezongen

            jaargetijden.”

 

1924 – 9 februari : Schoolhoofd De Leers ontving volgend schrijven van het Leestse

            gemeentebestuur : “Mijnheer De Leers,

            Bij deze verzoeken wij u vriendelijk van voor het toekomende de speelplaats der

            school, voor of na de schooluren, niet meer door uwe kiekens en eenden te laten

            beloopen. De uitwerpsels dezer dieren bevuilen de speelplaats en de gemakken,

            en, wanneer de kinderen van de gemakken willen gebruik maken, zijn zij verplicht

            dikwijls eerst de zitten van de uitwerpsels der kiekens te zuiveren.

            Het is ook wenschelijk gedurende de schooluren, kinderen van de speelplaats te

            houden, welke de klassen niet volgen.

            Het gerucht op de speelplaats tijdens de klasuren, moet onoplettendheid

            verwekken bij de leerlingen der klas...”

 

1924 – Op 14 februari schreef de dienstdoende schepen namens het gemeentebestuur naar

            de inspecteur dat Dhr De Leers aan dit verzoek geen gevolg had gegeven.

            “...wij doen Uld deze mededeeling, alvorens maatregelen te nemen...”

 

1924 – Op 21 februari deed het gemeentebestuur aanvraag om pokstof te bekomen

            “tot het doen van koepokinenting voor 200 kinderen, de scholen dezer gemeente

            bijwonende...”

            De vraag was gericht tot het “Office Vaccinogéne te Cureghem-Anderlecht”.

 

1924 – 23 februari : Jozef Albert Apers, handelaar-herbergier en eerste plaatsvervangend

            raadslid, benoemd tot werkend raadslid ter vervanging van wijlen Jaak Bernaerts.

 

1924 – 23 februari : “Constant Voet, Eugeen Keuleers, Jozef Vloeberghen, Jan Baptist

            Beullens, Frans Van Roey en Jozef Verlinden wiens zonen de leergangen in het

            Sint-Romboutscollege te Mechelen volgden, vroegen om een toelage.

            Overwegende dat de gemeente, aangesloten bij het Provinciaal fonds der

            meestbegaafden, voor 1924 daaraan eene bijdrage dient te doen van fr. 253,20,

            gezien den bekrompen geldelijken toestand der gemeente, besluit de Raad

            éénparig de gedane vraag niet te kunnen inwilligen, en de aanvragers aan te

            zetten tot het doen van aanvraag bij het provinciaal fonds voor meestbegaafden.”

           (GR)

 

1924 – “Bij den dooi van 1, 2, 3 en 4 maart zijn de buurtwegen der gemeente grootelijks

            beschadigd geworden.

            De steenwegen van Leest naar Thisselt, en de Kapellebaan van Steinemolen naar

            Kapelle op den Bosch, twee wegen van groot verkeer, hebben zeer groote

            beschadiging geleden, alhoewel zij in 1923 goed en geheel hersteld waren.

            De schade is grootendeels toegebracht met dooi van begin maart, door de zware

            autokamions.

            De steenwegen van 2-1/2 en 3 meters breedte, zijn bij dooiweder reeds

            beschadigd, bij het verschijnen van het sluitingsbevel der barreelen.”

            (Uit een brief om financiele steun aan de provincie)

 

1924 – Op 29 maart rond twee uur dertig in de ochternd  werd het huis, gebruikt door

            Jan Edward De Hondt, oorlogsinvalide uit de Tiendeschuurstraat, door brand

            vernield.  

            De aanpalende schuur werd deels beschadigd. Oorzaak van de brand bleef

            onbekend.   

 

1924 – 22 april : De drie bezitters van motorvoertuigen uit Leest Jan Frans Piessens uit de

            Blaasveldstraat, Hendrik Verbeeck uit de Tisseltbaan en Jan Frans Selleslagh uit

            de Bist, werden ervan verwittigd dat de “commissie, belast met de openeming en

            rangschikking der motorvoertuigen, tot nazicht zal overgaan in de gemeente op

            dinsdag 22 april te 8 ure ’s morgends. De bedoelde bezitters van motorvoertuigen

            worden aanzocht deze voertuigen op gemelde dat tot nazicht aan de commissie

            beschikbaar te houden.” (GA-5/4/1924)

 

1924 – 24 april : Het Schepencollege gaf  toestemming “tot het daarstellen van

            bovengrondsche telefoonlijnen voor de inwoners Frans Piessens uit de

            Blaasveldstraat en Karel Van Praet uit de Thisseltbaan, uitgaande van den

            spoorweg Mechelen-Terneuzen, en dit op voorwaarde dat de palen zoo dicht

            mogelijk bij de grachten zullen geplaatst worden, om de wegenis niet te

            belemmeren.”

 

1924 – 28 mei : Jan Edward De Hondt werd, met 7 stemmen tegen 2, benoemd tot

            gemeenteontvanger.

            Hij diende daarvoor 5.000 fr borgtocht te storten “tot waarborg van zijn beheer”.

            Zijn wedde, die niet meer mocht bedragen dan de 6/10de van de aanvangswedde

            van de gemeentesecretaris, bedroeg 2.100 fr. (GR)

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:26 Reageer op dit bericht

1923 – 14 november  - Gazet van Mechelen : Erg auto-ongeluk te Hombeek.

            “Een erg auto-ongeluk heeft te Hombeek plaats gehad. Beestenkoopman V.

            kwam in zijn auto van Mechelen terug, toen in de Dorpsstraat te Hombeek de

            auto op de glibberige weg uitschoof en met groot geweld tegen een gevel

            aanbotste. De bestuurder en twee inzittenden worden gekwetst aan hoofd en

            benen. Een vierde, L.B., pachter te Leest wordt met een schedelbreuk opgenomen

            en verkeerd in stervensgevaar.” (KH)

 

1923 – 29 december : “...Ter herberge van Henri Teughels, Winkelstraat, werd aan de

            duivenliefhebbers kenbaar gemaakt dat ieder der houders van reisduiven zal te

            betalen hebben 75 centiemen voor zegelrecht van het getuigschrift van

            machtiging, door de burgemeester af te leveren.

            Ook dient een lijst opgemaakt van iedere reisduifhouder met opgave zijner

            duiven, dit voor het register van gemeente en gendarmerie.”

            (GA-29/12/1923)

 

1923 – Op 31 december telde Leest 1701 zielen.

 

1924 – 27 mannelijke en 16 vrouwelijke baby’s zagen dat jaar het licht te Leest, verder

            werden er 15 huwelijken afgesloten en gaven 21 Leestenaars de geest.

            135 jongens en 146 meisjes waren schoolplichtig.

            Weer werden verschillende ouders gestraft door de vrederechter wegens

            verzuiming van de schoolplicht.

 

1924 – De landbouw van Leest in 1924:

            “Rogge : tamelijk goede opbrengst.

            Tarwe : goede opbrengst.

            Haver : mindere opbrengst dan in een middelmatig jaar.

            Gerst : bijna niet meer gezaaid.

            Aardappelen : vroege : van mindere opbrengst dan in een middelmatig jaar,

            voor de late aardappelen was de opbrengst slecht.

            Het vlas was van goede opbrengst en de verkoopprijs was heel hoog.

            Hooi- en toemaatgras waren van goede opbrengst, voederbeet van mindere

            opbrengst dan een gewoon jaar.

            Rapen : van tamelijk goede opbrengst, wortels werden bijna niet meer gezaaid.

            Verschillende stallen in de gemeente werden besmet met mond- en klauwzeer,

            maar veroorzaakten geen sterften.

            (SC-20/8/1925)

 

1924 – “De lijst der ingeschreven kiezers voor de werkrechtersraad bevat 5 kiezersbazen

            en 38 kiezers-werklieden.

            Kiezers bedienden komen op den lijst niet voor.” (GA-16/2/1924)

 

1924 – In de gemeente was er dat jaar geen enkele werkloze.

            “Moesten er komen dan zal er een controle ingericht worden, zodanig dat de

            werklozen de gelegenheid niet zullen hebben noch den voormiddag, noch den

            namiddag, werk te gaan verrichten.” (GA-13/3/1924)

 

1924 – In 1924 werden er avondlessen gegeven in land- en tuinbouw, o.a. over

            veevoeding, grondonderzoek en samenstelling van meststoffen. Het aanleggen

            van fruithoven, boomgaarden en groenteteelt.

            De lessen gingen door op vrijdagen van 18 tot 20 uur in de jongensschool en ze

            waren kosteloos.

 

1924 – De reisduivenmaatschappij “Recht voor Allen” had haar zetel bij Polfliet in de

            Tisseltbaan, de andere maatschappij “De Luchtreiziger” was gevestigd bij

            Symons in het Dorp. (GA-13/8/1924)

            In 1924 werden er 50 machtigingen verleend aan Leestenaars duivenhouders.

 

1924 – In 1924 kocht limonadefabrikant Jan Huysmans uit het Dorp een vrachtauto van

            het merk “Ford”.

 

1924 – Dat jaar werd er intens onderhandeld tussen het bestuur van “Telegrafen en

            Telefonen” (de voorloper van de RTT die in 1930 zou gesticht worden) en het

            gemeentebestuur van Leest over de plaatsing van telefoonpalen.

            Ook tussen electriciteitsbesturen en het gemeentebestuur over de bouw van

            Electriciteitskabines.

 

1924 – Dat jaar (tot 1936) werd Jozef Cleeren (°1888, +1974) onderpastoor te Leest.

            In 1956 schreef hij De Band vanuit Hoeleden :

            “...Bij mijn aankomst te Leest werden mij op de pastorij twee kamers toegewezen

            langs de hofkant. ’s Morgens, na een eerste rustige nacht, opende ik het venster

            van mijn slaapkamer wijd, maar smeet het met een zeersnelle onbewuste

            beweging weer toe, omdat mijn reukorgaan door een heel verdachte geur (?)

            werd geprikkeld, die voortkwam niet van de hoffelijke bloemen, maar veeleer

            van de liefelijke Zenne, waarvan de wateren door Brussel worden bezoedeld !

            Meestal ging of fietste ondergetekende over Kouter, Bist, Geuzenhoek,

            Tisseltbaan en andere modder- en steenwegen, om terug te keren tot zijn

            paradijselijk lustoord langs Alem-, Blaasveld-, Koe-, Scheer-, Molenstraat en

            andere boulevaars.

            (...)

            Vele herinneringen aan Leest zijn mij bijgebleven. Onder andere en eerst en

            vooral dat de mensen van Leest zulke brave, diepgelovige christenen zijn.

            Zelden heb ik zulke innige en geestdriftige samenwerking gekend tussen

            geestelijkheid en parochianen. Nergens ben ik zulke gewillige, vreugdige,

            opgeruimde, blijde mensen tegengekomen als te Leest.
            De Leestenaren hielden van een goede kermis, van een vettig teerfeest, van een

            pot (of meer) schuimend bier en van Onze Lieve Heer.

            Slechts alle zes jaren kwam er een kink in de kabel : in de tijd van de

            gemeenteverkiezingen ; dan was het geraadzaam niet te veel in de huizen te

            komen, want dan zoudt ge zo met een broodmes de argwaan en de achterdocht

            van de gezichten gekrabt hebben ; dan hadt ge nog alleen vriendschap van de

            zuigelingen en de kleuters. Gelukkig duurde die periode niet lang en het leven

            van elke dag ging dan weer gewoon verder : de mensen gingen ’s zondags naar

            de kerk. De Zenne liep op en af en verpestte de lucht of er niets gebeurd was,

            de boerenauto’s reden ’s dinsdags over de brug en terug en stopten hier en daar

            voor een herberg, om de motor van de nodige benzine te voorzien, de jonge

            pattatten werden gestoken en geleverd, de asperges gebusseld, de bloemkolen

            gesneden of ’s avonds zat heel de familie ronde de grote tafel om de spruitjes

            te kuisen...”

 

            Jozef Cleeren was medestichter van de Leestse Davidsfondsafdeling (1925).

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:19 Reageer op dit bericht

Vervolg meester Meyers

 

In 1976 nam hetzelfde maandblad hem een intervieuw af :

 

Hoe bent u hier in Leest verzeild geraakt?

In 1923 las ik in een dagblad dat er in Leest een plaats als onderwijzer open was. Ik had pas m’n legerdienst achter de rug. Mijn familie was van rond Tienen, echte Hagelanders, die met hun bieten in Grazen,Rummen, Kortenaken en Orsmaal bekend stonden.

Een verre verwant, een zekere Dumont, was hier te Leest wel bekend. Door zijn toedoen kwam die plaats hier aan mij.

 

Enkele belevenissen ?!

Bijna 42 jaar, tot in 1964 heb ik de Leestse jeugd onderhanden gehad.

De belevenissen zijn niet in een handomdraai te vertellen.
Ik hou veel van de kinderen die bij mij hebben gezeten ook al kennen sommigen me niet meer. De oud-leerlingen die het het verst hebben gebracht zijn natuurlijk het meest dankbaar.

 

Hoe was de school ?

M’n collega’s en ik hadden elk een graadklas.

Leerlingen hadden we genoeg. De Leers was hoofdonderwijzer. Daar hebben we ambras meegehad ! Hij woonde in het schoolhuis en had z’n tuintje waar de leerlingen bonen mochten planten enz.

In die tijd werden de klassen verwarmd met kolenkachels. Het kolenkot deed evenveel dienst als kippenhok. Je begrijpt wat een soep dat was.
Selleslagh, mijn collega dat was een man, daar had je iets aan. Spijtig, maar hij is te jong gestorven.

 

Welke vakken gaf u het liefst ?

Ik gaf alles graag. Over mijn werk zou ik wel heel veel kunnen vertellen.

 

Wanneer begon je met schilderen ?

Reeds in de normaalschool kreeg ik een pluim voor mijn verfijnd werk.

“Je moet er u op toeleggen” hoor ik mijn tekenleraar nog zeggen.

Ik volgde dan avondlessen in Mechelen. Mijn leraar was Gustaaf Van de Woestijne ;

hier hangt nog een copie van zijn werk “het Boerinneke”.

Ik leerde naar levend model schilderen maar er kwam in mijn onderwijzersloopbaan niet veel van schilderen.

Het was goed voor later, wanneer ik op pensioen was. En nu is het zover.
Ik hou van portretten te schilderen maar de laatste tijd hou ik meer van landschappen.

Ik ben nu een landschap aan het schilderen met een ouderlijk huis voor mensen uit

Zemst. Het zal mooi worden !

 

Stan Gobien in 1996 n.a.v. “Reünie van de Leestse Vijftigjarigen” in de speciale brochure:

“...De jongens kwamen bij meesters Meyers te zitten. Ik herinner mij nog dat hij van bij het begin van het schooljaar controleerde wie zijn tafels van vermenigvuldiging kende en dat hij naging wie na de vacantie nog kon lezen. Wie onvoldoende haalde, mocht na de school overblijven en er waren er veel die hier of daar wat vergeten waren...

Meester Meyers was een rustig iemand. Hij gaf ons op een degelijke manier taal- en rekenlessen, maar ook landbouw stond op het programma.

Het eerste lesuur van de maandagnamiddag was er geschiedenis en meester Meyers kon prachtige historische verhalen vertellen. Tijdens die les was iedereen een en al aandacht.

Voor degenen die wat langer van gestalte waren dan de anderen, zorgde hij voor een speciale bank uit het zevende en achtste studiejaar.

Toen wij de klas binnenkwamen ging meester Meyers regelrecht naar de kachel en stond daar het laatste van zijn sigaret op te roken tot er bijna niets meer van overbleef.

Of hij zijn vingeren verbrandde of niet, het peukje verdween tenslotte langs het gaatje van het deksel in de kachel.

Meester Meyers tekende en schilderde graag. Wie straf kreeg moest als model gaan staan en hij werd geportretteerd door de meester. Wie echt stout was, kreeg een lichaamsstraf.

Hij moest dan “haartje pluk” ondergaan. Maar alles bij elkaar was dat nog niet zo’n erge zaak...”

 

Na zijn overlijden publiceerde “De Band” in september 1981 een In Memoriam :

“Hij was soms streng in de klas, omdat hij van de kinderen hield. Hij wilde immers dat ze konden en wisten wat nodig was voor ’t later leven.

Hoeveel keer bleef hij niet na de uren in de klas om een paar leerlingen bij te werken ?

Meester Meyers was lid van VOETSPOOR, de kunstkring van Leest.

Langs de jaarlijkse tentoonstellingen leerden we het werk van de meester kennen.

Landschapjes en portretten waren zijn geliefkoosde onderwerpen.

Hij bracht ons fijn en verzorgd werk, ongecompliceerd, steeds even sfeervol en eenvoudig.

Reeds in Mechelen, waar hij destijds avondlessen volgde bij Gustaaf Van de Woestijne, was hij bekend om zijn fijn werk.

Zijn schilderijen waren zijn geesteskinderen en hij kon er moeilijk afscheid van nemen.

Na een tentoonstelling was hij past gerust wanneer hij zijn werkjes weer veilig en wel bij zich thuis had.

Hij was steeds bereid om mee te werken, maar ook steeds bezorgd om wat er leefde en roerde tussen de mensen.

Al was hij van geboorte niet van hier, met hem verdwijnt een graaggeziene echte Leestenaar.  

           De Band”

 

 

De tekst van zijn  doodsprentje is ook vermeldenswaard :

“...Hij werd geboren te Kortenaken op 16 november 1902, maar bracht zijn jeugd door te Orsmaal-Gussenhoven.

Na de normaalschool te Tienen kwam hij in 1923 als onderwijzer naar Leest.

Gedurende 41 jaren hielp hij de Leestse kinderen de weg te vinden naar de grote-mensenwereld.
Ongeveer 600 jongens zijn aan hem voorbijgegaan. Ook na de uren hielp hij hen, zodat niemand ooit van bij hem wegging zonder te kunnen lezen.

De school was zijn leven, want hij hield van de jeugd.

Dat zag men ook aan de vele kinderkoppen die hij schilderde in zijn vrije uren. Want Flor Meyers wfas ook kunstenaar en zondagschilder.

Met de fijngevoeligheid die hem eigen was schilderde hij mensen en sfeervolle landschappen in uitgezuiverde kleuren en delikate contouren.

Hij stond tussen de mensen. Dat maakte hem vele vrienden.

Ze waardeerden vooral in hem zijn bescheidenheid, want ook dat was een karaktertrek van hem.
Meester Meyers vond zijn vreugde vooral in zijn gezin. Hij was een trouwe en attentievolle echtgenoot voor  Jeanne, een echte vader voor zijn kinderen Godelieve en Edgard, een goeie grootvader voor zijn drie kleinkinderen Johan, Peter en Patricia.

Tamelijk snel is hij van ons heengegaan, bij het morgengrauwen van 7 september 1981 in het Sint-Jozefziekenhuis te Mechelen, waar hij de avond voordien was heengebracht.

Bij het leed dat we voelen om de lege plaats in ons midden beseffen wij meer dan ooit met dankbaarheid welk goed mens hij was.

Zijn oprecht geloof en zijn manier van leven blijve ons een licht op onze levensweg.”
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:14 Reageer op dit bericht

1923 – 20 oktober – Gemeenteraad :  Flor Meyers benoemd tot onderwijzer in de plaats

            van Alfons Hellemans, ontslaggever.

            Meester Meyers haalde het met 5 stemmen tegen 4, er waren 19 kandidaten.

            Zijn wedde : 4.800 fr + 200 fr woonstvergoeding en 600 fr duurtetoeslag.

                                        Floriaan MEYERS

 

Was geboren te Kortenaken op 16 november 1902. Hij was gehuwd met Joanna Wilms die hem twee kinderen schonk : Edgard en Godelieve Meyers.

Meester Meyers overleed in het Sint-Jozefziekenhuis te Mechelen op 7 september 1981.

In  het nummer van oktober 1978 van de periodiek “De Band” stelde hij zichzelf voor :

 

“Evenals meester Dumont ben ik afkomstig uit Orsmaal-Gussenhoven.

Wel zag ik er het levenslicht niet, want mijn wieg stond te Kastenaken, een gemeente uit de streek van Diest.

Toen mijn grootouders overleden waren, namen mijn ouders de ouderlijke hoeve over.

Het staat er nog, een prachtig gebouw maar met ledige paardenstal, ledige koestal, ledige varkensstallen en ledige schuur. Dikke muren ondersteunen het dak.

Zware eikenbalken, die wellicht eeuwen het dak schragen en die het nog mensenlevens zullen doen, kan men er nog bewonderen.

Daar groeide ik op als de elfde van de twaalf.

Ik was zowat de loopjongen, die met de meeste boodschappen werd gelast.

Het staat me nog zo fris voor de geest. Enkele huizen verder woonde er een kruidenier, die tezelfertijd schoenmaker en boer was.

In de winkel in houten bakken, lag er suiker, zout, koffie, chicorei en noem maar op.

Een schutsel voorzien van een schuifraam scheidde kruidenier en klant.

Een zware koperen bel kondigde telkens een nieuwe koper aan.

Vlug wipte de schoenmaker recht van zijn stoel, legde behoedzaam de schoen neer, veegde zijn handen over zijn schort en stond meteen in de winkel om het gevraagde te overhandigen. Van hygiëne gesproken ! Die goeie oude tijd.

Op straat behoefde men niet bevreesd te zijn van auto’s en dergelijke dingen, geen spraak. De weg was aan de jeugd, daar kon men stoeien , zich uitleven, terwijl moeder rustig haar werk verrichtte.

Telkens ik er terugkeer, sta ik nog in bewondering voor die mooie streek met haar zacht golvende hellingen, waar de rijke graangewassen ruisen in de wind.

Voor mij is er niets op aarde  mooier dan dit prachtige Haspengouw, een juweeltje, waar de rijke kersen u doen watertanden.

Daar groeide ik dan op, gelukkige onbekommerde jeugd.

De lagere school stond niet ver van ons huis. Twee onderwijzers onderwezen er de kinderen. Ik heb er school gelopen tot mijn veertiende jaar.

Voorlaar ik dacht aan studeren, had ik dus al twee jaar mijn tijd verloren.

Ik reed naar Tienen met de stoomtram in de winter, in de zomer deed ik het met de fiets.

Na mijn studententijd en na het vervullen van mijn dienstplicht te Luik, werd ik benoemd aan de gemeentelijke jongensschool te Leest, en over Dumont.

Op goedvallen uit heb ik er mijn kans gewaagd.

Ik herinner mij nog het bezoek aan de negen gemeenteraadsleden.

Alleen had ik die mensen nooit gevonden, maar een bereidwillige jongen vergezelde mij en wees mij de weg. Ik ben er hem altijd dankbaar om gebleven en wij zijn altijd, tot aan zijn dood, dikke vrienden gebleven.(nvdr :Antoon Polspoel)

Over mijn eerste kennismaking met Leest, met haar hobbelige wegen, bij avond en nacht duistere straten, zo was het toen overal, daar vertel ik u later wellicht meer over. Ja, veel meer.

Ik vond er een nieuwe thuis. In de Rozelaer, bij Noldus Teughels, voelde er mij als kind van den huize. Over mijn wel en wee aan de school zelf zou ik bladzijden kunnen wijden. Toch wil ik dit nog kwijt. Ik heb er een mens leren kennen waarmee ik bijna mijn ganse loopbaan ben omgegaan, een goed mens, een vrolijke steeds opgeruimde collega Selleslagh Victor.

Met de twee andere onderwijzers, meester Huysmans en meester Hendrickx heb ik altijd goed kunnen opschieten. Toen ik in 1964 besloot op rust te gaan had ik ten volle 41 jaar dienst.

600 jongens zijn mij voorbijgegaan.

Ik heb al de middagen opgeofferd om degenen, die ten achter waren, hetzij in rekenen of in lezen bij te werken.

Ik ben nu al 14 jaar op pensioen en slijt mijn dagen nu verder in een zalige rust.

       Flor Meyers.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:11 Reageer op dit bericht

1923 – 17 februari : De gemeenteraad stemde met 5 stemmen tegen 4 voor de bouw van

            een nieuwe meisjesschool. (GA-31/7/1923)

 

1923 – 3 maart : De schoolhoofden De Leers en Hellemans ontvingen volgend bericht

            van het gemeentebestuur :

            “Bij omzendbrief van de gouverneur der provincie aan de gemeentebesturen

            gericht wordt medegedeeld dat de pokziekte thans groote verwoestingen aanricht

            in verscheidene landen van Europa, en dat de besmetting waargenomen is in eene

            vreemde plaats nabij onze grens.

            De omzendbrief bevat onder nr. 2 :

            Aan de hoofden, zowel van private als van openbare scholen, kribben,

            kindertuinen enz., aanbevelen slechts kinderen te aanvaarden die gedurende de

            zes laatste jaren werden ingeënt, of die de pokken gehad hebben.

            Gelieve, wat uw school betreft, zorg te dragen, dat er aan het bovengemelde

            voldaan wordt, en bijzonderlijk te zorgen dat de jaarlijkse herinentingen voor het

            toekomende regelmatig plaatshebben en u deswegens met Mr dokter De Becker

            van Thisselt, gemeenteinenter, te verstaan.”

 

1923 – 24 maart : Dokter De Becker “ziet af van de behandeling der onvermogende

            zieken der gemeente...”

 

1923 – 28 april : Het Schepencollege benoemde Juffer Rheinhard als tijdelijk

            waarnemdende onderwijzeres in de gemeentemeisjesschool ter vervanging van

            de zieke titularis mevrouw Engels-Troch en Victor Weyts als tijdelijk

            waarnemdend onderwijzer in de gemeentelijke jongensschool, als vervanger

            van de dienstplichtige Alfons Hellemans.

 

1923 – Op 8 mei overleed te Leest, rond 18u30 in haar kasteel “de Mot”, Anna Maria

            Jozefina Ghislena Pansius, weduwe Coemans Eugeen Valery. Ze was 73 jaar

            geworden.

            De begrafenis had plaats te Mechelen alwaar zij werd bijgezet in de familiekelder.

 

1923 – In de nacht van 22 op 23 mei werd er door onbekenden ingebroken in de twee

            gemeentescholen :

            “Rond 2-1/2 u ’s morgens werd Mr. De Leers, onderwijzer, gewekt door het

            gerammel zijner elektrieke deurbel.

            Deze is opgestaan en kort daarna hoorde hij het geronk van eenen vertrekkende

            automobiel aan de school.

            Het gerammel van het voertuig deed veronderstellen dat het voertuig niet in

            goeden staat moet geweest zijn.

            Het moet vertrokken zijn in de richting van Thisselt tot aan de woning van

            wagenmaker Verbeeck, alwaar de lichten aangstoken werden, en de richting naar

            Hombeeck Heike gevolgd werd.

            In de meisjesschool werd over den muur geklommen, een ruit gebroken langs

            welke opening men waarschijnlijk binnen gedrongen is, en de deur geopend.

            In twee klassen dezer school werden verschillige kassen en lessenaars

            opengebroken.

            In de jongensschool heeft men een stoel weggenomen, die aan den

            afsluitingsmuur geplaatst stond.

            Op de koer dezer school bestaat eene staldeur, waar het kiekenkot is, men

            veronderstelt dat men kiekens heeft willen stelen.

            Bij het aanraken der deur is de elektrieke bel in werking gegaan.”

 

1923 – 1 juni : De Leestse schoolhoofden werden ervan verwittigd dat :

            “vanaf den eersten juni e.k., de nagemelde overwegen op de spoorweglijn

            Mechelen-Terneuzen, op het grondgebied dezer gemeente, niet meer bewaakt

            zullen zijn, en dat de Bareelen zullen afgeschaft worden :

            op overweg nr.3, Kapellebaan, weg naar het Hoefijzer.

            Op overweg nr. 3a, veldbaan tusschen de Kapellebaan en de weg naar de Bist.

            Op overweg nr. 4, aan de woning van Victor Van Herp, weg naar de Bist.

            Op overweg nr 4a, veldbaan op Stuikensveld.

            Op overweg nr. 5b, veldbaan aan boschje Moeremans.  

            Op veldbaan nr. 6a, in de dreef Washer, grooteheide.

            Op overweg nr.6, in de grooteheidestraat, aan de woning Jaak Leemans.

          

            Wij verzoeken Uld. dus vriendelijk van de kinderen uwer school aandachtig te

            willen maken, op het overtrekken der spoorweglijn op bedoelde onbewaakte

            overwegen voor het toekomende

                               Het gemeentebestuur van Leest.”. 

 

1923 – Op 5 juli vertrok vanuit Leest een kistje met 2 pistolen en 28 kardoezen, hetzij

            afgestane wapens en schietvoorraad, om via de trein naar een legerdepot te

            Antwerpen verstuurd te worden.

 

1923 – 26 juli : De Kantonale Opziener van het lager onderwijs maakte bij zijn inspectie

            in de gemeentescholen aanmerkingen nopens de gebrekkige toestand der

            schoolmeubelen en leermiddelen :

            “De ontbrekende leermiddelen en meubelen als banken, enz. voor de

            meisjesschool en deels voor de jongensschool dienen zonder verderen uitstel

            aangeschaft te worden. Ook de gebouwen dienen in goede staat gesteld te

            worden, hetzij door herstelling, hetzij door nieuwe bouwing.

            Aanvraag tot opmakingsplan dient gedaan te worden en het College dient binnen

            de 3 weken aan de schoolopziener afschrift der genomen Raadsbeslissing toe te

            zenden om de staatstoelagen voor ’t onderwijs aan de gemeente niet zien

            onttrokken te worden...”

            (GA-4/8/1923)

 

1923 – 16 augustus : Frans Coeckelbergh werd benoemd als ontvanger van het

            Weldadigheidsbureel. Hij verving Emiel Meulemans. (GR)

 

1923 – Op 24 augustus, rond 15u30, veroorzaakte een blikseminslag brand in de woning

            van Edward Van Steenwinkel uit de Kouter.

            Woning en inboedel werden vernield.

 

            Gazet van Mechelen wijdde er ook een artikel aan in de editie van 27/8 :

            “...Vrijdag namiddag rond 4 ure, hing er een zwaar onweer over onze gemeente.

            De bliksem sloeg in op de woning van landbouwer Edward Van Steenwinkel,

            wonende op den steenweg naar Hombeek.

            De woning werd totaal door het hemelvuur vernield.

            Schuur en stalling, welke gelukkig afgezonderd staan, bleven ongedeerd.

            Van den huisraad, die nogal aanzienlijk is, wordt door verzekering gedekt.”

 

1923 – Zaterdag 25 augustus – Gazet van Mechelen : Uit Leest :

            “In onze gemeente heeft zich een geval van vergiftiging voorgedaan dat gansch

            het huisgezin van landbouwer Van de Sande treft.

            Maandag l.l. had de familie Van de Sande, bestaande uit zes personen, kaas

            gegeten.Dinsdag daaropvolgend gevoelden ouders en kinderen zich ontsteld,

            lijdende aan geweldige pijnen in den buik en aan de maag.

            Vooral de toestand van den 38-jarigen zoon was zorgwekkend, zoodanig dat hij

            woensdag in de geweldigste pijnen overleed.

            Het parket van Mechelen, van het gebeurde verwittigd, heeft een streng onderzoek

            ingesteld en de overblijvende eetwaren aangeslagen.

            De lijkschouwing van den overledene zal wellicht meer aan het licht brengen.”

 

1923 – Op donderdag 13 september had er een aanbesteding plaats in het gemeentehuis

            voor de levering van schoolmeubelen en leermiddelen (didactisch materiaal) aan

            de meisjesschool.

            Frans Spiessens uit  Hingene sleepte de bestelling in de wacht voor 2.902,64 fr.

            (GA-23/8/1923 en SC-22/11/1923)

 

1923 – “Bij Ministrieel Besluit van 6 oktober 1923 werd Mevr. Engels-Troch,

            onderwijzeres der meisjesschool, in beschikbaarheid gesteld met wachtwedde

            van 4.800 fr.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:09 Reageer op dit bericht

1922 – 19 en 26 februari : Eerste optreden van de nieuwe toneelkring “Rust Roest”

            In de zaal “Van den Heuvel”.      

            Vermeldenswaard : de toegangsprijs bedroeg 3 frank voor genummerde en 2

            frank  voor niet-genummerde plaatsen en de acteursbezetting was gemengd.

            (GvM,28/10/81)

1922 – 2 maart : De gemeente sloot aan bij het “Provinciaal Fonds der meestbegaafde

            kinderen.”

 

1922 – Op 25 maart ging de gemeente opnieuw een lening aan. Er werd 40.000 frank

            geleend bij het gemeentekrediet.

 

1922 – 25 maart : De gemeente weigerde zich aan te sluiten bij de Provinciale- en

            Intercommunale Drinkwatermaatschappij der provincie Antwerpen :

            “Overwegende dat de uitvoering van het ontwerp, groote onkosten veroorzaken

            zal, niettegenstaande de beloofde toelagen van staat en provincie, en dat de

            gemeenteinkomsten niet bestand zijn, haar bij te treden inschrijvingsaandeel

            te waarborgen.

            Bovendien dat de gemeente van goed en drinkbaar water voorzien is...”

 

1922 – 22 april : Maalder Leonard Lauwers kreeg toelating tot het plaatsen van “eenen

            gazmotor van 25 paardenkracht, met dubbelen gazzuiveraar, van ’t merk

            Schmith.”

 

1922 – 22 juni : Het beheer van “Telegrafen en Telefonen”, bekwam van de gemeente de

            toelating tot het aanleggen “eener Rijkstelefoonlijn en het plaatsen van 4 palen op

            het openbaar gemeentedomein langsheen de Thisseltbaan uitgaande van den

            spoorweg Mechelen-Terneuzen, naar de woning van Alfons Apers, handelaar

            Leest.”

 

1922 – 26 juni : De gemeenteraad stemde een krediet van 933 fr, te betalen aan de

            gemeente Hombeek, “tot betaling van schoolbehoeften van kinderen der

            gemeente die de school te Hombeek bijwonen”.

 

1922 – 1 juli :”...Van den genaamde Pieter Jan Campion, militiaan der klas 1909 van

            het 1e Jagers te voet, nr. 24222 van het stamboek, is tot heden geen nieuws

            ontvangen.

            Alle opzoekingen tot heden gedaan, zijn vruchteloos gebleken.

            Hij moet nog gezien geweest zijn na de gevechten langs de omstreken van Haacht.

            Alles doet veronderstellen dat hij op het veld van eer gevallen moet zijn.”

            (GA)

 

1922 – 24 juli : Openbare aanbesteding voor de herstelling der buurtsteenwegen.

            Toegewezen aan aannemer Van de Ven uit Breendonk voor 12.670,69 fr.

 

1922 – 17 augustus : De weduwe Louis Neefs uit de Mechelbaan, ontving van de

            Inspecteur Veearts der provincie volgende onderrichtingen ivm de maatregelen

            die ze diende te nemen tegen de koolziekte :

            “Ontsmetting van de stal, opsluiting der andere dieren gedurende 10 dagen en

            gedurende dien tijd het melk te koken.

            Het mest van den stalling te verbruiken en het andere vee te doen inenten,

            aangezien er over een tiental jaar nog een geval van koolziekte heeft

            voorgedaan.”

 

1922 – 16 september : Het Schepencollege gaf toelating aan maalder Lauwers tot de

            plaatsing van “ene motor in de maalderij ter vervanging van een stoommachien.”

 

1922 – In dezelfde zitting van het Schepencollege werd Mejuffer Rheinhard tijdelijk

            waarnemend onderwijzeres benoemd, in vervanging van Alfons Hellemans,

            “militiaan van 1921, ingelijft bij het leter tot vervulling van zijne diensttermijn.”

            Wedde : 4.800 fr en 200 fr woonstvergoeding.

 

1922 – Op 28 september deed Jan Baptist Robberechts uit de Biest een aanvraag

            “om de speciale korting te bekomen na geledene oorlogsschade tot het verkrijgen

            van een maaimachine met piktoestel.”

 

1922 – 5 oktober : Landbouwer Pieter J.B. Emmeregs uit de Tiendeschuurstraat vroeg

            deze korting voor de aankoop van een werkpaard :

            “...dezen persoon heeft 2 paarden moeten inleveren aan de Duitschers tijdens

            de bezetting, en een derde paard is bij den aftocht der Duitschers medegenomen

            tot het doen van hun vervoer...”

 

1922 – Bij beraming van 7 oktober 1922 besloot de Raad tot heffing voor 1922 en

            1923 van :

            40 opcentiemen op de grondbelasting.

            50 opcentiemen op de belasting op dei nkomsten der roerende in België

            aangewende kapitalen.

            50 opcentiemen op de bedrijfsbelasting op de in België gemaakte winsten in de

            nijverheids-, handels- of landbouwexploitaties en op de winsten der vrije

            beroepen, opdrachten of betrekkingen alsook op alle winstgevende bedieningen,

            andere dan voormelde exploitaties.

            Deze heffing genoot goedkeuring bij Koninklijk Besluit van 17/2/1923.

 

1922 – 21 december : De schoolhoofden De Leers en Hellemans kregen bericht van het

            gemeentebestuur dat :

            “bij beslissing van het schepencollege, de aankopen van brandstoffen voor de

            verwarming der klassen, voor de toekomst, bij kolenhandelaars inwoners der

            gemeente dienen gedaan te worden en niet bij personen andere gemeenten

            bewonende...”

 

1923 – Dat jaar noteerde men te Leest 41 geboorten, 19 overlijdens en 16 huwelijken.

            Er waren 146 schoolplichtige jongens en 164 schoolplichtige meisjes.

            Zoals vorig jaar waren er weer verschillende gezinshoofden die hunne plichten

            verwaarloosden  en hun kinderen niet naar school zonden, sommigen onder hen

            werden daarvoor beboet door de vrederechter.

 

1923 – De landbouw te Leest dat jaar:

            “Uit genomen inlichtingen blijkt dat den oogst voor 1923 was :

            voor rogge : van mindere opbrengst dan een gewoon jaar;

            voor tarwe : van tamelijk goede opbrengst;

            voor haver : goede opbrengst;

            de gerst was minder van opbrengst dan van een middelmatig jaar;

            het vlas was van goede opbrengst en werd aan hoge prijzen verkocht.

            De vroege en late aardappelen waren van middelmatige opbrengst.

            Het hooi- en toemaatgras was van goede opbrengst.

            Den voederbeet was van goede opbrengst, doch de andere voedergewassen waren

            van slechte opbrengst.”

            (SC-28/8/1924)

 

1923 – In de gemeente waren er twee motorvoertuigen : bij Jan Frans Piessens uit de

            Blaasveldstraat “een overdekt voertuig” en bij Hendrik Verbeeck “een

            niet-overdekt voertuig”.

            (GA-3/4/1923)

 

1923 – “...In de gemeente bestat geen brandweerkorps, noch is er blusmateriaal

            voorhanden.

            Met de stad Mechelen bestaat wel een mondelinge overeenkomst tot hulpverlening

            bij brandongevallen. (Korps gehucht Battel)”

            (GA-24/5/1923)

 

1923 – De gemeentebegroting van 1923 voorzag een som van 300 fr als vergelding

            “aen den Pokzetter”. (GA-31/1/1924)

 

1923 – “...In Leest was er slechts één veekoopman aanwezig, namelijk Jan Frans

            Selleslagh uit de Kapellebaan.

            Slachters of beenhouwers zijn er in de gemeente niet aanwezig...”

            (GA-21/11/1923)

 

1923 – “...Te Leest waren 3 pensioentrekkende oorlogsinvaliden :

            -De Hondt Jan Edward, zonder beroep

            -De Leers Jan Baptist, onderwijzer

            -Pateet Pieter Jan, beambte bij de belastingen.”

            (GA-17/1/1923)

 

1923 – 12 januari – Gazet van Mechelen : Uit Leest.

            “...Zondag 14 januari ten 10-1/2 ure voormiddag, belegt het Christen Syndicaat

            van Sp. P.T.T. en Z. hier eene algemeene vergadering in het lokaal “de Proef”

            bij de heer Jan Huysmans, Leest-Dorp.

            De heeren Doms, Suetens en Saerens zullen er het woord voeren.

            Alle hand- en geestesarbeiders worden verwacht !”

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:37 Reageer op dit bericht

1922 – In dat jaar zou men te Leest 44  geboorten noteren, waarvan 23 baby’s van het

            mannelijke en 21 van het vrouwelijke geslacht. (Er waren 3 doodgeborenen,

            allemaal jongetjes)

            Er werden 12 huwelijken ingezegend en er waren geen echtscheidingen.

            14 Leestenaars kwamen te overlijden, waarvan 4 van het vrouwelijk en 10 van het

            mannelijk geslacht.  

            Het aantal kindereren voor het schooljaar 1922-23 beliep tot 322.

            “Verschillige gezinshoofden werden veroordeeld voor onregelmatige

            schoolbijwoning hunner kinderen.”

 

1922 – Landbouw: (te Leest)

            “Uit genomen inlichtinging blijft dat den oogst voor 1922 was :

            voor rogge, van mindere opbrengst dan een gewoon jaar ;

            voor tarwe, van tamelijk goede opbrengst;

            voor gerst en haver, van slechten opbrengst;

            den aardappeloogst was van goeden opbrengst;

            het vlas was mislukt;

            het hooigras was van slechten opbrengst en het toemaatgras van minder dan een

            middelmatig jaar;

            beet en voedergewassen waren zeer slecht van opbrengst.

            De overgroote droogte is den oorzaak van de mislukking van het grootste deel

            der oogstgewassen geweest.”

           (SC-13/9/1923)

 

1922 – Stichting van de Boerinnenbond. (KVLV).

 

 

                                BOERINNENBOND (K.V.L.V)

 

In 1922 werd in het lokaal “het Brughuis” de boerinnenbond gesticht onder impuls van pastoor Beuckelaers, Victor De Laet en de juffrouwen Hellemans en Willems uit Leuven.

Mathilde Hellemans was de eerste voorzitster.

Ondervoorzitster werd Antonia De Boeck-Spoelders en schrijfster Leonie Huys.

Andere bestuursleden van het eerste uur : Julie De Laet-Muyldermans, Bertha Polspoel-Patteet en Alida Hellemans-Scheers.

Onderpastoor Cleeren (° 1888, + 1974.) was de eerste proost.

De driemaandelijkse vergaderingen gingen door in de zaal bij Jef Apers en op het programma stonden een godsdienstig woord, een voordracht en als ontspanning werden kluchtliederen gezongen door sommige van de leden.

Enkele jaren later werd te Leuven de B.J.B. gesticht en Leest was een der eerste dorpen met een eigen afdeling. Van toen af werd het ontspanningsgedeelte  op de Algemene Vergadering door hen verzorgd.

De gilde groeide, de zaal Apers werd te klein en men moest verhuizen naar Teughels en later nog was men verplicht omwille van de oorlogsomstandigheden te vergaderen in klaslokalen en ook al eens bij Frans Huybrechts.

Ter gelegenheid  van het 25-jarig bestaan werd de kapel in de Juniorslaan opgericht.

In 1946 kwam pastoor Coosemans naar Leest. Hij zorgde spoedig voor een ruimere vergaderzaal,de thans bestaande parochiezaal.

Het was toen dat juffrouw Rheinhard én de taak van voorzitster én van schrijfster op zich nam.

In die periode kwamen uit Leuven richtlijnen om de werking uit te breiden tot alle vrouwen.

De boeren- en tuindersvrouwen zouden langs technische lessen meer inzicht krijgen in hun stand- en beroepsbelangen.

Toen wisselde de organisatie van naam, in plaats van Boerinnenbond werd het Parochiale Vrouwengilde en in die jaren kende de gilde een geweldige bloei.

Bij de viering van 35-jaar op 5 juli 1959 noteerde men 200 leden.

In 1966 werd door het bisdom Frans Lornoy aangesteld als pastoor te Leest, hij werd meteen de nieuwe proost.

Mevrouw Alida Hellemans-Scheers werd voorzitster en Mevr. Marie Polfliet-De Prins schrijfster.

Hilda Vloebergh – Silverans werd verantwoordelijke voor de speciale actie voor de jonge gezinnen.

Ter gelegenheid van het 50 jaar bestaan organiseerde de Leestse gilde een luchtdoop naar Rome. 49 personen namen daaraan deel.

De jubelviering ging door op 24 september 1972 met een tentoonstelling van oud alaam, tijdschriften en allerhande feesten.

Rond die tijd was men te Leuven tot de algemene benaming gekomen van K.V.L.V. (Katholiek Vormingswerk voor Landelijke Vrouwen)

In 1982, bij het 60-jarig bestaan, telde de vereniging 230 leden.

   

(Alice De Prins in een brochure ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan)

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:34 Reageer op dit bericht

1921 – 12 augustus : Burgemeester Bernaerts verzocht de Provinciale Bouwmeester om

            de herstellingen aan de gemeentelijke jongensschool uit te voeren en deze aan de

            meisjesschool te verdagen :

            “...de gebouwen der meisjesschool zijn in 1879 met de giften en opofferingen van

            Katholieke personen opgeeischt op den eigendom en toestemming van Mr. Gillis

            Kuinders van Brussel, welke overleden is en ten kadaster komen zij op naam

            dezer familie dus voor.

            Bij onze kennis bestaat geen de minste bewijs als titel voor de gemeente.

            Mijnheer Bernaerts, burgemeester, heeft dikwijls  bij Madame Gillis

            aangedrongen, tot den afstand der schoolgebouwen en grond aan de gemeente

            waarvoor men beloofde te zorgen.

            Mme. Gillis is sedertdien komen te sterven en den toestand schijnt ons

            onveranderd gebleven.

            In die voorwaarden bevindt de gemeente zich in moeilijke toestand.

            Herstellingen doen als die welke voorgeschreven zijn, aan gebouwen op naam

            van derden, is overbodig, zelfs niet toestembaar wettelijk.

            De besluiters tot uitstel is den last opgelegd van onmiddellijk onderhandelingen

            aan te gaan met de familie Gillis-Kuinders om toestemming tot herstelling

            of afstand  van die schoolgebouwen en grond te bekomen...”

 

            “...Deze gebouwen zijn door de welwillendheid en met bijzondere toestemming

            en hulp van wijlen Mijnheer Gillis Kuinders tijdens den schoolstrijd van 1879

            opgericht geweest...”

            (GA-2/12/1922)

 

1921 – 11 oktober : Bij landbouwer en herbergier Egied J. Polfliet brak brand uit.

            Zijn huis en een gedeelte van zijn inboedel werden vernield.

            De brand zou veroorzaakt zijn door de schouw.

 

1921 – 15 oktober : “Gezien de brug voor voetgangers, liggende over de

            Steinenmolenbeek, voor den Kerkweg, van de Koeistraat naar het hertsveld

            gevaarlijk wordt tot overgang, daar de platen versleten zijn, besluit het

            Schepencollege éénparig tot de herstelling van dit brugske over te gaan op

            kosten der gemeente.”

 

1921 – 27 november : “Provincieverkiezing. Het kiezerspotentieel van de gemeente

            Leest zag er als volgt uit : 466 kiezers-mannen voor de Kamer, 459 mannelijke

            en 429 vrouwelijke kiezers voor de gemeente.”

            (GA-19/12/1922)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:27 Reageer op dit bericht

1921 – 8 juli : De gemeenteraad stemde een toelage van 100 fr voor de vrije

            volksboekerij der gemeente.

            “Bij deze beraming is machtiging gevraagd om die boekerij te mogen inrichten

            in eene afhankelijkheid der gemeente meisjesschool.”

            (GA-13/8/1921)

    

            Die machtiging kwam er en de boekerij werd ingericht in de lokalen der

            toenmalige meisjesschool in de Kouter. (het latere parochielokaal)

            Op 1 januari 1923 waren er reeds voor 640,66 fr uitgaven verricht en beschikte

            de boekerij op dat moment over 173 boeken.

            Enkele citaten uit de “Inwendige verordening van het bestuur”.

            “Art.1 : De boekerij wierd ingericht door den Vlaamschen Studiekring van Leest.

            Zij wordt bestuurd door het bestuur van den studiekring, dat samengesteld is uit

            vier leden, te weten : den geestelijken bestuurder, den voorzitter, den

            ondervoorzitter en den schrijver.

            Art. 6 : In de keus der boeken zal het bestuur niet uit het oog verliezende dat de

            Boekerij uitsluitelijk ingesteld is om te verzedelijken en te onderwijzen, alle

            werk, dat niet tot dit doel zou strekken, ter zijde stellen.

            Art. 8 : Bij het te niet gaan van den studiekring gaat het bestuur der boekerij over

            in  de handen der commissie van de boerengilde, afdeling van den Belgischen

            Boerenbond van Leuven, bij het te niet gaan der boerengilde gaat het bestuur

            over in handen der parochiale geestelijkheid van Leest.”

            De officiële benaming zoals vermeld op het zegel was “Studiekring Volksboekerij

            Leest”.

            De Leestse studiekring werd gesticht door de toenmalige onderpastoor Bernard

            De Groef en had als doel de bevolking te onderrichten.

            Dit gebeurde door in herbergen lessen te geven voor geinteresseerden.

            Lesgevers waren o.a. meester A. Hellemans die spraakkunst gaf, meester V.

            Selleslagh  voor rekenen en onderpastoor De Groef voor godsdienst en algemene

            vorming.

            De ondertekenaars van het boekerijreglement waren : Bernard De Groef

            (onderpastoor te Leest van 1919 tot 1924), een vurig liturgist die ooit weigerde

            een misviering te beginnen omdat er onvoldoende misdienaars waren, als

            geestelijk bestuurder en bibliotecaris ad interim, (niemand bezat op dat moment

            het officieel diploma van bibliotecaris, en een priester mocht deze functie

            waarnemen) Viktor Selleslagh als voorzitter, Theofiel Spruyt als ondervoorzitter

            en schrijver Alfons Hellemans. Laatstgenoemde verrichtte van in het begin tot bij

            het verdwijnen der boekerij (1946) het werk van biblioecaris.

            In 1923 behaalde meester Hellemans het officiële diploma van bibliotecaris.

            Latere bestuursleden waren Victor De Laet, onderpastoor Cleeren en Maria

            Rheinhard.

            Op 6 januari 1928 werd de Leestse boekerij lid van de “Katholieke boekerij

            Antwerpen”.

            De boeken werden aangekocht met subsidies van gemeente, provincie en staat.

            Ook waren er heel wat schenkingen.

            Het leesgeld bedroeg 10 centiem per 14 dagen en men betaalde 10 centiem

            boetegeld per week achterstel. Lidgeld bestond niet.

            De eerste uitleningen gebeurden op 10 september 1922 en de zitdag was

            zondagvoormiddag .

            Op 1 januari 1923 hadden al 87 mannen en 49 vrouwen gebruik gemaakt van de

            Leestse bibliotheek.

            Later kon de jeugd boeken lenen op vrijdag vanaf 17u30 want er werden

            jeugdboeken aangekocht, waardoor het aantal uitleningen gevoelig steeg.

            In 1925 werden 947 boeken en/of tijdschriften uitgeleend, in 1937 waren er dat

            885 stuks. Te Leest werd gelezen.

            In 1943 bedroeg het aantal ingeschreven boeken 1059.

            Toen kwam de oorlog, de boekerij bleef weliswaar geopend tot 1946 maar er

            kwam sleet op.

            Vele boeken waren verouderd en ht meubilair diende aangepast.

            Geld was er niet te veel, een nieuwe tijd was in ’t zicht.

            Er werd gepoogd opnieuw te starten, o.a. met Jan De Decker maar er kwam geen   

            wind in de zeilen.

            In de jaren vijftig moest van de toenmalige pastoor Coosemans het lokaal waar de

            boekerij gehuisvest was gedeeltelijk ontruimd worden, de boeken werden

            overgebracht naar de nieuwe chirolokalen tegen het kerkhof alwaar ze in de

            vergetelheid raakten.

            Een aantal werd gelukkig gered door Guido Hellemans, de rest wellicht

            vernietigd...

            (G. Hellemans – DB-december 1983)

 

            In 1984 vroeg Gust Emmeregs, naar aanleiding van het agendapunt dat de

            verbouwing en uitbreiding van het Mechelse bibliotheekcomplex goedkeurde

            hoever het stond met de plannen voor een afdeling van de bibliotheek in Leest.

            Goed nieuws voor de Leestenaren, die bibliotheek zou er komen.

            De plannen voor de bouw van een filiaal in het oud-gemeentehuis van Leest

            waren rond, en wachtten nog enkel op de goedkeuring van de Mechelse

            brandweerkommandant Hendrickx.

            (DMW-1/3/1984)

            Op zondag 11 oktober 1987 kreeg Leest een nieuwe uitleenpost van de stedelijke

            Openbare Bibliotheek van Mechelen. Het was voor de hoofdbibliotheek de 19de

            uitleenpost op een andere locatie en werd ondergebracht in twee lokalen naast het

            vroegere gemeentehuis (het vroegere schoolhuis), Ten Moortele 1bis.

            Het postkantoor diende daarvoor verplaatst te worden naar het vroegere

            gemeentehuis.

            Een belangrijke gebeurtenis voor Leest zei burgemeester Joris in zijn

            gelegenheidstoespraak. Een belangrijke opdracht ook voor de scholen in Leest

            om de kinderen de weg naar de bibliotheek te wijzen. Vlaanderen heeft lezers

            nodig  en lezer wordt men pas na vele jaren, aldus de burgemeester.

            De Leestse uitleenpost telde zo’n 6.000 boeken ondergebracht in een 20-tal

            rubrieken.

            De bibliotheek van Leest was open elke zondag van 10 tot 12 uur en  elke

            donderdag  van 15 tot 18 uur.

            Het lidgeld bedroeg 100 frank per jaar en leden onder de 14 jaar dienden

            niks te betalen.

            (GvM,13/10/87)

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:21 Reageer op dit bericht

1921 – Op 15 maart 1921 stierf er nog een Leestenaar ten gevolge van de oorlog.

            Petrus Alfons Van Hoof was te Leest geboren op 6 mei 1894 als zoon van Frans

            Eduard en van Maria Louise “Wiske” Huys.       

            Zijn ouders baatten de herberg “In de Groene Linde” uit op het Dorpsplein.

            Fons diende bij het 14e Linieregiment.

            Nadat bij de familie Van Hoof een bericht was toegekomen dat hun zoon Theofiel

            was gesneuveld, werd Fons, die door het oorlogsgas was aangetast, uit een

            hospitaal naar huis gebracht als invalide.

            In feite ontbreeekt zijn naam op de arduinen gedenksteen van 1920.

 

1921 – 2 april – Gemeenteraadszitting :

            Pieter August Cnops, voorzitter van het Bureer der Kerkmeesters van den H.

            Nicolaus, ontving “de Burgerlijke medalie van 1e Klas”, voor zijne diensten

            gedurende ruim 25 jaar bewezen.

            Grafmaker Petrus Spruyt werd vervangen door Hendrik Gregoor Van den Vondel,

            een landbouwer uit de Scheerstraat.

            Jaarwedde : 125 fr.

 

1921 – 24 april : Gemeenteraadsverkiezing

            Er waren twee katholieke lijsten, namelijk :

 

            Lijst nr. 1 met:                                                           Lijst nr. 2 met :

            Verschueren, schepen, aftredend                 Bernaerts, burgemeester,aftredend

            Beullens, aftredend raadslid                         Verbergt J.B., schepen, aftredend

            Lemmens Marcelin                                       Selleslagh J.,raadslid, aftredend

            Polspoel Alfons R.                                          Van den Brande K.L.,raadslid,aftr.

            Busschot J. Prosper                                       Apers Jozef A.,raadslid aftr.

            Piessens Jan Frans                                         De Maeyer Frans Jozef

            De Wit Jan T.                                                 Van Boxem Jaak Edmond

            Apers Frans Alfons                                        Leemans W.Lodewijk

            Nuytkens Jan Louis                                        Spruyt Jan Baptist

 

            Op lijst 1 (“Blekken”) zouden worden verkozen :

            Th. Verschueren (die eerste schepen zou worden) 79 stemmen

            Frans Beullens 283 stemmen

            Marcelin Lemmens 430 stemmen

            Alfons Polspoel (werd tweede schepen) 443 stemmen

            M.J.Prosper Busschot 429 stemmen.

 

            Op lijst 2 (“Sussen”) :

            Jaak Bernaerts (bleef burgemeester) 65 stemmen

            Jan Bt. Verbergt 333 stemmen

            Joseph Selleslagh 392 stemmen

            Karel L. Van den Brande 405 stemmen.

            (GA-29/4/1921)

 

1921 – De zitpenningen, aan de leden der burelen bij de gemeenteverkiezing te betalen,

            bedroegen 20 fr voor de voorzitters en 10 fr voor elke bijzitter en sekretaris.

            (GR-2/4/1921)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:16 Reageer op dit bericht

1920 – 13 november : Het Schepencollege ging over tot de opening van de ingekomen

            biedingsschriften, tot het leveren van 25 schoolbanken van 2 zitplaatsen voor de

            gemeentelijke jongensschool.

            Arnold Teughels uit Leest en Jozef Teughels uit Hombeek kregen de toewijzing

            mits 2.375 fr.

 

1920 – 13 november : In dezelfde vergadering kreeg Emiel Polfliet toelating tot

            “plaatsing in zijn werkhuis van Naphtemotor van 3 paardenkracht tot het

            schagen en draaien van hout.”

            (Emiel Polfliet was wagenmaker)

            Een toelating was er ook voor schrijnwerker Noldus Teughels “tot plaatsing van

            Naphtemotor van tien paardenkracht, tot beweging van schaaf, zaag en

            draaitoestellen voor hout.”

 

1920 – In november werden plakschriften uitgehangen om wapens en schietvoorraden in

            te leveren.

 

1920 – 27 november : Alfons Hellemans werd, met vijf stemmen op vijf, benoemd als

            onderwijzer in de gemeentelijke jongensschool.

            Jaarwedde : 4.800 fr + 200 fr verblijfsvergoeding.

 

1920 – “...Op den 12 en 13e december 1920 is er te Leest, Koeistraat, in eene danstent

            bal gehouden geweest, ondanks verbod van de overheid.

            Initiatiefnemer was Petrus Verbeeck, wagenmaker en herbergier.”

 

1920 – 31 december : Jan Baptist De Leers en Isidoor C. Van Hoof werden aangeduid om

            de volkstelling te doen.

 

1920 – 31 december : Leest telde 1.688 zielen, waarvan 864  van het mannelijk en 824

            van het vrouwelijk geslacht.

 

1921 – De kosten van “eeuwigdurende vergunning van begraafplaats op het kerkhof te

            Leest” bedroegen 150 fr per vierkante meter, waarvan 100 fr de gemeente ten

            goede kwam, de overige 50 fr was bestemd voor het weldadigheidsbureel.

            “Voor het plaatsen van een lijk wordt gevraagd om 2 m lengte op 0,90 m

            breedte en 2 m op 1 m.”

            (GA-25/4/1921)

 

1921 – Het getal ingeschrevenen voor de nationale militielichting van 1921 beliep tot 21.

 

1921 – “Het getal kinderen dat te Leest kosteloos onderwijs genoot bedroeg voor het

            schooljaar 1921-22 :

            voor de jongens 84 (en 47 kosteloos gedoogde)

            voor de meisjes 67 (en 30 kosteloos gedoogde)

            28 woonden de school bij te Hombeek, waarvan 9 kosteloos rechthebbenden en

            19 kosteloos gedoogden. Van deze laatsten betaalde de gemeente ook de

            schoolbehoeften aan de gemeente Hombeek terug.” (GA)

 

1921 – Dat jaar besteedde de gemeente Leest 13.920 fr aan wegeniswerken.

 

1921 – Landbouw in 1921 :

            “Uit genomen inlichtingen blijkt dat den oogst van dat jaar was als volgt :

            Voor rogge van middelmatige opbrengst ; voor tarwe van minder opbrengst dan

            een gewoon jaar ; voor gerst, haver en vlas, van zeer slechten opbrengst ;

            de aardappeloogst was van zeer slechten opbrengst, de opbrengst van hooi was

            zeer slecht, en voor het toemaatgras een weinig beter dan voor het hooi.

            Beet- en voedergewassen ontbraken ; deze waren tengevolge de overgrote

            droogte geheel mislukt, en het gemis aan dit voeder, heeft de landbouwers

            veel gevergd, tot voeding van hun vee.”

            (SC-24/8/1922)

 

1921 – De wedde van de gemeentesecretaris beliep dat jaar 5.922,91 fr.

            (GA-28/7/1923)

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:10 Reageer op dit bericht

1920 – Op 5 juni 1920 verbleven er nog 2 vluchtelingen in het dorp : Cyriel Van Neste,

            handarbeider en zijn echtgenote Flavia Messiaan, beiden uit Moorslede.

            Ze verbleven in de Winkelstraat.

 

1920 – 25 juni – De Volksstem : “Werkongevallen te Mechelen

            Een drijtal werkongevallen deden zich op een paar dagen voor in de groote

            werkhuizen der Nationale Maatschappij van Spoorwegen (Arsenaal).

            ...

            Vrijdag namiddag rond 4 ure, was de 29 jarige werkman De Decker Jozef,

            wonende te Leest in de Tinneschuurstraat, dewelke er bij het verplaatsen

            van een zwaar stuk ijzer den linkervoet werd geplet.

            De gekwetste werd ter verzorging naar het gasthuis overgebracht.

            Zijn toestand blijkt gelukkig niet ernstig te zijn.”  

 

1920 – 8 juli : Mathilde Hellemans werd benoemd tot onderwijzeres-schoolhoofd,

            Irma Ackermans tot onderwijzeres.

 

1920 – 31 juli : “...De verminkte soldaat Jan Frans Verbruggen ontvangt het

            oorlogskruis alsmede het Eereteken van Ridder der Leopoldorde met palm

            en het brevet.”     

 

1920 – 21 augustus – De Volksstem :

            Vergiftiging te Capellen ten Bosch – Een doode, vier doodelijke zieken

            Het parket van Brussel onderzoekt eene geheimzinnige vergiftigingszaak te

            Cappellen ten Bosch. Tot hiertoe is er een persoon dood en zijn er vier

            doodelijk ziek.

            Ten donderdag morgen de hoeveknecht JULES LAUWERS, 19 jaar van Leest, op

            de hoeve kwam van pachter Andries, te Cappelle-ten-Bosch, vond hij Andries,

            zijne vrouw, zijne moeder en zijne twee dochters, 14 en 10 jaar oud, ten prooi

            aan verschrikkelijke pijnen. Hij verwittigde geburen, die Dr. De Keersmaeker van

            het dorp en Dr. Muyldermans van Hombeek liepen halen, maar toen deze kwamen

            was de 14-jarige Constance reeds overleden.

            Dank aan de spoedige zorgen kon men de andere slachtoffers in het leven houden,

            maar de toestand van de moeder en haar 10-jarige dochter blijft wanhopig.

            Men weet nog niet wat de oorzaak is van het drama.

            Het parket is donderdag namiddag ter platse geweest.”

 

1920 – 18 september : “...De oud-strijders der gemeente hebben hunne vlag ingehuldigd.

            De gemeente verleende daartoe 1.000 fr toelage.

 

            Op dezelfde dag had in de kerk eene plechtige mis met gelegenheidssermoen

            door den Eerw. Heer onderpastoor plaats. Deze plechtigheid werd bijgewoond

            door de plaatselijke overheid.

 

            Na de kerkelijken dienst werd de gedenksteen onthuld aan de gesneuvelden,

            opgericht en geplaatst in de muur der kerk.

            Een gelegenheidstoespraak werd gehouden door den Eerw. Heer onderpastoor

            in zijne hoedanigheid van deelnemer aan den oorlog op ’t front.

        

            De gedenksteen in arduin met omlijsting bevat de namen der gesneuvelden dezer

            gemeente, namelijk : De Borger Frans, Fierens Ivo, Geerts Jan, Hieckeleers

            Alfons, Huys Jan Frans, Jacobs Louis, Roelants Jan Victor en Van Hoof Theofiel.

            De plaatsing dezer gedenksteen vergde een uitgave van 1.600 fr.

            Daarvan werd 1.374 fr gedragen door giften van inwoners en het tekort 226 fr

            persoonlijk door burgemeester Bernaerts.

 

            De Eerw. Heer pastoor overhandigde dan aan de plaatselijke overheid de

            doodsbeeldekens met foto dezer gesneuvelde strijders.”

            (GA-17/1/1923)

 

            Toen het monument werd ingehuldigd was Petrus Alphonsius “Fons” Van Hoof

            nog in leven.

            Nadat bij de familie Van Hoof een bericht toegekomen was dat hun zoon Theofiel

            was gesneuveld, werd Fons, die door het oorlogsgas was aangetast, uit een

            hospitaal naar huis gebracht als invalide.

            Hij zou overlijden op 15 maart 1921.



1101537-ab52973ff880cd93bbe1daa3c6ab84b5.jpg

1101537-6147e5d4862bb49576f2cf82fa1db940.jpg
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:04 Reageer op dit bericht

            Op de foto : de meesters van de jongensschool.

            Van l. naar r. : Victor Selleslagh, Flor Meyers, zittend Jan Baptist De Leers en

            uiterst rechts Constant Huysmans.

 

 

 “...Onze meester, men kan er van zeggen wat men wil, maar voor de jongens van zijn school, in het bijzonder van zijn klas, had hij toch wel een boontje voor.

Iedere morgen, na het gebruikelijke gebed en de uitvoerige verslagen over de oorlog, kregen we van hem een koekje met vitamines. Echte koekjes !

Ze waren natuurlijk ter handgesteld door het Rode Kruis van België. De Duitsers stonden zulks wel toe, tot gezondmaking van onze jeugd en verbetering van het Germaanse ras.

Vroeger kregen we al vitamines, zo van die bruine doorschijnende bolletjes, waarin men de levertraan kon zien zwabberen.

Geen mens die ze lustte, of liever mocht, daarom werden ze door onze meester eigenhandig zo diep mogelijk in onze mond gelanceerd, opdat we ze zeker zouden inslikken. Van die smeerlapperij moesten we altijd braken...

Maar nu kregen we koekjes, echte koekjes. ’k Weet het nog heel goed, acht langwerpige kartonnen dozen waren er binnengebracht.

Ik heb ze zelf nog helpen aflossen en op de kast zetten, die grote glazen  kast waarin de gewichten waren opgeborgen, achter slot en grendel, alleen de meester kon daarin, en de Jef want die had een sleutel gevonden die ook paste...

Vanaf de tijd dat die koekjes binnen gebracht waren had de meester geen problemen meer om ’s morgens te klas te vagen. Buiten de Jef vormden wij met nog vier anderen de vrijwillige schoonmaakploeg.

Op een dag, onze meester wou aan de dagelijkse uitreiking van de koekjes beginnen, sneed daarom met zijn zakmes een nieuwe doos aan, de voorlaatste.

Groot was zijn verwondering toen hij de doos geopend had en geen enkel koekje meer zag liggen. Alleen een heel klein holletje aan de onderkant was er in die doos te zien.

Dan werd de laatste doos opengesneden, daar staken er nog juist een tiental in.

Geloofde de meester ons nog bij het openen van die eerste doos, dat er waarschijnlijk muizen in de klas zaten, bij het openen van de laatste kon hij dat niet meer aanvaarden.

Hij zou en moest de dader vinden. Groot alarm op de koer, iedereen moest buiten en alleman in de rang voor de klas, de meesters erbij.

Iedereen zou ondervraagd en afgetast worden...

Eén van de andere meesters opperde toen dat hij best de schoonmakers eerst zou ondervragen.

Daar had onze meester nog niet aan gedacht, daarbij die kon hij wel vertrouwen, dat waren stuk voor stuk brave jongens, nietwaar Janneke zei de meester...

Dat is juist meester, zei de Jan die juist voor mij in de rij stond ,daarbij ge weet  gij toch zeker wel dat ik geen koekjes mag. Op dat ogenblik had hij juist de handen in zijn zakken, vielen daar toch juist twee koekjes uit, vlak voor mijn voeten. ‘k Heb die gauw opgeraapt en in de mond gestoken...

Daarop trok Jan de voering van de zakken van zijn broek naar buiten en zei...se meester zie gij maar, alleen een paar stukjes griffel en stukjes krijt en een stuk ijzerdraad vielen op de grond, daarbij nog wat kruimels van koekjes van vorige dagen.

Na een uur, zonder een dader of koekje te vinden mochten we weer in de klas.

De meester stuurde Jef naar zijn madame om twee muizenvallen te gaan halen, ondertussen begonnen we met de zangles.

De meester heeft ons toen een mooi lied aangeleerd “O, Schelde”...

Toen Jef met de muizenvallen kwam opdraven heeft de meester die onmiddellijk opgespannen, een beetje kruimels van koekjes opgelegd, daarbij leerde hij ons hoe we een muizenval moesten plaatsen.

Dat plaatsen van die vallen had wel succes, want de volgende morgen, toen de klas begon zaten er twee platte mussen in...

         Susse”

 

“Ministerie van Wetenschappen en Kunsten                             Lier, den 24-5-1927,

Schooltoezicht – Gebied van Hoofdtoezicht

Mechelen

Schoolkanton Rumpst.

 

Mijn waarde Heer Hoofdonderwijzer,

 

Ik kom daarjuist vanwege den Heer Burgemeester eene uitnoodiging te ontvangen om donderdag a.s. naar Leest te komen. Niet tegenstaande het oogenblik minder goed gekozen is –midden in de conferentiën- wil ik nochtans al het mogelijke doen om de ontworpen vergadering te kunnen bijwonen.

Moeder de vrouw was zoo tevreden over de asperges van Leest, dat ik zinnens ben er mij nog een paar botten aan te schaffen bij de eerste gelegenheid.
Zoudt ge dus de goedheid willen hebben –zoo mogelijk- voor mij er nog twee aan te schaffen tegen donderdag 26 dezer ? In geval van slecht weder en het mij onmogelijk zou zijn dien dag naar Leest te komen, gelieve ze dan ’s anderendaags mede te brengen naar Boom. Met besten en innigsten dank,

        Gansch hartelijk, de Kantl Opziener J. Stuyck.”

 

In  het augustusnummer van “De Band” van 1983 gaf meester Huysmans toelichting :

-Leest behoorde in 1927 bij het schoolkanton Rumpst (Rumst). Thans bij het schoolkanton Mechelen. Tussenveranderingen waren schoolkanton Boom en schoolkanton Willebroek.

-de toenmalige inspecteur J. Stuyck was  woonachtig te Lier. Bezoek der scholen gebeurde door hem per trein, deels per autobus en verder deels te voet (zoals te Leest), of ’s zomers per fiets. De leerkrachten kregen dan minder dikwijls inspectiebezoek.

-Persoonlijk meen ik mij nog, meer duidelijk dan vaag, de gestalte en fysionomie van inspecteur Stuyck te kunnen voorstellen. Ik herinner me, als leerling, hem slechts eenmaal gezien te hebben in de klas van meester De Leers (1926 of 27). Ik zie de inspecteur nog vooraan staan naast de meester, beiden een gemoedelijk praatje voerend, waarbij meester De Leers, volgens zijn natuur en aandrift, toch de leiding nam, ook graag ’t gesprek in ’t Frans overschakelde en, zoals steeds, gelijk wilde halen.

Wij als leerlingen zagen alles duidelijk, maar begrepen niets...

-Volgens die brief had meester De Leers de inspecteur eens, quasi toevallig, Leestse asperges bezorgd (onschuldige vriendendienst).

Anno 1983 lezen we in stoute kranten hiervoor titels als : Giften in natura. Steekpenningen ? Smeergeld ?

De keurasperges kwamen, dat weet ik, van zijn overbuur Remy Jacobs (Remi van Ivo’s). En die was zo meegevallen, dat hij smaakte naar nog en hij een spoedige nabestelling deed van een paar botten.

“Breng ze morgen maar mee naar Boom, meester”. Zo eenvoudig was dat...”

 

Stan Gobien, gewezen onderwijzer en schoolhoofd en later inspecteur schreef in 1996 in

 de speciale brochure “Reünie van de Leestse Vijftigjarigen” over de meester :

“...Toen we zes waren moesten we naar de grote school.

Wij, de jongens belandden toen bij meester De Leers in de eerste graad. Hij was toen al een dorpsfiguur. Hij was bijzonder fier op de oorlogswonde onder zijn rechteroog. Meester De Leers was een oud-soldaat die het vaderland écht verdedigd had.

We kregen toen ruim een half uur morgengebed en catechismusvragen aan het begin van de dag. ’s Namiddags voor we naar huis gingen ook nog een half uur gewijde geschiedenis. Tijdens de rekenlessen tekende de meester bij de getallen allerlei dingen die wat te maken hadden met zijn soldatenleven : Belgische vlaggetjes, geweren, bommen en helmen.

Wij zaten in oude, brede banken met z’n vieren naast elkaar.

We leerden er rekenen met een telraam. Het was veel “commandorekenen” of hoofdrekenen in die tijd. De meester zei “drie plus vier” en wees toen met zijn biljartkeu een leerling aan en deze moest dan direct het antwoord zeggen. De biljartkeu diende ook om tijdens de schrijflessen de knokkels bij of weg te werken.
Meester De Leers was destijds ook hoofdonderwijzer en oud-inspecteur Nauwelaerts, heeft ons toen we daar zaten vereerd met een inspectiebezoek.

Toen ik hem een vijftal jaren geleden vertelde dat ik afkomstig was van de gemeenteschool van Leest vertelde hij dat meester De Leers hem steeds was bijgebleven als een “speciaal iemand”. Hij beaamde dat we in die tijd leerden lezen met zijn speciale leesmethode. De eerste zin die we bij meester De Leers leerden was : “De kilometer is het veertigduizendste deel van de wereldomtrek”. Wij moeten nogal eens straffe leerlingen geweest zijn, want ik vermoed dat we toch allemaal hebben leren lezen.

Nog dezelfde week leerden we met de decameter de kilometer afmeten in de Kouter : van aan het café tot aan “het kasteel Moyson” was precies 100 decameter of 10 hectometer of 1 kilometer. We deden er bijna een halve dag over om dat te leren.

Wij kregen bij meester De Leers aardrijkskunde en geschiedenis die nu in het vijfde en zesde leerjaar wordt gegeven : de loop van de Leie, de Schelde en de Maas kenden we van buiten en we konden die aanwijzen op de kaart van België maar we hadden deze stromen nog nooit gezien. We wisten zelfs dat de Zenne er wat mee te maken had, maar de kinderen van de Heide hadden deze rivier nooit van dichtbij gezien.

De geschiedenislessen gingen vooral over de eerste en de tweede wereldoorlog en vooral over koning Albert. Hij werd voorgesteld als de koning-ridder die gezeten op zijn paard de Duitsers in 1918 zo goed als helemaal alleen ons landje had uitgedreven.

Natuurkennis en biologie kregen we ook, maar dan op een praktische manier.

In de groententuin leerden we spruiten en kolen planten. Heel wat belhamels staken deze planten moedwillig omgekeerd in de grond !

We hebben schadelijke insercten uirgeroeid bij de vleet. We brachten in een luciferdoosje eerst meikevers mee en later coloradokevers en de meester reeg deze diertjes aan een lange draad die in de klas was gespannen en verklaarde naarmate de rij beestjes langer werd dat we een flinke inspanning hadden gedaan om het ongedierte uit te roeien.

Muskusratten werden ook betitteld als bijzonder schadelijke dieren omdat ze gaten in de dijken maakten. Het zou wel eens kunnen dat door hun graafwerk de Zennedijk zou breken en dan zou heel Leest onder water kunnen lopen. Daarom moesten die dieren worden uitgeroeid en moesten we er jacht op maken. Maar we werden gewaarschuwd : het waren laffe en verraderlijke dieren die zelfs mensen durfden aanvallen en in de broekspijpen kropen en zo naar boven. Toen we dat vernamen, lieten we de muskusratten met rust.

Toen de meester de klas uit moest, ging hij zijn hond “Fifi” halen, een soort witte keffer met een strik rond de hals. Fifi werd dan op de lessenaar van de meester geplaatst en hield de klas in ’t oog. Als er iemand een bruuske beweging maakte, begon Fifi te blaffen.
In het begin hadden we schrik en niemand durfde haast te bewegen. We geloofden zelfs dat Fifi aan de meester kon zeggen wie er stout was geweest. Later heeft Fifi heel wat te verduren gekregen toen we wisten dat het beestje vermoedelijk meer schrik had dan wijzelf.

De meester had ook een sprekende ekster in een hok achter het schoolhuis.

Meester De Leers had een bijzonder waardevol en onbetaalbaar juweel in zijn bezit : een praline die hij had gekregen van koningin Elisabeth toen hij in het militair hospitaal lag.

Tijdens de lessen lichamelijke opvoeding leerden we marcheren als soldaten en we mochten een stok meebrengen die we dan droegen als een geweer.

Op zeker moment mocht dat niet meer, want er waren klachten gekomen. We waren na de turnles in zo’n militaire stemming geraakt dat we die stokken gebruikten als sabels en er tegenaan gingen als de Witte van Zichem in zijn strijd tegen de sanculotten van Napoleon.

We hebben in die tijd zelfs op het droge leren zwemmen. De meester leerde ons op de speelplaats de schoolslag aan. We deden de bewegingen al rechtstaand. Toen de vacantie begon, zei hij dan wie er kon zwemmen en wie nog wat op het droge moest oefenen.

Wij, de jongens van de Leest-Heide, gingen het uitproberen in de vijver bij Pieter De Prins in de Kleine Heide. Rechtstaand in de modder deden we onze oefeningen, maar zwemmen lukte op die manier niet. We denken dat heel wat voorbijgaande boeren destijds moeten gedacht hebben : “die hebben weer leren zwemmen bij meester De Leers.” Zijn leerlingen uit het Dorp zullen waarschijnlijk hetzelfde hebben ervaren in de vijver bij Jan Spoelders, die van de Winkelstraat en de Tiendeschuurstraat in de Dorpelput, die van het Kruispunt in het Blauw Putteke in de Molenbeek, die van de Geuzen Hoek in de Zwarte Beek of in de Raketput.

We waren zo’n naarstige leerlingen dat we omstreeks 15 augustus al inbraken in de school, niet om er te gaan leren, maar om de halfoogstappelen te gaan proeven. Op de speelplaats stond zo’n appelboom en het was verboden van die appels te eten.

Velen zijn er destijds betrapt door de meester toen ze over het muurtje klommen om een aantal van die verboden vruchten in hun bezit te krijgen...”

         

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:25 Reageer op dit bericht

1920 – 22 mei : Voorstelling van de kandidaten voor de vacature in de gemeenteschool :

            De Queker Florimond, bestuurder der school voor Vluchtelingenkinderen te

            Montreuil d’Argille (Frankrijk) en Jan Baptist De Leers, onderwijzer te

            Eyseringhen.

            Laatstgenoemde haalde 6 stemmen op 6. Hij kwam in dienst op 1 juni 1920.

            (DB-1958)

            Meteen haalde Leest één van haar meest flamboyante en kleurrijke

            persoonlijkheden in huis.

 

                               MEESTER DE LEERS

 

Jan Baptist De Leers was geboren te Mechelen op 29 december 1892 en overleed er in 1980 op 88-jarige leeftijd. Hij woonde in het schoolhuis.

In  “ De Mechelse Week”  van 7/4/1983 publiceerde ik ooit :

“Jan Baptist De Leest  was één van de merkwaardigste figuren uit het Leestse onderwijs. Het schoolhoofd van de jongensschool lag aan de basis van talrijke anekdotes.

Iedereen die bij hem school heeft gelopen herinnert zich wel één of ander smeuïg verhaal.

Minder gekend zijn de talrijke conflicten tussen “de Leis” en het gemeentebestuur.

In het gemeentearchief en door gesprekken met Leestenaars vonden we een hoop gegevens over deze kleurrijke figuur.

Hierna enkele van de meest representatieve.

 

Conflicten met Leestse gezagsdragers.

De strubbelingen die verschillende gemeentebesturen met de meester zouden krijgen waren even talrijk als de ontelbare anekdotes aan zijn naam verbonden.

Zo was De Leers nog geen maand in dienst, toen hij reeds om herziening van zijn wedde verzocht, “want”, schreef hij het Leestse gemeentebestuur, “ik draag twee frontstrepen en ben dus rechthebbend op 9 dienstjaren”.

De verslaggever op de eerstvolgende gemeenteraad alwaar deze opslag diende goedgekeurd, besloot zijn verslag “dat belanghebbende, volgens zijne verklaring wel niet in ’t bezit der frontstrepen is, maar er niettegenstaande recht op heeft...”

De Raad zag daar blijkbaar geen graten in, want hij besloot de wedde van de meester te verhogen met 100 fr en te brengen op 4.200 fr per jaar.

De Leestse “politici”, een zwaar woord voor brave, hardwerkende boerenmensen, die zich ofwel met de “Blekken” of de “Sussen” engageerden, zouden meester De Leers weldra beter leren kennen...

Enkele jaren na zijn indiensttreding verzocht het gmeentebestuur hem dringend “om voor het toekomende de speelplaats der school niet meer door uwe kiekens en eenden te laten belopen. De uitwerpsels dezer dieren bevuilen de speelplaats en de gemakken, en wanneer de kinderen van de gemakken willen gebruik maken, zijn zij verplicht dikwijls eerst de zitten van de uitwerpsels der kiekens te zuiveren.

Het is ons onbekend welke maatregelen de meester nam om dit euvel te verhelpen, maar misschien resulteerde het schrijven van ’t gemeentebestuur in de handelswijze van de meester de weken nadien : hij trok samen met raadslid Apers van de oppositie, op handtekeningenjacht teneinde de herbouwing van de meisjesschool in de Dorpsstraat te beletten, dit tegen de wil van de meerderheid in de Raad.

Dat werd hem niet in dank afgenomen. Het gemeentebestuur diende een klacht in bij “den Hoofdopziener van ’t Lager Onderwijs te Mechelen”.

Twee jaar later ontving hij opnieuw een veelzeggend schrijven : “in uwe hoedanigheid van schoolhoofd der gemeentejongensschool, verzoeken wij u van te zorgen dat er voor het toekomende in en gedurende de lesuren, in de klassen geene hevige woordenwisselingen tussen u en uwe medeonderwijzers meer plaats grijpen, zoals verleden donderdag gebeurden. Dergelijke feiten schorsen de voortzetting der lessen, doen den onderwijzer zijn aanzien verliezen, zowel bij de kinderen als bij de voorbijgangers die op straat stonden te luisteren...”

De relatie tussen het gemeentebestuur en zijn hoofdonderwijzer bereikte een dieptepunt in 1938 met het invoeren van een 4e graadklas en de daarbijhorende leraar Constant Huysmans. De meester voelde zijn autoriteit ondermijnd en reageerde fel tegen deze vernieuwing.

Volgens hem was een 4e graadklas een groot fiasco, altijd en in  alle scholen en “handel en stelkunde kunnen niet onderwezen worden, dat begrijpen de kinderen niet...”

Een dossier van meer dan 50 blz. werd hem ten laste gelegd.

Hoofdinspecteur Troch betrok er zelfs de minister van onderwijs bij.

Meester De Leers werd toen tijdelijk onder bijzonder toezicht geplaatst.

Het zou zeker niet zijn laatste botsing worden met het Leestse gemeentebestuur...

 

Meester De Leers was oorlogsinvalide  en droeg fier zijn decoraties.

Die had hij verdiend toen hij tijdens de oorlog door een schrapnel aan het oog werd gekwetst.

Deze kwetsuur had zijn patriottisch gevoel nog verstevigd : zo werd in de school elk jaar op 17 februari de sterfdag van koning Albert herdacht. Dan moesten alle leerlingen op de speelplaats komen waar de Belgische driekleur voor de gelegenheid werd gehesen en in de klas hingen die dag allerhande foto’s en een geborduurd portret van de betreurde vorst.

Een markante persoonlijkheid zoals “de Leis” inspireerde de Leestse kwajongens natuurlijk tot duizendenéén fratsen, te veel om allemaal te vertellen.

Zo was er die historie met de gestolen appel...

Op de speelplaats van de jongensschool stond er vroeger een appelboom. Daar de meester niet wou dat er schoolkinderen aan “zijn” appels zaten, had hij de boom omlijnd met een cirkel. Het was iedereen uitdrukkelijk verboden daar een voet in te zetten. Dat deden die bengels dan ook niet, wat ze wel deden was met een tiental een sliert vormen, achter elkaar hollen en spelenderwijs luchtsprongen maken. Als bij toeval liepen ze langs de boom en als de meester niet keek verdween menige appel in begerige jongenszakken.

“Soi van Pachter” had echter op een dag tegenslag. Hij werd op heterdaad betrapt door de meester, toen hij zich springend een appel had toegemeten.

Na speeltijd liet meester De Leers de gehele schoolbevolking opstellen in rijen, niemand mocht de klaslokalen betreden, ook de andere meesters niet. De “dader” zou tot voorbeeld gesteld worden. De meester liet hem aantreden en verplichtte hem de appel op de grond te leggen en met zijn voet te pletten. De kleine kwajongen legde de appel echter zo dicht bij de voeten van meester De Leers dat hij, toen hij met een vervaarlijke trap de appel wou vermorzelen, niet de appel trof maar een voet van meester De Leers. Deze laatste sprong toen letterlijk op met de pijnlijke voet in zijn handen, jammerend van de pijn ! Heel de schoolbevolking gierde het uit, niet in het minst de collegae van de meester...

Een laatste willen we nog kwijt : meester De Leers contra onderpastoor Cleeren.

Op 3 november 1932, ’t was kwart voor negen ’s morgens, stapte meester De Leers aan het hoofd zijner kudde kinderen, een 30-tal naar de kerk.

De bedoeling : een gezamelijke biecht die zou afgenomen worden door onderpastoor Cleeren. Toen de meester met zijn pupillen de kerk wou betreden werd dit belet door de onderpastoor die de toegang versperde aan de meester door op de bovenste trap van het kerkportaal te staan. Er brak een felle woordenwisseling uit tussen die twee, meester De Leers zou zich niet aan het uur van afspraak gehouden hebben en was veel te laat gekomen. Het één woord bracht een ander mee en weldra ontaarde de ruzie in een fikse  vechtpartij en vielen er klappen. Voor het aanschijn van de hele klas kinderen rolden de beide kemphanen op de stoffige stenen van het kerkportaal.

De meester zal daarbij wel het onderspit gedolven hebben want onderpastoor Cleeren had in zijn jeugd nog aan boksen gedaan...

In elk geval diende meester De Leers later klacht in bij veldwachter Huybrechts. De afloop daarvan is ons onbekend.

In 1980 overleed Jan Baptist De Leers op 88-jarige leeftijd te Mechelen, de stad waar hij werd geboren en na zijn oppensioenstelling verbleef.

Hij onderhield nog weinig contact met Leest maar de jaren die hij er heeft doorgebracht hebben onbetwistbaar een stempel gedrukt op de leefgemeenschap aldaar.

Helaas was Ernest Claes geen Leestenaar, anders was dat dorp misschien wereldberoemd geworden...”

 



1101323-9640b8aa0f648aca49be81ed96ac49ef.jpg

1101323-53ea7b13958d0332eaa12313ac034e1a.jpg

1101323-a3cab3ada93bbd27e65e4c49de31fe01.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:19 Reageer op dit bericht

1920 – 17 februari : Brief van de burgemeester van Leest tot het bestuur van “Ons

            Invaliedenhuis”:

            “...tot gevolg van uw geeërd schrijven doen ik u kennen dat de Oorlogsinvalieden

            alhier verblijvende, op uw gemeld schrijven aangewezen bij nummers :

            270 – Verbruggen Jan Frans, Tinneschuurstraat 9, nu numero 9 bis.

            565 – De Hondt Eduard, Dorpstraat 20, alsnu Tinneschuurstraat nr.9.

            619 – Pateet Jan, Scheerstraat 14,

            volgens mijn gevoelens waardig zijn, om zoo mogelijk, in den tegenwoordigen

            toestand, bij voortduring te mogen blijven genieten, daar zij niet bij machte

            zijn in hunnen onderhoud te voorzien.

            Met achting, Mijnheeren, bied ik u mijne oprechte groeten aan.

            De burgemeester van Leest.”

 

            Foto : Frans Verbruggen

            Hij was de oudste zoon van David en van Pelagie Van Boxom.

            Frans Verbruggen werd geboren op 19 januari 1891 en viel bijgevolg onder de

            militieklas elf.

            Sinds 1909 was het “loten” afgeschaft en moest elke oudste zoon soldaat worden.

            Op 4 augustus 1914, bij het uitbreken van de oorlog, werd Frans terug

            binnengeroepen.

            De oorlog was voor hem echter van korte duur : hij zat in Marchovelette één

            van de negen forten rond de vesting Namen, die moesten beletten dat de

            Duitsers over de Maas kwamen.

            Onder de moordende hagel van dertig batterijen van 38 cm obussen bezweek

            dit fort reeds op 23 augustus 1914.

            Frans Verbruggen kon aan de hel ontsnappen door zijn handen op de schouders

            van een kameraad te houden, deze laatste kende zijn weg door de doolhof van

            gangen.

            Zwaar verbrand, was hij zijn handen zo goed als kwijt.

            De Duitsers brachten hem naar Waremmes. Ze lieten hem vrij in januari 1915.

 

1920 – 24 maart – Gemeenteraad :

            “...Overwegende dat Mr Kets Remi, gemeenteonderwijzer-schoolhoofd, op 5

            januari 1920, aangehouden en opgesloten onder beschuldiging van aanslag

            op de zeden, door de boetstraffelijke  rechtbank van Mechelen op 4 maart

            1920 veroordeeld is geworden tot 15 maanden gevang, voor aanslagen op de

            zeden bij kinderen van min dan 16 jaar oud.

            Dat deze veroordeling dus niet meer toelaat Mr Kets, het onderwijzend ambt

            waar te nemen.

            Besluit éénparig Mr Kets Henri, als gemeenteonderwijzer af te stellen van

            zijne bediening als onderwijzer der gemeenteschool, te rekenen van heden en dien

            tengevolge die  plaats van onderwijzer-schoolhoofd open- en begeefbaar te

            verklaren.”

 

1920 – 1 mei : Onderwijzeres  Caroline Nees gaf haar ontslag. Ze was in dienst van

            24 oktober 1884.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:06 Reageer op dit bericht

1920 – Vlaswerkers in aktie

            Voor 1930 werd vlas alom geteeld in Leest en Tisselt, het was merendeels

            bestemd voor Engeland.

            Tisseltenaar Hendrik Van Praet en Leestenaars Charel Van Praet waren toen

            vlashandelaar. Het vlas werd in het station van Tisselt-Blaasveld op wagons

            geladen. 

            Toen in de jaren twintig de uitvoer naar Engeland wegviel, verdween vrij vlug

            de geur van het roten uit ons landschap.

            De meeste boeren schakelden toen over op de teelt van vroege patatten, die

            ditmaal voor een groot deel de weg opgingen naar Duitsland.

            Aanvankelijk was dit een zeer lucratieve teelt : deze aardappelen gingen in 1927

            tot 220 frank de 100 kilo. Toen echter ook deze uitvoer verviel, zakten de prijzen

            in de crisisjaren van 1934-35 tot drie à vier frank de honderd kilo.

            (LG,blz.291)

 

            Op de foto is men volop bezig met vlas te trekken.

            Van l. naar r. : “Mie Bal” (Marie D’Hondt), Pelagie Geerts-Bal (gebukt), Marie

            Van Praet, schilder Jan Van Praet (zoon van Hendrik), Wannes Bal (zoon van

            Mie Bal), “Trees van den Bakker”, vlashandelaar Hendrik Van Praet (broer van

            Charel), Louis Verbruggen, Frans Van Praet, Edmond Van Praet, Paulina Troch,

            Varkenshandelaar Frans Van den Wijngaert en zijn vrouw Melanie Van Praet en

            Piet Van Praet. (deze laatsten waren kinderen van Hendrik Van Praet). 

 

1920 – 20 januari : Het Schepencollege benoende Joseph Pas uit Londerzeel als

            plaatsvervangende onderwijzer, in vervanging van Remi Kets.

 

1920 – 24 januari – Gemeenteraad :

            Eénparig werd besloten om vanaf 1 oktober de jaarwedden van het onderwijzend

            personeel op te trekken tot volgende bedragen :

            Dhr Kets 4.000 fr + 200 fr bestuursvergoeding.

            Caroline Nees 4.600 fr + 200 fr woonstvergoeding + 300 fr bestuursvergoeding.

            Mathilde Hellemans 3.880 fr + 200 fr woonstvergoeding.

            Hendrika Troch 3.240 fr + 200 fr woonstvergoeding .

            Irma Ackermans 2.920 fr + 200 fr woonstvergoeding.

 

            “...De Gemeenteraad, gezien het ontworpen plan en bestek, tot het daarstellen

            van eenen gedenksteen, te plaatsen langs de buitenzijde in den muur der kerk, als

            hulde aan de gesneuvelde soldaten dezer gemeente, tijdens den oorlog 1914-

            1918;

            Dat de blinde venster van de kerk, tot plaatsing aangevraagd, geen hindernis zal

            toebrengen noch aan de gebouwen noch aan het verkeer.

            Dat de uitvoering van het werk geraamd wordt ter som van fr 1.949,20, welke

            som de Raad denkt, te zien gedekt worden, grootendeels door giften van

            inwooners, waartoe inschrijving zal gedaan worden ; besluit éénparig machtiging

            te vragen om bij ontoereikendheid der inschrijvingen, het te kort te mogen

            aanvullen door geldelijke bijdragen der gemeentekas.”

 

            In dezelfde gemeenteraad werd  Petrus Spruyt benoemd tot gemeentelijke

            grafmaker als opvolger van Florent Troch.

            Jaarwedde : 125 fr.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:03 Reageer op dit bericht

1919 – Jean “Jaak” De Croes kreeg via een KB van 21/7/1919 een “Herinneringsmedalie

            van den oorlog 1914-1918”.

            Jaak kwam  ook voor in het “Guldenboek der Vuurkaart”.

            De “Vuurkaart” werd in 1932 het leven geroepen door de toenmalige minister van

            Landsverdediging L. Dens.

            De bedoeling was om een onderscheid te maken tussen de “strijders” van 14-18.

            “Een groot aantal oudstrijders,” aldus minister Dens in zijn verslag aan Koning

            Albert I, “die tot 35 maand aanwezigheid tellen in eene eenheid welke door het

            vuur en de beweging in rechtstreekse aanraking met den vijand was, hebben enkel

            de Zege- en de Herinneringsmedaille van den oorlog 1914-18 bekomen en zijn

            aldus verloren in de massa gemobiliseerden zonder dat er iets hen onderscheidt

            van diegenen die hunnen plicht in het achtergebied hebben volbracht, doch die

            slechts enkele dagen werkelijken dienst hebben gedaan tusschen 1 augustus 14 en

            11 november 1918.

            Die vaststelling heeft Uwe Majesteit er toe gebracht toe te stemmen in het

            invoeren van een speciale kaart, uitsluitend bestemd voor die keurlingen voor wie

            ’t doodsgevaar dagelijksch brood was.

            De “Vuurkaart” geeft geen “rente van den strijder”, zoals die in België bestaat

            wegens oorlogsdiensten onder den naam van “Frontstrepenrente”.

            De “Vuurkaart” krijgt dus enkel eene beteekenis van eeredocument.

            Daar zij in principe wordt afgeleverd aan al de militairen die ten minste 12

            maand tot eene eenheid in rechtstreeksche aanraking met den vijand hebben

            behoord, zal zij voor hen die ze bekomen hebben het onweerlegbaar bewijs zijn

            van hun volharding in de inspanning, niettegenstaande de gevaren en de

            ontberingen...”

            Dit alles werd in een Koninklijk Besluit gegoten dat door de Koning op 14 mei

            1932 werd ondertekend.

            In een Koninklijk Besluit van 6 februari 1934 werd bepaald dat alle houders van

            de  “Vuurkaart” het onderscheidingsteken “Vuurkruis” kregen toebedeeld.

 

            Jaak De Croes was geboren te Mechelen op 10 juni 1885 en gehuwd met Maria

            Van der Auwera. Hij overleed te Leest op 19 februari 1960.

            “...Hij was een rechtschapen man, goedhartig en eerlijk in zijn levenswandel.

            Eenvoudig en oprecht van omgang, werd hij geacht door alwie hem kende en zijn

            aandenken zal bij ieder in ere blijven...” dixit zijn doodsprentje.

 

 

1919 – 29 september : Plakschriften omtrent de van Duitsland teruggekregen paarden,

            werden aangeplakt op de gewone plaatsen.

 

1919 – 16 oktober : Nieuw regelement en taks op de keuring van het slachtvlees :

            Art. 1. Keurrechten op het slachtvlees worden vastgesteld als volgt, te rekenen

            vanaf 1 januari 1920 :

            Paarden, ezels en muilezels, per hoofd         fr 5,00

            Stieren, ossen, koeien en vaarzen                 fr 3,00

            Kalveren, varkens                                         fr 2,00

            Lammeren, geiten,speenvarkens,schapen    fr 1,00

            In buitengewone gevallen                             fr 10,00

            Voor keuringen voor 7 uur ’s morgens en na 7 uur ’s avonds gedaan, zal de taks   

            verdubbeld  worden.

            Voor noodslachtingen worden de keurrechten en verplaatsingskosten ten laste van

            de gemeente genomen.

            Die rechten worden verhoogd met de kosten van verplaatsing, gaan en keren

            inbegrepen,  bedragende 0,50 centiemen per kilometer.

            Deze kosten zijn slechts éénmaal per keuringsdag verschuldigd, welk ook het

            getal weze der gekeurde dieren, en zonder te letten of zij aan verschillende

            eigenaars toebehoren.

            Zij worden tussen deze laatsten verdeeld in evenredigheid van het beloop der

            rechten door elkeen van hen verschuldigd voor de eigenlijke keuring. (GR)

 

1919 – 20 oktober : De herstellingen aan de buurtsteenwegen van groot verkeer kostte de

            gemeente tot nu toe reeds 5.370,50 fr.

 

1919 – 20 december : De maalders A. Maes en weduwe Lauwers kregen verbod graan te

            malen “zonder voorbrenging van eenen geleidebrief door de gemeente

            afgeleverd.”

 

1919 – 20 december : Door ouders van schoolkinderen werd klacht ingediend tegen

            meester Kets.

            Na een onderzoek door het gerecht zou het schoolhoofd Remi Kets worden

            aangehouden en naar de gevangenis van Mechelen overgebracht.

            Hij werd beschuldigd van aanslag op de goede zeden.

            (GA-20/12/1919 en 10/1/1920)

 

1920 – Dat jaar verbleven er in de gemeente de volgende broodbakkers :

            in het Dorp : Egied Louis Quintidi en de Weduwe Van Crombruggen.

            In de Tisseltbaan : Victor De Hondt. (GA-1/7/1920)

 

1920 – Leest telde 1688 inwoners. (Wikipedia)

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:56 Reageer op dit bericht

1919 – 5 augustus : Koster-organist Jozef Rheinhard ontving volgend schrijven van het

            gemeentebestuur :

            “...Hier zal Uld. vinden een schrijven van 2 dezer maand uitgaande van de

            burelen des Konings, waarbij Hare Hoogheid de Koningin er in toestemt het

            meterschap uwer zevende dochter aan te nemen.

            De gratificatie van 100 fr zal u door bemiddeling der Burgerlijke lijst beschikt

            worden.”     

 

            De foto : de familie Rheinhard-Diedens bij de intrede van dochter

            Gerarda bij de slotzusters te Dendermonde.

            Van l. naar r. : Marie Rheinhard, moder Diedens, Jos, Gerarda, Hilda, vader Jef

            Rheinhard, Pauline. Zittend : Lizeke en Herman. (LG-blz.298) 

 

1919 – 9 augustus : Brief van burgemeester Bernaers gericht aan Mr de Miomandre,

            Hoofd van den onderzoekdienst bij het Generaal Kwartier van het

            Bezettingsleger :

            “...Tot gevolg aan Uwe omschrijving van den 15 juli 1919, ons toegekomen op

             7 augustus ll, doen wij U kennen, dat het ons onmogelijk is de namen van

            Duitsche officieren of soldaten aan te duiden, welke zich in 1914 alhier aan

            baldadigheid zouden plichtig gemaakt hebben.

            Het groot deel der bevolking is gevlucht voor en bij het begin der

            schermutselingen ; de personen in hunne woningen en bij het vluchten

            aangehouden, zijn weggeleid of in hunne woningen zelve opgesloten gehouden,

            en deze kunnen geene aanduidingen geven.

            Eene afdeling duitsche wielrijders, staken een huis in brand in de Blaasveldstraat,

            schoten aldaar 2 vluchtende inwoners van Hombeek dood, waarvan eene nog

            doorstoken werd.

            Burgers werden op die plaats ook mishandeld, hiervan zijn geteekende

            verklaringen op aanzoek, aan Mr de Vrederechter van ’t Zuidkanton Mechelen

            overgemaakt.

            De verklaringen door weggevoerden naar Duitschland, zijn ook aan Mr de

            Vrederechter verzonden.

            Twee graanwindmolens moeten ook door de Duitsche soldaten in brand gestoken

            zijn, maar tot welke regimenten de brandstichters behoorden, kan niet

            aangewezen worden...” 

 

1919 – 10 augustus: Caroline Nees ontving het “Burger Eereteken van Medalie 1e Klas”

            en het diploma verleend bij K.B van 18/7/1919. (GA-14/8/1919)

 

1919 – 21 augustus : Frans Hendrik Boonen deed een aanvraag tot vaststelling van

            schade aan zijn persoon, bij de voorzitter van de rechtbank van oorlogsschade.

            Daarbij voegde hij : een kwijtschrift van dokter Gillis uit Mechelen, van dokter

            Van Assche uit Hombeek, een kwijtschrift van apotheker Van Melckebeke en een

            getuigschrift van “den Engelschen bespiedingsdienst”.

 

1919 – 23 september : Veldwachter Isidoor Constant Van Hoof kreeg opslag.

            Zijn jaarwedde werd van 1.300  op 1.400 fr gebracht.

            Daarenboven kreeg hij nog 100 fr vergoeding “als brigadier”. (GR)

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:49 Reageer op dit bericht

 

1919 – Begin februari ontving de gemeente, via het station van Hombeek, 90 ton

             steenkolen.

            De kolen werden verkocht aan 85 fr de 1000 kg.

            De bestelling gebeurde op initiatief van het gemeentebestuur.

 

1919 – Op 5 februari overleed te Leest schepene Victor Diddens.

 

1919 – 7 februari : In het ziekenhuis Saint Meën te Rennes, Frankrijk, overleed Frans

            Jozef De Borger aan de gevolgen van zijn kwetsuren. Hij werd drie dagen later

            ter plaatse begraven.

            Frans De Borger was te Leest geboren op 18 december 1894 als zoon van Pieter

            Frans en van Maria Elizabet De Mayer.

            Hij  nam deel aan de oorlog als soldaat bij het 4de Regiment Jagers te voet.

 

1919 – Op 27 februari richtte burgemeester Bernaerts een vraag tot de Kommissie van

            Recuperatie voor weghaling van :

            - 3 geladen obussen, aan de beekbrug nabij de Wip (Juniorslaan).

            - 2 geladen obussen, nabij de Kleinheidestraat, tegen de woning van Keulemans.

            Eerstgenoemde obussen lagen in het water, de anderen waren bedolven met aarde.

            - 9 geweren, af te halen ten huize van de burgemeester.

 

1919 – 2 maart :

            “...Op heden zondag 2 maart rond 7-1/2 ure ’s morgens, is den genaamden Emiel

            Verschueren, herbergier en winkelier, wonende te Leest dorp nr. 27, ten mijnen

            huize gekomen, afgevende eenen lijst met namen betrekkelijk de leden der

            muziekmaatschappij Ste Cecilia, zonder mij uitleg te geven waarvoor dit stuk

            dienen moest noch te willen zeggen vanwaar dit kwam.

            Ik heb hem doen aanmerken dat er daar nooit toestemming zou gegeven worden

            tot het houden van bal gedurende de vastenavonddagen ;

            dat ik toestemming tot bal gegeven had voor 8 dagen vroeger.

            In het uitgaan der deur, heeft Verschueren mij drijmaal de smaadwoorden

            gezegd: “Gij ouden leelijken boek”, waarop ik hem drie maal geantwoord heb :

            “Ik dank u mijnheer Verschueren”.

            Van welke kwetsende beleedigende woorden ik tegenwoordig proces-verbaal

            heb opgemaakt, hetwelk door mij genaamteekend is, om verzonden te worden

            aan den heer Procureur des Konings tot vervolging.”

            Was getekend : den burgemeester van Leest, J. Bernaerts.

            Afloop onbekend , wel een typische “Sussen-Blekken” confrontatie.

 

1919 – 18 maart : De aangiften, gedaan door landbouwers van hunne aardappelvoorraad

            bedroeg 28.900 kg.”

            Verkoopprijs : 15 tot 16 frank de 100 kg. (GA)

 

1919 – 27 maart : Uit een brief van de burgemeester gericht aan de gouverneur :

            “...dat het onderwijzend personeel der gemeente zich wel van hunne

            vaderlandsche plichten gekweten heeft tijdens de vier oorlogsjaren, en dat

            er dus ook geene tuchtstraffen dienden opgelegd te worden...”

 

1919 – 3 april : De gemeente Leest maakte een lijst op met alle bestaande huizen in de

            gemeente :

            -het Dorp : 27

            -de Mechelbaan : 5

            -de Kouter : 17

            -de Molenstraat :  6

            -de Laerestraat : 3

            -de Scheerstraat : 12

            -de Koeistraat : 26

            -de Winkelstraat en Tiendeschuurstraat : 32

            -de Kapellebaan : 19

            -de Tisseltbaan : 50

            -de Blaasveldstraat en de Hertstrat : 25

            -de Groteheidestraat :  18

            -de Kleinheidestraat en de Kapellestraat :  24

            -de Biest : 14

            -de Alemstraat : 13

            -de Rennekauter : 7

             

            Totaal : 298 huizen.

 

1919 – 5 april : De gemeente ging opnieuw een lening aan met de “Spaar- en Leengilde

            der gemeente Leest”.

            Het betrof een som van 20.000 fr aan 4% terugbetaalbaar twee jaar na het sluiten

            van de vrede.

            De reden was “tot het doen van voorschot aan het plaatselijk Hulp- en

            Voedingskomiteit, betalen der gemandateerde bijdragen in de kosten van dit

            Komiteit en het kwijten der gestemde weddeverhogingen, duurtetoelagen en tot

            betaling der wedden van het 2de kwartaal 1919.” (GR)

            Het was de derde lening die de gemeente aanging “tot bestrijden van de

            bijzondere uitgaven tengevolgen den oorlog”.

            De vorige leningen bedroegen 2.000 en 39.875 fr.

            (GA-24/7/1919)

 

1919 – 10 april : Jozef Vloeberghen benoemd tot schatbewaarder van de kerkfabriek ter

            vervanging van Pieter Eduard Vloeberghen.

            Theophiel Verschueren benoemd tot Eerste Schepen en Jan Baptist Verbergt

            tot Tweede Schepen, ter vervanging van Victor Diddens en Lodewijk Wauters.

            (GR)

 

1919 – 10 mei : Irma Ackermans benoemd tot tijdelijke onderwijzeres in de gemengde

            gemeenteschool. Ze verving de wegens ziekte afwezige Caroline Nees.

 

1919 – 15 mei : Het gemeentebestuur ging een lening aan van 5.000 fr. (GR)

 

1919 – 25 mei : Aanvang van de herstellingswerken aan de defecte steenwegen van

            Leest.  

 

1919 – 17 juni : Burgemeester Bernaerts verzocht de Krijgsgouverneur der provincie om

            2 (Browning) pistolen voor de plaatselijke politie. (GA)

 

1919 – 22 juni : Stichting Boerengilde

            Op 22 juni werd in het “Brughuis” bij Jozef Apers de plaatselijke Boerengilde

            geboren. Dit gebeurde onder impuls van Victor De Laet, die in 1915 reeds een

            Raiffeisenkas had gesticht.

            (De handtekeningen van de andere bestuursleden : F. Van der Hasselt, Fr. Van

            Loo, Ch. De Borger, J. Selleslagh, E. Van Boxem, L. Selleslagh, Jan Spruyt,

            Jos Verlinden)

            De stichting ondervond aanvankelijk veel tegenstand vanwege de boerinnen, die

            dachten dat de vergaderingen van de gilde niets anders waren dan een

            gelegenheid van de mannen om uit de bol te gaan.

            Uiteindelijk draaiden zij bij en de meeste Leestse boeren sloten zich aan.

            Door samenaankoop van veevoeders, meststoffen en zaaigoed via de zaakvoerder

            Apers, kregen de leden deze grondstoffen goedkoper.

            Om de boeren een betere technische scholing te geven werden er ’s zondags en op

            winteravonden voordrachten en leergangen gegeven over bemesting, veevoeding,

            teelttechnieken en mechanizering.

            Andere initiatieven waren gericht op verbetering van de veestapel : melkkontrole,

            stierenhouderij, veeziektebestrijding, enz...

            In 1954 zag het bestuur er als volgt uit :

            St. De Decker was proost, Victor De Laet voorzitter.

            Ondervoorzitter was Petrus De Prins, J. Apers was schrijver-zaakvoerder en

            bestuursleden waren Louis Selleslagh, Jan Verbruggen, Fons Van den Brande,

            Karel Van Linden en Jef Van Beersel.

            De Leestse Boerengilde telde toen zo’n 110 leden.

            Victor De Laet bleef voorzitter gedurende meer dan 40 jaar.

            Alfons Van den Brande nam het roer over in 1962.  

            Zijn grote bekommernis was de rationalizatie en modernizering van de

            Leestse landbouwbedrijven. Zijn voornaamste verwezenlijking was het

            ontwateren door drainering van honderd ha Leestse landbouwgrond.

            In 1963 kreeg de Boerengilde een eigen maandblad “Gildeleven”met een

            zeer gevarieerde inhoud : praatjes over landbouw, verslagen over de

            gildevergaderingen en allerhande practische wenken.

            In 1978 telde de “Landelijke” gilde 135 leden.

            Jos De Smet werd voorzitter in 1973.

            In “De Band” nr. 1 van 1955 verduidelijkte Viktor De Laet de rol van de

            Boerengilde :

            “Iets over onze BOERENGILDE

De Boerengilde is geen vondeling ! Zij is de moederorganisatie die verschillende afdelingen bindt. Noemen we : de Boerinnenbond, Boerenjeugdbond (B.J.B.), met ruitersport en toneel, de Boerinnenjeugdbond (B.J.B.-meisjes), de Raiffeisenkas, Aan- en Verkoopvennootschap, Onderlinge Kas voor Gezinsvergoedingen, de verzekering tegen brand en ongevallen, Veebond, Tuberculosebestrijding, zuivere melkwinning.

Het DOEL van de organisatie is : het vormen van een ontwikkelde, welvarende en kristelijke boerenstand.

Om dit doel te verwezenlijken heeft ze veel middelen ter harer beschikking.

Noemen we er enkele van : allerlei verslagen, zakalmanakken, wandkalenders, allerlei technische uitgaven, “Bij den Haard”, “de Zonnebloem”, “de Boer”, “Ploeg en Kruis”, “De Gids”, maandelijkse voordrachten, film, aanleggen van proefvelden, voorlichting in tuinbouw, grond- en bodemonderzoek, enz...

Verder beschikt de Boerenbond over een kosteloze advokatendienst, een welingerichte dienst voor belastingsaangelegenheden en pensioenswetten,  inrichten van “praatavonden”, voordrachten, studiedagen, leergangen, retraites, recollecties, werking van onze leden soldaten, technische dienst voor drainering, melkmachienen, electrische weideafsluitingen, waterleidingen, bouwplannen, enz..

U ziet aan al deze diensten en verwezenlijkingen dat de Boerenbond een machtige organisatie is in ons land, benijd door de andere landen !

Hoevelen van onze boeren hebben niet reeds een bezoek gebracht aan de reusachtige burelen van het hoofdbestuur van de Belgische Boerenbond le Leuven, om hen te helpen in één of andere aangelegenheid ?

Steeds vonden ze de meest-bereidwillige en toegewijde en bekwame mensen ter hunner beschikking.
Wie kent niet de reusachtige bloemmolens te Merksem, de grootste van Europa ?

Alles staat ten dienste van de leden. De leuze van de Boerengilde immers luidt :

“Allen voor ieder, ieder voor allen.”

 

            In de jaren 70 werden de boerengilden opgesplitst in landelijke gilden en

            bedrijfsgilden.

            Samen met deze opsplitsing veranderde ook het werkgebied van deze twee

            groepen. Zo bleef de landelijke gilde de plaatselijke vereniging, die zich meer

            zou uitdiepen om christelijke- sportieve- culturele-  en algemene vorming 

            te stimuleren en waar zowel de actieve land- en tuinbouwer als de loontrekkende

            zich kon thuisvoelen.

            (Voorzitter Jos De Smet in DB, februari 1985 n.a.v.  briljanten jubileum)           

 

1919 – 26 juni :

            “...De Raad, gehoord lezing van den brief van het Komiteit van Nationale Politiek

            welke afvaardiging ten doel heeft bij de Vredesconferentie te Parijs, in naam der

            aansluitende gemeentens, onze aanspraken te doen gelden in ’s lands voordeel.

            Besluit : de leden des gemeenteraads van Leest, provincie Antwerpen, verklaren

            het Komiteit voor Nationale Politiek bij te treden, wiens programma behelst :

            vrije beschikking over de Schelde, de Midden-Maas en de waterwegen van

            Antwerpen tot den Rijn, de teruggave door Duitschland van Malmedy en de

            kantons, nauwkeurige verbinding met het Groothertogdom Luxemburg, ruime

            deelneming aan den invloed der verbonden Machten in het Rijngebied en

            redelijke uitbreiding van het koloniaal domein van België.”   

 

1919 – 2 augustus : brief van het gemeentebestuur aan de “Ontvanger van de

            Rechtstreeksche Belastingen Mechelen” ivm de Huishuren :

 

            “Tot gevolg aan uw schrijven nr. 8757, geven wij u hieronder de gevraagde

            inlichtingen, betrekkelijk tien huizen in deze gehuurd, namelijk :

            Huis Dorp numero 17 in huur bij Selleslagh kinderen mits 24 fr per maand.

            Huis Dorp nr. 6, in huur bij Wwe Coeckelbergh P.J., mits 14 fr per maand.

            Huis Dorp nr.24, in huur bij Lauwens Jan K.Louis,mits 13 fr per maand.

            Huis Scheerstraat nr.4,in huur bij De Backer Henri,mits 10 fr per maand.

            Huis Thisseltbaan nr.15, in huur bij Jan Siebens, mits 11 fr per maand.

            Huis Thisseltbaan nr.32, in huur bij Roggen Leon, mits 9 fr per maand.

            Huis Kleinheidestr nr.10, in huur bij Fierens Constant mits 8,50fr per maand.

            Huis Kapellebaan nr.13, in huur bij Van den Houte Jan mits 9,5 fr per maand.

            Huis Winkelstraat n.7, in huur bij Van Neste Cyriel mits 12,50 fr per maand.

            Huis Tiendeschuurstr. nr.8 in huur bij De Muyer Frans mits 10 fr per maand.

 

            De brief was ondertekend door secretaris Vandenbossche.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:42 Reageer op dit bericht

1919 – Stichting van N.S.B-Leest (Nationale Strijdersbond)

 

De Leestse afdeling van de N.S.B. werd in 1919 gesticht door oudgedienden van de Eerste Wereldoorlog. Onder hen de oorlogsinvalide Pieter Jan(Wannes) Pateet.

Bedoeling : de nagedachtenis van de gevallenen in ere houden en ook om de belangen van de oudstrijders en gelijkgestelden te verdedigen.

In 1945 smolt de afdeling samen met de oudstrijders uit de oorlog 1940-45.

Nationaal maakte Leest deel uit van het gewest Dijle-Rupel-Nete.

In 1955 telde de N.S.B afdeling Leest 71 leden.

Frans Lauwers was toen reeds vele jaren voorzitter.

De eerste gedenksteen voor de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog werd opgericht in 1920 en een tweede voor de gesneuvelden uit de Tweede Wereldoorlog in 1946.

In 1948 werd te Leest het “Werk voor Oudstrijders en Gelijkgestemden” gesticht. Het doel was om zoveel mogelijk steun te verlenen aan zwaar beproefde families van oudstrijders en gelijkgestelden. Steun die zowel moreel, materieel als financieel kon zijn. Lous Lauwers werd afgevaardigde.

In 1960 werd een nieuw vaandel ingehuldigd en gewijd.

Andere voorzitters van de Leestse afdeling van de N.S.B. waren : August De Prins, Gerard Lauwaet.

Het bestuur van 1980 zag er als volgt uit : Ere-Voorzitter Jan Pateet, Voorzitter André Walschaerts, Ondervoorzitter Louis De Croes, Penningmeester Eugeen Van Beersel, Feestbestuurder Gust Nuytkens, Boetmeester Louis Van den Heuvel, Commissaris Jan De Smedt, Vaandeldrager Remy Spoelders en secretaris Georges Veiller.

En vijf jaar later :

Voorzitter : Eugeen Van Beersel, Ondervoorzitter Louis Van den Heuvel.

Secretaris-penningmeester: Georges Veiller.

Feestbestuurder : Frans De Bruyn.

Kommmissaris : André Walschaers, August Nuytkens en Albert De Smedt.

Vaandeldrager : René Spoelders.

In 1969 werd Georges Veiller(°Elsene, 26/6/1919) secretaris, de zieltogende N.S.B. telde toen slechts 10 leden.

Onder zijn impuls steeg het ledenaantal het jaar nadien reeds naar 39 om in 1980 de 50 te overschrijden.

Georges Veiller die in 1966 te Leest was komen wonen, zag dat er voor de oudstrijders van Leest werk aan de winkel was. Hij begon te lopen en te schrijven en reeds in 1970 bekwamen 23 mensen hun strijderskaarten met de eraan verbonden rechten.

In hetzelfde jaar werden een groot aantal eretekens uitgereikt door de burgemeester.

Tien jaar later bekwam hij dat er geen oudstrijders meer werden ontgraven en dat de stad Mechelen instond voor het onderhoud van hun graven.

Tot 1977 bestonden er te Leest twee verenigingen, de oudstrijders waren tot dan zowat ingedeeld volgens dorpspolitieke kleur. Dat jaar ontbonden de “Oud-Soldaten” hun vereniging en bijna al hun leden werden lid van de N.S.B.

 

Elk jaar op 11 november herdachten de oudstrijders hun gevallen makkers.

Na de mis hield de secretaris van de afdeling een toespraak aan het monument op het kerkhof en werden bloemen neergelegd.

(Diverse Folders N.S.B, DB januari 1955, Januari 1980, mei 1984)

 

1919 – In januari hernam onderwijzeres Henriette Troch haar bediening in de

            gemeenteschool.

            “...Juffer Troch die sedert augustus 1914 het land was uitgevlucht, verklaarde in

            Engeland (Londen) haar taak te hebben waargenomen als onderwijzeres.”

            (GA-4/3/1919)

 

1919 – Op 25 januari deed burgemeester Bernaerts een aanvraag tot het bekomen van 2

            geweren met patronen ten dienste “van den ambtenaar van politie en van den

            gemeente veldwachter.”

            Hij richtte deze vraag tot generaal Mahieu, krijgsgouverneur te Antwerpen. (GA)

 

1919 – 30 januari :

            “In de gemeente is er geene haver meer beschikbaar daar een deel ervan is

            opgeeischt door de Duitsers en een deel door de Duitsche legers bij hunne aftocht

            is vervoerd aan hunne  paarden en mede genomen bij hun vertrek zonder

            betaling.” (GA)

 

1919 – 30 januari : Uit een brief van de burgemeester voor de provinciegouverneur :

            “...Betreffende buurtwegenis oorlogsschade.

            Groote schade, tengevolge oorlogsgebeurtenissen is toegebracht aan :

            Steenweg van Leest dorp naar de limiet van Thisselt, wegen nrs 4, 10 en 28

            van het atlas, op deze lengte is de herstelling der brug over de beek groot

            noodig.

            Steenweg van Leest naar het Heike Hombeek, nrs. 5 en 9 van het atlas.

            Deze twee wegen zijn in zeer slechten toestand.

            Steenwegen van Leest dorp naar Heffen en naar Hombeek dorp, deels

            beschadigd, wegen nrs 3 en 2 van het atlas.

            Steenweg van Capelle op den Bosch naar boschkant Hombeek, weg nr. 5.

            De brug over de St Annabeek limiet met Mechelen, kant langs Leest,

            grootelijks beschadigd.

            Ook de kiezelweg in de Laerestraat is zwaar beschadigd.”

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:37 Reageer op dit bericht

Op 7 februari 1919 stierf in Rennes (Frankrijk)  Franciscus Jozef De Borger, in het ziekenhuis Saint Meën, aan de gevolgen van zijn kwetsuren.

Frans Jozef De Borger was te Leest geboren op 18 december 1894 als zoon van Pieter Frans en van Maria Elizabet De Mayer.

Hij deed de oorlog mee als soldaat bij het 4de Regiment Jagers te voet.

Drie dagen later werd hij ter plaatse begraven. Een zieledienst werd voor hem opgedragen te Leest op donderdag 27 februari 1919.

 

Op 15 maart 1921 stierf er nog een Leestenaar ten gevolge van de oorlog.

Petrus Alfons Van Hoof was te Leest geboren op 6 mei 1894 als zoon van Frans Eduard en van Maria Louise “Wiske” Huys.

Zijn ouders baatten de herberg “In de Groene Linde” uit op het Dorpsplein.

Fons diende bij het 14e Linieregiment.

Nadat bij de familie Van Hoof een bericht was toegekomen dat hun zoon  Theofiel was gesneuveld, werd Fons, die door het oorlogsgas was aangetast, uit een hospitaal naar huis gebracht als invalide.

“Nog zie ik Fons, bij een hete zomerdag, hijgend zitten, in het lommer van hun lindenboom...” schreef J.A. Huysmans in De Band.

Petrus Alfons overleed te Leest.

 

 

1919 – Het aantal  stemgerechtigden voor de wetgevende kiezing bedroeg 458.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:31 Reageer op dit bericht

Christine De Laet (Zuster Melanie) over de Eerste Wereldoorlog in het eerste nummer van De Band, 1955 :

“...’t Begin van de eerste oorlog en de vlucht heb ik nog meegemaakt.

Vader heeft na de doortocht van de eerste patrouilles een reuzefiets-motocyclette splinternieuw uitgehaald van onder de mesthoop.

Maar de Belgische soldaten hebben ons twee dagen later dat merkwaardig ding als trofee ontnomen.

Zeer intressant volgens mij was na de vlucht de koeienhistorie.

De Belgen hadden alle koeien eerst weggehaald.

’t Leger had die te Antwerpen in hangars ondergebracht, en geraakte er niet mee weg.

De Duitsers sloegen die aan.

Na de vlucht waren er geen koeibeesten meer tenzij hier en daar één die in ’t wild liep, en gauw een “eigenaar” had.

Zuster Viktoria (haar oudere zuster Melanie De Laet)  zei : “Ik moet een koe hebben, ze hebben onze koeien afgepakt, ik ga naar Antwerpen naar de Duitsers een koe halen !”

Ze schuift aan in de rij om een bewijsschrift te bekomen en toelating om met “haar koe” naar Leest te mogen.

Overrompeld als die kommandant was door die grote menigte, schrijft hij een bewijs.

En zus ging met dat papierke naar die hangars, waar de controleur vraagt :

“Welke is uw koe ?”

Zuster Viktoria kiest er de beste en schoonste uit en roept : “Deze meneer !”

De kerel laat begaan.

Ze huurt een beestenwagen, en ’s avonds te kwart voor tien komt ze daarmee in Leest binnen in triomf.

Alle mensen kwamen zien naar dat fenomeen...”  

 

Christine De Laet werd geboren op 12 mei 1901. Ze ging in 1915 bij de zusters Annunciaden  te Heverlee, als zuster Melanie.

Haar zuster Melanie De Laet werd geboren op 26 januari 1891. Ze kwam in het klooster bij de Annunciaden als zuster Victoria in 1917. Ze bleef als missionaris in Kongo van 1931 tot 1957. Ze overleed te Heverlee op 1 mei 1968. (LG-blz.332)

 

Op de foto rechts Christine, links haar zus Melanie De Laet.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:29 Reageer op dit bericht

Pieter Jan “Wannes” Pateet –Intervieuw met Karel Soors - De Band november 1976 : “Wannes Pateet en de oorlog”

“...Jan Pateet werd te Leest geboren op 13 mei 1890.

Zijn vader Henri en zijn moeder Marie Publie woonden achtereenvolgens op een boerderij op de Kouter en in de Scheerstraat.

Wannes was de oudste van elf kinderen.

In 1914 maakte hij kennis met de gruwelen van de oorlog. Het zou voor hem een pijnlijke herinnering blijven.

Het begon al slecht voor Jan in 1912 toen hij binnen moest.

In plaats van te mogen loten zoals voordien moesten de mannen van zijn lichting allemaal binnen.

Men sprak van oorlog, maar dat sloegen onze rekruten niet hoog aan.

Soldaat Jan werd ingelijfd bij het 7de Linieregiment en gekazerneerd te Antwerpen.

Wat Jan zich nog herinnert van het oorlogsgebeuren wil hij ons wel vertellen...

 

De eerste kennismaking met de oorlog !

We lagen gebivakeerd buiten Namen. Daar zagen we de vijand voor het eerst.

De Duitsers overspoelden de hele streek, een overmacht die we nauwelijks konden schatten. We trokken ons hals over kop terug. We wisten niet waar we ’t hadden.

Nu de eerste kogels langs onze oren floten, deden we in ons broek.

 

En verder...

We probeerden zover mogelijk van ’t oorlogsgeweld te geraken en terug te groeperen.

We waren grote sukkelaars : kleren, schoenen, wapens, alles geraakten we kwijt.

We liepen verloren omdat niemand kaart kon lezen.

Onze soldaten en officieren waren op zulk een oorlog niet voorbereid.

Na een afmattende tocht hergroepeerden we ons.

 

Toen koning Albert op 25 augustus 1914 de Sint Romboutstoren beklom om de opmars van het Duitse leger langs de Leuvense steenweg in ogenschouw te nemen, had je reeds aan de lijve ondervonden wat oorlog was ?

Zeker, Halen, daarna Aarschot, dat was oorlog !

Wat een beestigheden daar gebeurd zijn zal ik nooit vergeten !

Ik moet wel zeggen : langs beide kanten waren er goeie en slechten.

Terwijl we in Aarschot de Duitsers onophoudend bestookten en ons daarna terugtrokken werd er in de stad een bloedbad aangericht.

Onder het geroep : “Man had geschossen !” werden brave burgers omgebracht.

Bij een van die straatgevechten werd adjudant Van Peuvelde zwaar gekwetst.

Ik dacht dat de man zou sterven ! Ergens in een boerderij haalde ik een paard uit de stal en legde de gewonde daarop. Zo bracht ik hem naar de kazerne. Later verkocht ik het paard nog voor 10 frank aan een andere boer.

 

Hoe raakten jullie aan de Ijzer ?

Na een moeizame tocht groepeerden we ons in Zelzate. De verdediging van Antwerpen was ingezet. De Duitsers bestookten de forten rond Antwerpen.

Niet lang daarna werd de aftocht geblazen. De bruggen werden opgeblazen.

Op 8 oktober lieten we Antwerpen achter ons en marcheerden tot half oktober.

Drie maanden waren we op pad geweest.

De Ijzer zou bijna onze dood worden.

 

De Ijzer was wel een nachtmerrie ?

Langs een puzzel van tracees en passerels bereikten we Nieuwpoort. Daar begon de loopgrachtenoorlog. De Duitsers gebruikten gifgas om ons klein te krijgen, daar hadden we hevige schrik van ! Soms blies een gasalarm alleen van schrik.

            het front moest brengen.

 

In Lombardsijde, het was juist na Allerheiligen en men sprak van wapenstilstand, lagen we wat hoger in stelling. De Duitsers schoten een bal door m’n schouder. Het was op 7 november 1917.

Toen we die morgen naar Diksmuide opstapten, zagen we ze plots zitten. Als gieren zaten ze in de bomen en beschoten ons. Vanuit ijzeren kooien richtten ze hun mitrailleuzen op ons. Wat daarna gebeurde werd me achteraf verteld : ik lag in een put, mijn been was afgeschoten. Mijn broer Charel en een korporaal bonden mijn been af, anders was ik doodgebloed.

Twaalf van mijn maten waren gesneuveld.

Ze brachten mij naar het hospitaal in Adinkerke, waar ze mijn been hebben afgezet.

Ik werd achteraf naar Rouen gevoerd.

Daar ben ik gebleven tot 1921, totdat ik de zekerheid had dat alles ermee in orde was...

 

De oorlog...wat denk jij over de oorlog ?

Wat ik er over denk ? Oorlog deugt voor niets !

Men mag dan zeggen dat een rechtvaardige oorlog er mag zijn, als je oorlog zag zoals ik die zag, zoals ik die meemaakte, dan kan je niet anders zeggen dan dat oorlog pure waanzin is, uitgevonden door enkelen, terwijl velen er voor sterven.

Ik heb blinden gezien, mensen zonder benen of armen en veel, veel doden, alles door die oorlog !”

 

Pieter Jan “Wannes” Pateet overleed te Mechelen op 25 juni 1980, hij werd nog negentig.

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:16 Reageer op dit bericht

Frans Coeckelbergh -  De Band nr. 7 van 1956 :

“...Alhoewel het loten reeds tot het verleden behoorde toen Frans werd opgeroepen om het vaderland te dienen waren er toch nog velen die door de mazen van het net konden glijden en zich vrijmaken van legerdienst.

Maar bij mij was hier geen sprake van zegt Frans want niettegenstaande ik de oudste en mijn moeder weduwe was, moest ik in 1911 optrekken om mijn dienstplicht te vervullen.

Hij werd binnengeroepen te Berchem bij het 6e Linieregiment, nu mogen de soldaten wel boffen want met 2 maand opleiding komen zij er van af, maar in onzen tijd was dat 6 maand en dan moet ge weten dat voor ons Vlamingen alle bevelen in de Franse taal werden gegeven en als er waren welke deze niet verstonden bracht dat nog een hele boel moeilijkheden mee, aldus Frans.

 

En hoe is uwen dienst verder verlopen Frans ?

Die werd gevuld met wachten kloppen, marchen en manoeuvers doen, het ergste van al was, dat wij als onze 15 maanden om waren nog niet mochten afzwaaien want intussentijd was er in de Borinage een wilde staking uitgebroken, die ons nog 4 maanden langer onder de wapens hield zodat ik slechts in mei 1913 afzwaaide.

Op 28 juli 1914 werd ik terug opgeroepen om ten strijde te trekken tegen onze Duitse vijand.

We trokken na een viertal dagen de Duitser tegemoet om eerst slag te leveren te Rotselaar waar wij voor de overmacht van de aanvaller moesten wijken naar Haacht, waar we de vijand nogmaals duchtig repliek gaven en waar ik een van de critiekste ogenblikken van de oorlog meemaakte, even verhalen, we moesten ’s nachts een kasteel te Haacht gaan bezetten maar van het ogenblik dat we de poort openduwden werden we verrast door een bel die plots aan ’t bellen sloeg en toen we het kasteel verder wilden onderzoeken ondervonden wij dat we onmogelijk tot de bovenverdiepingen konden toegang krijgen, onze verrassing werd nog groter toen we plots beschoten werden door de Duitsers die zich verscholen hadden op de kamers, en stond ons niets anders te doen dan de wijk te nemen en de artillerie er op af te sturen, deze maakte met kasteel en Duitsers korte metten.

 

Na elke slag moesten wij terug naar Lier om onze troepen in slagorde te brengen.

Van daar moesten wij naar Katelijne Waver waar we weerop slag leverden, maar de Duitser beschoot  met zwaar geschut het fort dat wij te verdedigen hadden.

Hij slaagde er in het poedermagazijn in brand te schieten, zodat vele van onze Belgische soldaten in brandende toortsen werden herschapen en er een gruwelijke dood vonden, niettegenstaande deze tegenslag hielden we nog een volle dag stand om dan tengevolge van de slechte ravitallering te moeten aftrekken naar Lint waar we nogmaals gevechten moesten leveren tegen de Duitse mitrailleurs die zich in de bomen verscholen hadden en ons aldus konden beschieten terwijl we in de grachten verder kropen. Van zodra wij dat in de gaten hadden losten wij salvo’s in de bomen, de Duitsers aldus verplichtend van de wijk te nemen en niet voor lang echter, want spoedig kregen ze versterking en moesten wij aftrekken naar de Redoute van Deurne, waar de Duitsers twee dagen later eveneens aankwamen en na enkele uren bezit namen van de Redoute.

Met pak en zak zijn wij dan door de brandende stad Antwerpen getrokken, waar zelfs

de Schelde in vuur en vlam stond.

Dan maar steeds verder achteruit naar Sint Niklaas waar we op de trein stapten en naar Oostende gevoerd werden.

U moet nu niet gaan denken dat we deze transport meemaakten in confortabele wagens !

Neen, op verre na niet, we werden in beestenwagens geduwd en rijden maar om van uit Veurne te voet naar Ramskapelle te trekken, wat ook nog gepaard ging met tal van moeilijkheden o.a. te Nieuwpoort waar de Duitsers in een bietenveld verstopt lagen en ons van daar uit beschoten. Telkenmale er zich een van onze soldaten durfde vertonen werd hij onmeedogend neergekogeld.

Zo zijn wij dan te Ramskapelle aangekomen waar we voor goed de slag aan de Ijzer hebben begonnen door eerst de reeds over de Ijzer gekomen Duitsers, ten koste van zeer veel mensenlevens, terug te drijven.

In dat gevecht zijn voor de eerste maal Senegalezen tussen gekomen.

Senegalezen zijn werkelijk wreedaardige kerels die op sommige ogenblikken geen onderscheid maakten tussen vriend of vijand en die met de dolk tussen de tanden tot de vreselijkste daden in staat waren. Zo heb ik met mijn eigen ogen gezien, nog steeds aldus Frans, dat één van die mannen enkele dagen na deze slag nog steeds met de kop van een Duitser, die hij tijdens het gevecht afgesneden had, in zijn zak rondliep.

Deze eerste slag aan de Ijzer heeft geweldig veel doden gevergd. Overal waar wij kwamen lagen wel honderden lijken en krengen.

Wij waren zodanig afgemat dat wij door het Frans leger afgelost werden en veertien dagen mochten gaan uitrusten om van dan af een vaste sector aan de Ijzer toegewezen te krijgen.

Zo hebben wij vier jaar lang geploeterd en gevochten in water en slijk...”

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:15 Reageer op dit bericht

Constant “Stanne” Van Den Broeck, de Leestse eeuweling, vertelde me in 1983 :

“...Ik ben er in geloot, de oorlog was voor ons een verrassing.

Toen ik werd opgeroepen dacht ik : ’t is maar voor veertien dagen, om weer eens bijeen te zijn...maar ’t was voor vier jaar en half.

Ik was bij de voorlaatste klas die nog werd opgeroepen.

Terwijl de anderen in Namen aan het front streden moesten wij pinnekensdraad spannen tegen dat de Duitsers kwamen.

Toen Antwerpen gevallen was, moesten we weg. Tien dagen mars, te voet, naar Frankrijk. Daar aangekomen werden wij verplicht onze klederen en geweren af te geven, dit om de jonge mannen te kleden die onmiddellijk naar het front trokken.

Amaai mijn voeten als ik daar nog aan denk, toen we in Ouderlick kwamen.

Velen van ons hadden onderweg alles wat hen hinderde weggesmeten, zelfs hun geweer.

Dat was de aftocht !

De soldaten waren hun eigen baas.

Ik ben van de klas 1900 en van de jongere klassen maakten ze compagniën om tracees te graven enzo.

De 5de december 1914 ben ik dan aan ’t front gekomen.

Daar heb ik afgezien, vooral in ’t begin. Weet ge dat ik zes maand op blokken heb gelopen en zonder kapootjas ? En wij waren ook soldaat.

Kou geleden jong, kou geleden.

Jaak De Croes, een andere Leestenaar die ik toevallig aan het front ontmoette, heeft mij toen tenslotte een carabiniersvest bezorgd, alhoewel ik nochtans piot was.

Aan ’t front heb ik veel meegemaakt, veel leed gezien.

Omdat ik bij de Travailleurs was heb ik overal gezeten.

We moesten buiten ’t geschut van de vijand blijven want we hadden geen wapens.

Dag en nacht werkten we aan de tracees, dat was op strategische en dus gevaarlijke punten, herstellen van wegen, nieuwe banen trekken, bomkraters dichtgooien, bruggen leggen...

Terwijl schrapnels en obussen insloegen rondom ons, moesten wij voortwerken.

Soms liep het bloed van mijn handen, doordat ik me steeds moest laten vallen...

Zo heb ik eens twee kamions lijken moeten helpen lossen, waarin per kamion toch zo’n 30 lijken, sommige daarvan met gaten in van een vuist groot, anderen totaal onherkenbaar.

Alle dagen zagen wij lijken. Gruwelijk !

Op zekere dag, de Duitsers hadden de gehele dag geschoten, kregen wij opdracht de gaten van bominsalgen te dichten. Wij op weg van Veurne naar Nieuwpoort.

Net toen wij één put hadden gevuld kwamen er twee Duitse vliegers boven onze hoofden cirkelen en begonnen ons te bekogelen met hun mitrailleurs, ik dacht dat het te Wulpen was, in elk geval wij hebben ons kunnen redden door onder een brug te kruipen.

Een andere dag hadden wij te Veurne wacht aan een Frans schip.

Plots zagen we aan de hemel een bestuurbare ballon van de vijand opduiken maar we mochten er niet naar schieten van onze superieuren. Ineens dropte de ballon bommen naar beneden en één der bommen viel op een huis waas een vrouw werd onthoofd.

Daarvan was ik getuige. Wreed !

Of hij veel schrik had geleden ?

Schrik ? Daar waren er bij met meer schrik, natuurlijk hadden wij momenten met water in ons ogen, vooral als wij aan thuis dachten, maar wij waren wilde mensen...

Bijvoorbeeld als wij ’s nachts gingen melk halen, iedereen die ons dat zou belet hebben was eraan geweest, ook onze officieren. Wij waren wilde mensen hé.

Wij hadden ook geen medicijnen. Als je ziek werd of gekwetst aan het front was dat dodelijk. Er waren totaal geen medicijnen.

Eén keer ben ik licht gekwest geweest.

In een bepaald dorp moesten wij een baan door het land trekken en ineens werden wij beschoten. Wij vluchtten weg en ik liep op zo’n 300 meter van een inslag en een stuk ijzer van een bom boorde zich in mijn bovenarm.

Het was echter een lichte kwetsuur.

Ik stond veel liever op 10 meter van zo’n inslag. Immers die ontploffing vormt een boekee en als je er kort genoeg bij stond had je alleen de beschermende losgerukte aarde. Het ijzer spatte verderweg uit mekaar.

Toen den Duits terugtrok, werden wij, de mannen van de staat, naar Adinkerke gestuurd.

Ik herinner me nog goed dat daar een plakkaat aan de muur hing.

Op dat plakkaat stonden de bevrijde gebieden aangeduid. De mensen uit die gebieden mochten dan naar huis. Behalve wij van de spoorweg.

Ik heb daar nog maanden moeten werken, ook nog na de wapenstilstand.

Immers, Duitsland was gestraft en moest locomotieven naar Adinkerke overbrengen.

Daar ik schilder van beroep was op ’t Arsenaal te Mechelen, werd ik daar weerhouden om mijn werk daar verder te zetten tot februari het jaar nadien.

Twee dagen minder dan vier jaar en half ben ik van huis weggeweest...”

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:11 Reageer op dit bericht

1918 – “...De oorlogsbuit door de Duitsche legers in de gemeente achtergelaten bestaat

            alleenlijk in gevelde bomen, die zich bevinden op verschillende eigendommen.

            Onder andere in den vloeibeemd aan de zennebrug, in den vloeibeemd “de

            Halsbergen” tegen de Zenne en nabij het kasteel de Mot in de Biest.

            Het betreft allemaal canadabomen.” (GA-2/1/1919)

Op defoto : Victoria Coosemans (“Toor”), echtgenote van Jan Huysmans met haar drie kinderen in 1918. Onderaan links Albert, hierna aan het woord en vaak aanwezig in deze Kronieken onder de naam Jacob Albert Huysmans  of onder  zijn pseudoniem Anselms Jedrie, rechts Alfons.

Moeder “Toor” heeft de pasgeboren Constant in haar armen. Deze zou nog drie jaar moeten wachten om zijn vader te zien.                    LEESTENAARS EN DE EERSTE WERELDOORLOG

 

Jacob Albert Huysmans in De Band van april 1981 onder de titel “Onvergetelijks” :

“1914 : Na enkele schermutselingen in ons gewest, naar het einde augustus toe, verhogen de Duitsers, in de streek bezuiden Mechelen, Kapelle op den Bos en Londerzeel, hun overmatige druk tot een ware veldslag, en werden de Belgische Linietroepen, door die pletrol overrompeld of uitgeschakeld...

Meerdere van deze overspoelde jongens bleven alzo van hun regiment gescheiden achter. Dit bracht voor hen en vele families dramatische problemen...

Heel de duur der bezetting hing als het ware het zwaard van Damocles dag en nacht over die mensen...

Van collaborateurs hadden wellicht de Duitsers achterhaalde lijsten van verdachten, en dezen werden thuis meestal ’s nachts onverwachts omsingeld, en van kelder tot zolder uitgekamd.

Zolang het zomer was zochten sommigen ondergedokenen hun heil in de graanvelden... Doch de oorlog ging verder, en bij het naderen van de winter, werden de Duitsers in de Vlaanderen gestuit, en voor de beide tegenstrevers begon het beslechten daar van ’n vierjarigen loopgrachtenstrijd...

 

In de zomer 1915 vond ons moeder op ’n morgen een onder de deur geschoven open brief van onze vader, waarin zijn foto als konvooibegeleider aan het front, en een geheel vol geschreven blad, met aanmoedigingen voor ons allen, en de hoop dat alles weer gauw goed zou zijn... Dat was een ontroerende geruststelling voor ons...

Op een avond, wat daarna, werd er op de achterdeur getokt, en daar komt Gust van den Ossenboer (August Jacobs, zoon van Frans en van Maria Anna Van Loock) binnen, ook een ondergedoken strijder, en zegt : “Toorke, ik ben het die u daar laatst die brief van uwen Jan gebracht heb, als ge soms iets wil terugschrijven zal ik dat morgen komen afhalen. Van af en naar het front worden hier en daar brieven en foto’s van vaders en zonen, langs Holland overgesmokkeld, maar zorg dat gij mij nergens vernoemt. Gij hebt geluk, want al maanden weten wij reeds dat mij broer Louis te Londerzeel is gesneuveld...” (deze sneuvelde op 29/9/1914 bij de eerste schermutselingen)

Jaren achter dien oorlog, heeft Gust eens aan moeder verteld, dat hij die open brieven door zijn broer Frans en Frans Boonen, ook uit de Kouter, toegespeeld kreeg, langs een geheime inlichtingendienst, en hij herinnerde lachend haar schrijven naar vader : hoe blij zij was te kunnen melden dat hij een zoontje had bijgekregen : Constant !

En zij ook had gevraagd welke mengeling zij moest bereiden, om zelf limonade te fabriceren !

Bij het lezen van die brieven, zei Gust, wist ik in mijn schuilplaats mij met de frontmannen en hun thuis wat verbonden.

Toen wist nog maar één vriend mij levend begraven, grinnikte Gust, mijn zusters en broer vermoedden ’t zelfs niet...Dore van Vleeskens, ’n buur uit onze straat, hovenier op het kasteel Empain te Battel, en onderhoudsman van hun graftombe alhier, die had mij daarvan een deursleutel bezorgd...

Op een niet heel duistere avond waag ik mij toch uit den grafkelder, om langs den pastorijtuin, door het achterpoortje het veld te bereiken, en eens naar huis te gaan om wat nieuws... Na genoegzaam uitkijkend stap ik buiten, en zag daarginds, toch mij gezien door pastoor Beuckelaers huishoudster, plots buitengekomen uit de sakristie, die even verschrikt stopt, en dan gejaagd naar de pastorij rent...

Twee dagen nadien bereik ik, nu ongehinderd, den pastorijtuin, en eensklaps roept de spiedende  wat bange juffrouw van achter een heester mij toe : “Och Gust, zijt gij het Gust ?...”

“Ssst...stiller,” vermaan ik..., en ze fluistert : “Kom jongen onze pastoor is niet thuis, kom iets eten en drinken, och arme.” en de juffrouw vertelde mij haar sakristieavontuur : “Ik was,” zei ze, “in de kerk nog wat bloemen gaan schikken en toen ik buitenkwam, zag ik een man uit dien grafkelder komen, en ik stamelde : “Och God, och God...en herhaalde dit nog binnenshuis, en de pastoor vraagt : “Gij hebt toch zeker geen spook gezien ?” – “Neen, maar daar kwam een man uit de tombe van Empain, echt gezien !”

- “Emma ! Houd dat voor u, en zwijg er ook stillekens over tegen anderen ! “ zei de pastoor...Maar ik bedacht, ik wil er meer van weten !”

Alzo, zei Gust, ben ik meermaals daar goed onthaald.”

 

Viktor De Hondt, ook te boek als ondergedoken krijgsgevangene der Duitsers, woonde in het huisje voor de Rennekouter aan de Tisseltbaan. Die man heeft niet te tellen oorlogsdagen en nachten in hun gereinigde aalput doorgebracht...

Binnen het kolenhok had hij hun bouwstenen wc afgebroken en vervangen door een te kunnen wegnemen en terug te plaatsen houten model, en de buitenhuistoegang dichtgemetseld...

Was er verraad, kwam er vreemd of familiebezoek of voelde hij drang naar zekerheid...Viktor dook erin...

Moeder en kinderen wisten dan enkel : “onze vader is aan het front...”

Slechts éénmaal heb ik later Viktor eens iets als klacht horen uiten : “Er zijn ook mensen die geen besef hebben wat een opgejaagd dier moet voelen, wanneer het aan klopjachten tracht te ontsnappen...”

 

In den herft 1918 werden Frans Jacobs en Frans Boonen opgepakt door de Duitsers en verbleven te Mechelen opgesloten, wellicht voor latere deportatie naar Duitse strafkampen, doch zij werden bij den wapenstilstand vrijgelaten...

 

Na nog ’n tijd van deelname aan de bezetting der Duitse Roergebieden, keerden onze Belgische overlevenden naar hun haardstede terug, en stichtten almeteen een oudstrijdersvereniging. Zij zouden hun eerste verbroederingsfeest geven op 11 november 1919...

 

Een jongere broer van Viktor De Hondt, Edward is als groot invalide uit den oorlog gekomen...

Na een Duitse stormloop die door onze jongens was afgeslagen, waarbij aan beide zijden honderden doden en verminkten, werd hij gevonden met een onvermijdelijk, tot bij de knie af te zetten been, en nadien helaas, wellicht bij ontbreken van meerwaardiger materieën, primitief verholpen, met een door riempjes vast te hechten elastische overtrek, waarin een stalen holle stang, met gummi omhulsel, om op te staan en mee te gaan...

Zo zeilde en zeilde Edward : minzaam ongeknakt moedig...   

Dagen voor het feest kwam Warre, met zijn goed been de fiets trappend, tot bij ons, om met mij en onze Fons, nog leergasten, maar hij reeds als vroeger muzikant, elk op ’n trompet, onder leiding van onze vader, samen de krijgshymne te repeteren...

In aanwezigheid van een bijna volle kerk gemeentenaren, begon een dankmis, ter nagedachtenis en als huldebetuiging aan de gesneuvelden...

Voor de kommuniebank, onder de konsekratie, stonden, ik links, en onze Fons rechts, van den op zijn wandelstok zich dapper rechtende Warre van Jonkers, en bliezen gedrieën het “Te Velde”...onvergeetlijk...

 

Vanaf den wapenstilstand was het al begonnen : er raasde ’n volkse vreugderoes in crescendo...

Peer de wagenmaker timmerde een danstent ineen, op zijn woonerf, hoek Tisseltbaan –links Koestraat, met gevolg dat de Leestse kermis in de dorpskom plat ging, en bij Peer, hemelhoog...

Doch enkele jaren later probeerden de Oudstrijders ten voordele van hun steunfonds, de uitbating van een huurdanstent op de Dorpsplaats en het werd een gouden zaak...

-“Nieuwe bezems vagen ’t best”, wist en zei Peer, en hij staakte de strijd...

Onze Oudstrijders van toen weerden zich soms ook, als studentikoze vechtjassen...

Enkelen opperden eens hardop het plan om bij de komende jaarlijkse ommegang van een toen late Sinksenprocessie, en dan kan het heet zijn ! : dat hun ledengroep, omwille hun aan het front gekregen kaalkop, nu bij mogelijke hitte, het hoofddeksel zouden ophouden...’n hoge raad, bedacht dat zij zulks niet in overweging wenste te nemen, en weerkaatste de bal : dat ieder zoiets zelf in eigen verantwoordelijkheid kon beslissen...

Na die stunt was het lidmaatschap wat geslonken...

Edward De Hondt verwierf ondertussen het opengekomen ambt van gemeenteontvanger...

Toen hij eens, voor die taak, naar het posthuis te Hombeek was geweest, en bij het buitenkomen van den Kouter, moest uitwijken voor een kar, raakte hij met den pedaal van zijn moto een boordsteen aan het smal looppad nevens Meulemans’schuur, en stuikte met het hoofd op de kasseien...en is ervan gestorven.

Edward liet een vrouw en zeven kinderen achter...

Oktavie was een meisje uit Aarschot, als vluchtelinge in Engeland beland, en hulpverpleegster in een rustoord voor oorlogsverminkten, en ginds met Warre gehuwd, en beiden vestigden zich na den oorlog, eerst in het oude hoeveke van Verbruggen aan de Tiendeschuurstraat...

Ik hoor Warre nog zeggen : “-Ons Tavie, is ma vie...”

 

Seders 1919 wordt na de dankmis, een hulde, aan den voorkant der rechterbeuk van de kerk, bij den gedenksteen met de namen der gesneuvelden, jaarlijks herhaald...

 

Ik verontschuldig mij, indien soms, in samenhang met voorgaande nog meer “Onvergeetlijk”, tijdens en na die oorlog, zou zijn vergeten...”

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:07 Reageer op dit bericht

1918 – In oktober-november werd door de Duitsers in de Winkelstraat een vliegplein

            aangelegd. De inwoners werden verplicht daarbij te helpen, “verschillende

            hektaren graan en voeder, gelegen op den Kauter werden daardoor vernield.”

            (GA-8/1/1920)   

 

            Op de foto Gerard Somers met zijn paard Juul. Samen hielpen zij bij de aanleg

            van het vliegveld.

            Gerard Somers :

            “Wij koppelden dit paard in een ossespan : twee ossen met het paard in het

            midden. De Duitsers hebben het niet opgeeist, want ze moesten jongere paarden

            hebben, zo mochten wij het behouden.

            Sommige boeren kenden den truuk : ze stuurden hun vrouwvolk met hun paard

            naar de monstering : de Duitsers monsterden de vrouwen en die kwamen met hun

            paard terug thuis...”

            (LG-blz.261)

 

            J.A.Huysmans in DB 1978 “Een rad als telraam”, over het vliegveld :

            “...de kalender wijst nazomer 1918 aan : de Duitsers besluiten in deze streek

            enkele vliegvelden aan te leggen, om van hieruit versterking aan hun linies te

            geven, om een beslissende wending aan het ijzerfront af te dwingen.

            Te Hombeek, bezuiden het dorp bij de Zemstbaan, en te Heffen aan de Leestse

            baan bij de Molenbeek, op beide elk een klein deel.

            Doch aan de Leestse Kouter, heel de vlakte zeker 2 vierkante km.

            Achter de woonerven bij de Winkelstraat, worden 3 loodsen en enkele tenten

            opgetrokken.

            Duitse kontrole eist in onze herberg, wekelijks een voormiddag, voor een

            verplicht zich aanmelden van alle mannen van 18 tot 30 jaar oud.

            Om 10 uur kwamen de opgeroepenen langs de voordeur binnen.

            Meermaals werd iemand zijn als dwarsdoend vergeten pet van het hoofd geslagen

            door de wachtpost.

            Bij het pasnazicht werd menigeen opgevorderd, zich de volgende morgend aan te

            melden op de kommendatur van het Leestse vliegveld, voorzien van spade of

            kruiwagen, voor 7 dagen arbeid van 7 tot 21 uur, bij donkerte bijgelicht met

            stallantaarns, en met dat nieuws kon elk langs de achterdeur naar huis...

            De kommandant, die wat Hollands sprak, had logies op de hoeve van Eceleirs.

            Oktober loopt naar zijn einde als hier reeds een reeks vliegtuigen zijn geland

            en de piloten hebben al enkele oefenvluchten gewisseld tussen de velden...”

 

             ’t Ridderke van november 2010 : Oorlog in de lucht

 

“…Het jaar 1918 was heel bijzonder. Interne tegenstrijd in Duitsland en hoog politiek spel van de legerleiding bespoedigden het breekpunt in de “Groote Oorlog”. De Duitsers konden begin ’18 alle aandacht op het westen richten eens ze het vredesverdrag met Rusland op zak hadden. Om in Frankrijk een militair overwicht te krijgen werd het zogeheten ‘voorjaarsoffensief’ of  Kaiserschlacht ontketend; Dit bestond uit vijf gelijktijdige aanvallen en die veroorzaakten ook verhoogde druk op het Belgische front aan de IJzer. Er was ook luchtsteun. Het vliegveld van Evere bestond reeds maar omdat de vliegradius beperkt was, had men ook vijf vliegvelden in België kort achter de frontlijn. Het geallieerde tegenoffensief was zo hevig dat deze in gevaar kwamen en in allerijl nieuwe vliegvelden moesten aangelegd worden. Die zijn er gekomen in Hombeek en Leest. Men had handen en tijd te kort om veel aandacht te besteden aan een degelijke infrastructuur. De lokale bevolking werd verplicht om mee te helpen bij het aanleggen van de vliegpleinen.

…

Emiel Nuytiens :” dat vliegveld (noot : in Hombeek) lag tegen de Kattestraat en liep verder tot tegen de steenweg en tot aan den Dries. Wij moesten onze eigen schop meebrengen. De paarden waren van de boeren. Het veld was al opgezaaid. Dat werd allemaal vernietigd; Er mocht geen beekje in zijn. Het moest zeer gelijk geweld worden. Dat deden we met paard en wel. De 42 vliegers zijn er geland toen we daar nog aan het werk waren.

…

Het eten was alleen het rantsoen van thuis. De Duitsers betaalden ons wel uit maar het geld moesten we in Leest gaan halen. In Leest waren er 6 vliegers gestationeerd, maar dat was maar een klein vliegveld. In de school waren de mecaniciens van de Duitsers gevestigd en al hun gereedschap was daar.”In de school waren de mecaniciens van de Duitsers gevestigd en al hun gereedschap was daar.”

 

 

1918 – “In de kerk werd in november 1918 een strafcompagnie Duitsche soldaten

            ingekwartierd en het zwarte kerkgewaad werd alsdan weggenomen.”

            (GA-8/1/1920)

 

1918 – Op 2 november overleed te Leest de “Fransche verdrevene” Sophie Sarrazin,

            echtgenote Clovis.

 

1918 – “Bij den aftocht der Duitschers, in 1918, hadden de inwoners veel te verduren

            van die soldaten. Op vele plaatsen namen zij al wat dienstig was aan veevoeder,

            en verstrooiden geheel nutteloos, groote hoeveelheden stroo, hooi, zelfs stool men

            zwijnen in bijzijn der eigenaars, dewelke men bij het minste verzet, dreigde neer

            te schieten.

            Vele soldaten waren bedronken...” (GA-8/1/1920)

 

1918 – Op 5, 6, 7, 8 en 9 november hebben “verscheidene Leestenaars reizen gedaan

            voor het Duitsche leger, met paard en kar, voor vervoer van Leest naar Mechelen

            en van Mechelen naar Diest.” (GA)

 

1918 – 10 november : Op het Middenveld stonden ongeveer een vijftigtal lichte

            verkenningsvliegtuigen opgesteld. (KH-Hombeekse Kronieken)

 

1918 – Op 11 november 1918 werd een Duits bericht op de muren der stad Mechelen

            aangeplakt. Het meldde dat de wapenstilstand getekend was. (MK)

 

1918 – 11 november : De hoeveelheid hooi in de gemeente aanwezig beliep 25.000 kg,

            strooi 200.000 kg en rapen 50.000 kg. (GA

 

1918 – 11 november : Op de dag van de wapenstilstand overleed Constant Hellemans,

            een zoon van koster Louis en van Victoria Teughels.

            Hij was vijftien jaar.

            Hij kroop op de tas om stro naar beneden te gooien voor een koe die door de

            aftrekkende Duitsers was opgeeist. In het halfduister (het was ’s avonds rond

            zes uur) viel hij zelf naar beneden met de eerste bussel.

            Omdat de dokter van Hombeek niet durfde te komen, moest men een beroep doen

            op een Duitse legerdokter uit Heffen.

            Het geval was echter hopeloos : de dokter stelde een schedelbreuk vast.

            Moeder Victoria Teughels kwam deze slag nooit te boven : ze overleed het jaar

            nadien in 1919.

 

1918 – 12 november : Diefstal bij Willem Jan Dagobert Slachmuylders, landbouwer uit

            de Kapellebaan.

            “1 os, 2 stieren en 1 vaarsken werden gestolen”.

            De dieren werden later teruggevonden bij een slachter te “Oxdonck-Sempst”, die

            verklaarde de beesten gekocht te hebben van Duitse soldaten. (PV)

 

1918 – 14 november : Ontploffing te Kapelle-op-den-Bos.

            Op 14 november 1918 om halfacht explodeerde munitie in een treinwagon.

            Twintig personen, jong en oud, kwamen om. Velen werden gewond.

            De Nieuwe Gazet van 18 november 1918 daarover :

            “Daar zij al hun buit niet konden meevoeren verkochten de Duitsche soldaten

            den laatsten dag van hun verblijf te Capellen op den Bosch, in het station al

            wat er in de wagons was opgestapeld, tot meubels toe.

            Een talrijke menigte verdrong zich in ’t gebouw toen plotseling, door een

            onbekend gebleven oorzaak, drie munitie-wagons ontploften, waarbij 20

            kinderen die in de nabijheid speelden, werden gedood en 40 werden gewond.”

 

            Onder de getroffen gezinnen was er twee geboren Leestenaars :

            -Pieter Antoon Verbergt (°Leest 19/11/1862, +14/11/1918) zoon van Filip

            Verbergt en Anna Cornelia Bosman, die samen met zijn echtgenote Veronica

            Houwelijks om het leven kwam.

            Het echtpaar woonde te Kapelle-op-den-Bos, Schuttershof 10. Hij was

            fabrieksarbeider, zij huishoudster

            -Angela Virginia Potums (°Leest 23/2/1871, +14/11/1918), dochter van Jan

            Baptist Potoums en Anna Verdickt. Angela V. Potums was weduwe van Frans

            Filip Peeters.

            Ze kwam om samen met haar man Egied Moens. Hij was staatswerkman, zij

            huishoudster. (’t Ridderke nr.3 1999)

 

1918 – Op 15 november hebben de laatste Duitse soldaten de gemeente verlaten.

            (GA-15/11/1918)

 

1918 – 18 november : Om 11u30 kwamen de eerste Belgische militairen zegevierend

            Mechelen binnen. (MK)

 

1918 – 4 december : De herbergiers Pieter Jan Vanden Eede en Frans Lauwens kregen

            verbod van de burgemeester om “op den 8 en 9de december e.k. in hun huis en

            zaal, bal en danspartijen te houden of te laten houden teneinde moeilijkheden

            en ongemakken te doen voorkomen...”

 

1918 – 13 december : In de gemeente waren er 2 eigenaars van druivenserren : Dhr

            Moyson uit de Kouter en de burgemeester Jaak Bernaerts.

            (uit een brief aan de rechtstreekse belastingen)

 

1918 – 18 december : Uit een brief van de burgemeester aan de Procureur des konings :

            “...de afdeeling van Volksopbeuring was ingericht in de woning van Pieter Jan

            Van den Eede, herbergier en winkelier alhier, dewelke de uitverkoopen van

            suiker, honig, enz. gedaan heeft, met behulp van Felix Polfliet en Lodewijk Van

            Loo..

            Vrouwe Frans Scheltiens Verschueren is betrapt geweest met boterverkoop

            aan een Duitsche soldaat.

            ...Den genaamden Stoop Henricus, moet in 1918, als geleider bij een

            Ottovrachtwagen, gevoerd door een Duitsche soldaat, door een Duitsch officier

            aangehouden zijn te Blaasveld.

            De wagen moest beladen zijn met omtrent 4.000 kg aardappelen  die versmokkeld

            werden. De vracht werd aangeslagen.

            ...Er zijn door de Duitschers gevankelijk weggevoerd en gevangen gehouden

            geweest :

            Boonen Frans Hendrik, landbouwer Kauter en Jacobs Frans Jan Baptist,

            landbouwer ook uit de Kauter, voor welke daden zij te verantwoorden hadden kan

            ik niet opgeven, evenmin weet ik niet wie de verraders geweest zijn.

            Er zijn ook eenige personen als werkloozen naar Duitsland overgevoerd geweest,

            alhoewel de gemeente noch Komiteit nooit de lijst van werklozen willen afleveren

            heeft, hetgene doet veronderstellen dat de namen der werklozen door eenen

            verrader moeten aangegeven geweest zijn...”

 

1918 – Bevolkingscijfer op 31 december 1918 : 1682.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 08:56 Reageer op dit bericht

1918 – Op 14 oktober sneuvelde Alfons Hieckeleers.

            De Belgische aanval waarbij  Jan Geerts was gesneuveld, bleef steken aan de

            spoorlijn Oostende – Torhout – Roeselare.

            Op 14 oktober werd een tweede aanval ingezet, om half zes ’s morgens.

            Om 13 uur werden Handzaeme en Roeselare veroverd.

            Diezelfde namiddag valt ook Cortemark in Belgische handen.

            Daar sneuvelde Alfons Hieckeleers. Hij werd ter plaatse begraven.

            Alfons Hieckeleers was te Leest geboren op 15 juni 1885 als zoon van Rosalie

            Hieckeleers.

            Hij was oorlogsvrijwilliger bij het 10e Linieregiment.

            Een zieledienst ging voor hem door te Leest op dinsdag 4 februari 1919.

            Op zijn bidprentje stond o.a. een citaat van Kardinaal Mercier (Herderlijke Brief.

            van 25/12/1914) :

            “...De Heer bekroont de dapperheid van den soldaat, die, zijn lot bewust, zijn

            leven ten beste geeft om de eer van zijn vaderland te verdedigen en de gekrenkte

            rechtvaardigheid te doen eerbiedigen, en de dood – christelijk aanveerd –

            verzekert zijne zielezaligheid !”

            En verder :

            “...Vaartwel, dierbare Moederen geliefde Zusters, die mij zoo innig lief had, zoo

            gaarne ware ik weer gekeerd om voortaan in uw midden te leven, de Heer heeft

            er anders over geschikt, zijn Heilige Wil geschiede.

            Ik stierf jong, maar gelukkig door het vergieten van mijn bloed medegeholpen te

            hebben voor de vrijwording van ons Vaderland. Mijne laatste gedachte was aan

            U, vergeet mij niet in uwe gebeden. Eens zien we elkander weder in den hemel...”

 

1918 – 15 oktober : De oorlog loopt ten einde. De laatste veertien dagen wordt in

            Hombeek nog een Duits detachement van een bataljon “Minenwerfer” bij

            burgers ondergebracht. Hun opdracht is een noodvliegveld aan te leggen.

            (KH)

 

1918 – 21 oktober : Aan de gemeente werd 1500 mark boete opgelegd wegens

            nalatigheid van haar landbouwers bij de melklevering. Alle betrokken

            landbouwers betaalden deze boete terug behalve Louis De Rooster uit de

            Blaasveldstraat, die weigerde.

            Zijn deel in de boete bedroeg 64 mark.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 08:47 Reageer op dit bericht

1918 – 28 september : Op enkele kilometers van Houthulst, te Klercken,  sneuvelde Jan

            Geerts. De eerste dag van het laatste offensief in de Vlaanders was voor hem

            fataal. De aanval werd die dag op drie punten ingezet : Houthulst, Westrozebeke

            en Passendale.

            Jan Geerts was te Leest geboren op 24 november 1895 als zoon van Karel en

            Melanie Verdickt.

            Hij ging binnen als oorlogsvrijwilliger bij het 20 ste Linieregiment.

            Hij zou te Leest begraven worden op 29 januari 1919.

 

1918 – 30 september : Een speciale aanvraag “tot het bekomen van steenkolen tot

            verwarming hunner serren voor het winnen van bloemkoolplanten, tomaten,

            enz. werd gedaan door :

            -Joseph Vloeberghen, Koeistraat, 4.000 kg voor serre van 21 m lang en 6 m

             breed.

            -Henri Verbeeck, Tisseltbaan, 8.000 kg kolen voor 4 serren, 2 van 24m35 lengte

             op 6 m breedte, 2 van 20 m waarvan 1 op 6 m en 1 op 4 m breedte.

            -Lodewijk De Hondt, 2.000 kg voor 1 serre van 7 m breed op 5 m.

            -Petrus Verbeeck, Koeistraat, 2.000 kg voor een serre van 10 m lang op 6 m

             breed.”

           

1918 – Op 1 oktober verzocht Jaak Bernaerts “den Bestuurder der Rechtstreeksche

            belastingen en kadaster te Antwerpen” om vernieuwing van de kadasterkaarten,

            daar de kadastrale plans der gmeente niet meer konden geraadpleegd worden,

            zonder gevaar voor misslagen.

 

1918 – 10 oktober : Lijst van de schapenhouders der gemeente :

            Weduwe De Laet uit de Kouter : 2 schapen.

            Weduwe Hellemans, Dorp : 2 schapen.

            Weduwe Meulemans, Dorp : 1 schaap.

            Cezar Jacobs, Koeistraat : 1 schaap.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 08:42 Reageer op dit bericht

1918 – 6 september  :

            Te Foverges (Haute-Savoie, Frankrijk) overleed Ivo Fierens.

            Hij was te Leest geboren op 10 augustus 1894 als zoon van Jozef Remi en Maria

            Louisa Jacobs.

            Ivo Fierens diende bij het 12e Linieregiment.

            Op zijn gedenkprentje stond volgende tekst :

            “Met welbehagen zag de Heer op zijnen nederigen dienaar neer die niet op ‘t

            kruis maar op zijne legerstede lijdend uitgestrekt lag.

            Door verduldig zijne pijnen uit te staan deed hij zijne verdiensten ten hemel

            klimmen gelijk geurige wierookswalmen tot uitboeting van ’t zondig menschdom

            en de bevrijding van zijn dierbaar Vaderland.

            Als een rookwolk ben ik heengegaan

            In den bloei mijner jaren

            In ’t begin mijner levensbaan

            Kwam het levensbootje op de rots te varen

            Broeders, Zusters, Kameraden, Vrienden

            Droogt uwe bittere tranen af

            Eens zal ik u hier wedervinden

            En opreizen uit mijne kille graf

            Mijne blanke ziel is heengevlogen

            Vaarwel zeggende aan dit aardsche oord

            En met mijne ouders bevind ik me hierboven

            In des Heeren zalig Sionsoord.

1918 – 7 september : Pieter Jan Van Praet uit de Alemstraat werd door de Zivil

            Kommissaris beboet wegens het niet-inleveren van tabak.

            Hij diende 400 mark boete te betalen.

 

1918 – 16 september : Jan Bt. Van Crombruggen, bakker te Leest, kreeg het bevel

            “tot het houden van een register aanduidende de zelfverbruikersrantsoenen der

            landbouwers en de rantsoenen der personen welke meel krijgen in plaats van

            brood van het Komiteit, hetwelk door de bakkers verbakken wordt.”

 

1918 – 25 september : Met toestemming van de Provinzial-Erntekommission en van het

            Oogstbureel werd de graanlevering van de gemeente verschoven naar 25

            september.

            De gemeente diende dan minstens 35.000 kg te leveren.

 

1918 – 26 september : Wegens niet-leveren van aardappelen, in de week van 16 tot 21

            september, kreeg landbouwer Antoon Stoop een boete opgelegd van 1.000 mark.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 08:39 Reageer op dit bericht

1918 – Op 22 juli sneuvelde Jan Frans Huys op het veld van eer te Nieuwpoort.

            Hij werd daar de dag nadien begraven op het plaatselijke kerkhof.

            Jan Huys was te Mechelen geboren op 11 april 1893 als zoon van Frans Florent

            en Amelie Peeters.

            Hij diende bij het 4de Regiment Carabiniers.

 

1918 – 3 augustus : Bij middel van plakschriften werd in de gemeente volgend bericht

            verspreid :

            “Bekendmaking.

            De burgemeester van Leest, maakt op bevel der Duitsche Overheid kenbaar dat

            bij geval van vervolging van krijgsgevangenen, het aan de bevolking streng

            verboden is, den vluchtende te vergezellen of hem behulpzaam te zijn tot

            ontvluchting.

            Het vergezellen van de vluchtende belet de belast zijnde, hunne

            vervolgingszending waar te nemen, te meer stellen de burgers zich alzoo bloot,

            aan het gevaar van doodgeschoten te worden.”

 

1918 – 20 augustus : De weduwe Apers uit de Herstraat kreeg bevel om haar

            “schurfachtig”  paard aan te bieden te Lier op de Grote Markt.

            Een zellfde bericht kreeg Jan Fierens uit de Bist.

 

1918 – 21 augustus : Vraag van de burgemeester aan de Zivil Kommissaris om een

            geschreven bevel te bekomen tot aflevering van 51 liter afgeroomde melk,

            te leveren door de melkerij van Blaasveld.

            “...de melk heeft gediend tot voeding der aangekomene Franse vluchtelingen

            in de gemeente.”

 

1918 – Op 24 augustus werd Remi Kets met zes stemmen op zes verkozen tot

            hoofdonderwijzer. Zijn jaarwedde : 1.700 fr plus 100 fr bestuursvergoeding en het

            genot van een woning met hof. (GR)

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 08:37 Reageer op dit bericht

1918 – Dat jaar beliepen de kosten aan steen- en andere wegen door het gemeentebestuur

            gedaan 1.263 fr.

 

1918 – In 1918 werd Jaak Bernaerts gekozen tot ondervoorzitter van “ ’t Provinciaal

            Landbouwcommice”.

 

1918 – Begin januari verbleven er te Leest nog 61 vluchtelingen.

 

1918 – 8 janauri : Vlas- en Kloddenvoorraad der gemeente :

           

            Naam                         Aantal kg

                                                Gezwingeld vlas    Vlas  Klodden Vlaszaad

 

Van Den Sande Fr.

Groteheidestraat.                    73                          128        35           32

 

Geerts Alfons

Groteheidestraat                      6                                           2           14

 

Weduwe Van Roosbroeck

Groteheidestraat                      9                                                        10

 

1918 – 8 janauri :

            “...Er zijn schoten gelost geweest door de Duitsche wachtsoldaten op ronde in de

            gemeente, ter plaatse Thisseltbaan, op personen die na aanranding wegvluchten.

            Alfons De Vleeschouwer diende klacht in bij de burgemeester, die proces verbaal

            opmaakte en dit verstuurde naar de kommandant der troepenafdeling 3 te

            Mechelen.”

 

1918 – Dezelfde dag, 8 januari , deed de gemeente opnieuw een aanvraag voor een lening

            “teneinde gedane voorschotten aan te zuiveren”.

            Deze voorschotten dienden tot “inrichting der soepuitbedeling voor de scholen,

            Vluchtelingen en steuningen sedert het begin der maand augustus 1917”.

 

1918 – “...In de nacht van 11 januari werd Jan Hendrik Constant  De Win uit de

            Winkelstraat opnieuw bestolen.

            Een ruim 100 kg wegend varken van 6-1/2 maand oud werd uit zijn varkenshok

            gehaald. Het varken werd, samen met de deur van het hok, 500 m verder gesleurd

            en aldaar geslacht.” (PV van de veldwachter)

 

1918 – 22 januari : Er werden verdachte gevallen van schurft waargenomen in de

            paardenstallen van  Corneel Van den Brande uit de Bist, Polycarpus Verhoeven

            uit de Kapellebaan en Lodewijk Van Aken uit de Kleinheidestraat.

 

1918 – 24 januari : Nieuwe vraag van de gemeente om petroleum en kolen.

            De petroleum was bestemd voor de wacht van de Duitse soldaten op het kasteel

            “de Mot”.

            De kolen voor de weduwe Lauwers, “voor de werking haren stoomgraanmolen.

            De hoeveelheid kolen nodig voor februari wordt begroot op 4 ton, aangezien er

            veel moet gemaald worden voor inwoners van Blaasveld waar geen graanmolen

            bestaat.

            Bij geval dezen voorraad niet kan verkregen worden, dan zal de bevolking van

            Leest en een groot deel van Blaesvelt zonder brood zijn in de komende maandag    

            februari.

            Om het broodgraan te kunnen malen waarmede de weduwe Lauwers belast wordt,

            zou zij maandelijks een kolenvoorraad noodig hebben van 3.500 kg.”

 

1918 – 26 januari : Vraag van het gemeentebestuur aan “de Bestiering van het Wet- en

            Verordeningsblad” om te willen doen opnemen volgende aankondiging :

            “Gemeente Leest – Tijdelijken onderwijzer voor de gemeenteschool wordt

            gevraagd. Wedde en woonstvergoeding 1.350 franks. Onmiddellijk aan te

            vragen.”

            Deze aankondiging verscheen ook in de “Morgenbode”.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 08:28 Reageer op dit bericht

Twee vluchtelingen uit Moorslede :
Clement Masschelein en zijn dochter Valerie.
De foto is genomen te Leest door een Duits soldaat.
(foto : Paul Snoeck)

 

 

 

 

1917 – Op 5 augustus kwamen er te Leest 79 vluchtelingen toe.
           Bijna allemaal waren ze afkomstig uit Moorslede West-Vlaanderen.
           Ze werden geplaatst bij inwoners der gemeente.

 

West-Vlaming Paul Snoeck werkt aan een verhandeling over de vluchtelingen uit Moorslede en bezorgde me, naast de afgedrukte foto van de familie Masschelein-Van Biervliet, in 2014 een (voorlopig nog onvolledige) lijst met namen : 

1.Mylle Gaston uit Moorslede, verbleef bij weduwe Spruyt in de Winkelstraat.

2.Rosseel Elodie uit Dadizele, verbleef in de Tiendeschuurstraat.

3.Sioen Leon uit Moorslede, verbleef in de Tiendeschuurstraat.

4.Van Neste Cyriel uit Meerslede, verbleef in de Winkelstraat nr. 7.

5.Messiaan Flavia, echtgenote van Van Neste Cyriel.

6. Van Neste, dochter van nr 4 en 5.

7.Van Petegem, dochter van…

8.Masschelein Clement uit Moorslede Koekuit.

9.Van Biervliet Eulalie uit Moorslede Koekuit, echtgenote nr. 8.

10.Masschelein Augusta idem, dochter 8 en 9.

11.Masschelein Martha, idem.

12.Masschelein Germaine, idem.

13.Masschelein Valerie, idem.

14.Masschelein Lucien, idem, zoon van 8 en 9.

15.Julia Sioen, gedoopt in Leest 27 oktober 1917.

16. Helena Sioen, moeder (ongehuwd ?) van Julia.

17.Leona Loyson, was getuige bij doop nr. 15.

18.Jules Sioen, was getuige bij doop nr. 15.

19.Renaat Vanwildermeersch, huwde met nr. 20 (woonde in Heffen).

20.Flavia Sioen, huwde met nr. 19.

21. Bruno Sioen, vader van Flavia nr. 20.

22.Fharilde Sioen, moeder van Flavia nr. 20.

23.Philippe Vanwildermeersch, vader van Renaat nr. 19.

24.Mathilde Depoorter, moeder van Renaat nr. 19.

25.Cyrillus Bonduele, getuige op huwelijk nr 20 en 19.

26.Guilliam Sioen, getuige op huwelijk nr 20 en 19.

27. Augusta Vanneste, 1918 communie in Leest.

28.Palmyra Van Peteghem, idem

29. Blanche Christiaens, idem.

30.Melanie Van Dam, 1919.

31. Leona Sioen, getuige doopsel Helena Sioen.

32.Julius Loyson, idem.

33.Germaine Loyson, communie in Leest 1918.

34. Martha Loyson, idem.

35. Martha Sioen, idem.

36.Adriana Van Neste, idem.

37. Maria Van Neste, idem.

38.Alegdis Van Peteghem, idem.

39. Maria Van Peteghem, idem.

40.Palmira Van Peteghem, idem.

41.Georges Christiaens, idem.

42.Walter Christiaens, idem.

43.Marcel Loyson, idem.

44.Jules Sioen, idem.

--Lucien Masschelein, idem reeds vermeld bij fam. Masschelein.

45. Maria Lattrez, communie 20 mei 1919.

46. Sylvia Lattrez, idem.

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 00:00 Reageer op dit bericht

1918 – Op 31 januari ontvingen Victor De Laet (zie foto), Mevrouw Frans De Prins en Joseph

            Verlinden uit de Kouter volgend schrijven :

            “Op bevel der Duitsche overheid zijt gij aanzocht en verplicht op den 2 februari

            1918 om 2 ure namiddags (Duitsche tijd) uw ruinpaard aan te bieden te

            Antwerpen, kaai 28, in de nabijheid der noordstatie.

            Het paard moet voorzien zijn van eene halster met goede koord en moet zijnen

            numero aan den kop hebben op zichtbare plaats.”

 

1918 – 9 februari : In de gemeente werden geschilderde borden uitgehangen waarop de

            verblijfplaats van de Duitse wacht was aangewezen.

            Dit gebeurde in het Dorp, het gehucht de Knip, de Winkelstraat, aan de

            Kauterweg en in de Kapellebaan.

 

1918 – 18 februari : Remi Karel Lodewijk Kets, geboren te Calcken (Oost-Vl.) op 12 juni

            1888, werd benoemd tot tijdelijk onderwijzer in de gemeentelijke jongensschool.

            Hij verving Jan Constant Moons die door ziekte onbeschikbaar geworden was.

            Remi Kets ontving 1.200 fr per jaar plus 150 fr vestingsvergoeding.

            (GR-11/4/1918)

 

1918 – 19 februari : Het aantal bewoners der gemeente beliep 1682.

            Het getal vluchtelingen 60.

 

1918 – 20 februari : Een vermoedelijk geval van schurft deed zich voor bij het paard van

            Pieter Jan Diddens uit de Blaasveldstraat.

 

1918 – 21 februari : De volgende personen kregen van de Duitsers het bevel om hun

            merriepaard op 27/2 e.k. naar Antwerpen over te brengen :

            -de kinderen Buelens, Tiendeschuurstraat.

            -Polycarpus Verhoeven, Kapellebaan.

            -Karel Verbeeck, Tisseltbaan.

 

1918 – 12 maart : Polycarp Verhoeven en Pieter Jan Diddens kregen bevel om op 25

            maart, om 10 u, hunne van schurft verdachte paarden aan te bieden ter keuring

            te Lier, op de Grote Markt.

 

1918 – 14 maart : Elodie Rosseel, geboren te Dadizeele op 26/2/1892 en vluchtelinge uit

            Moorslede, werd naar het “Gasthuis” overgebracht met typhuskoorts.

            Ze was geplaatst in de Tiendeschuurstraat.

            De gemeente Leest droeg de kosten van de verpleging.

 

1918 – Op 19 maart deed landbouwer Karel Lodewijk Van Aken uit de Kleinheidestraat

            een aanvraag om 105 kg zaaihaver te bekomen, dit omdat hij 150 kg haver had

            moeten inleveren.

 

1918 – Op 25 maart verliet Leon Sioen, een vluchteling uit Moorslede, de gemeente om

            vrijwillig in Duitsland te gaan werken.

            Sioen verbleef in de Tiendeschuurstraat.

 

1918 – 11 april : De dokters De Becker uit Tisselt en Van Assche uit Hombeek ontvingen

            volgend schrijven :

            “Op bevel der Duitsche Overheid doen ik u kennen dat alle gevallen van

            aanstekende ziekten door de geneesheren onmiddellijk aan de Duitsche Overheid

            moeten gemeld worden met de Meldekaarten.

            De Meldekaarten zijn verkrijgbaar bij den garnizoenarts te Mechelen.”

            Was ondertekend : de burgemeester van Leest.

 

1918 – Op 2 mei kreeg pastoor Beuckelaers via het gemeentebestuur volgende brief

            besteld :

            Keizerl.Gerecht                                             Mechelen 26-4-1918

            des Kreises Mechelen

            Dagboek nr. 960 III

 

                             Aan het gemeentebestuur Leest

                            t.h. van den heer Burgemeester

 

            Ik heb rede erop te verwijzen, dat over ’t uitgaan van Precessien eene aanmelding

            derzelve niet voldoende is, maar dat daarvoor mijne toelating noodig is, dat de

            dees betrekkelijke aanvragen ten laatste 5 dagen voor ’t plaats grijpen der

            Precessien bij mij moeten ingekomen zijn.

            De burgemeesters moeten de Geestelijken hunner gemeente van dees schrijven in

            kennis stellen.

            Ingeval hier nog brieven inkomen, dewelke aan deze bepalingen niet voldoen, zoo

            zal  ik mijne toelating voor ’t uitgaan der Processien niet meer verleenen.”

            Handtekening is onleesbaar.

 

1918 – 6 mei : Melkhandelaar Lodewijk Frans Polfliet uit de Tisseltbaan werd

            geverbaliseerd door de politiekommissaris van Koekelbergh omwille van de

            verkoop van vervalste melk. Er was water bijgevoegd. (PV)

            Lodewijk Frans Polfliet : (19/12/19)

            “...Ik heb mijne melk dien dag te huis nagezien voor mijn vertrek en al de

            kruiken hadden voldoende gehalte. Ik moet mijne kruiken op den trein in den

            bagagewagen plaatsen en kan dus niet weten of er soms, bij het vervoer, in

            mijne afwezigheid, geene mengeling gedaan is.”

            Zijn kleinzoon Jan Van Rompaey wist te vertellen dat de PV van zijn grootvader
            zonder gevolg werd gelaten omdat hij de Duitse kommandant een haasje kado
            had gedaan...

 

1918 – “...In den nacht van 18 op 19 mei, zijn op het land van vrouwe Frans Lauwers,

            Bist te Leest, uit de putten gestolen, de plantaardappelen op eene oppervlakte van

            8 aren 40 centiaren, ter plaatse Boschveld.”

 

1918 – Op 27 mei kreeg weduwe Bonifacius Lauwers verbod van de Duitsers om

            peulvruchten (erwten, bonen, paardenbonen) te malen.

            Indien zij daarmee betrapt zou worden, zou haar molen onherroepelijk worden

            gesloten.  

 

1918 – 4 juni : Teneinde het stelen en beschadigen bij nacht van aardappelen en andere

            beplantingen te beletten werd een wacht in het leven geroepen.

            41 dorpelingen gaven zich op om deze nachtwacht te verzekeren.

 

1918 – 4 juni : Uit een brief van de burgemeester tot de kontroleur der rechtstreekse

            belastingen :

            “...bij deze doen ik u kennen dat er tijdens den oorlogsduur geene feesten van

            kermissen noch jaarmarkten in de gemeente gehouden geweest zijn.”

 

1918 – 7 juni : Op een verkoopdag te Heffen werden drie Leestenaars betrapt “bij het

            opbieden en kopen van hooi zonder machtiging”.

            Jaak Troch, Lodewijk Frans Polfliet en Joannes Siebens.

            De gezamelijke aankoop werd op bevel van de Duitsers in beslag genomen.

 

1918 – 13 juni : Bij Henri Van Eecke uit het Dorp werd het “tabaksnijmachien”

            verzegeld door de burgemeester, dit op bevel van de Duitsers.

 

1918 – 19 juni : Verdachte gevallen van schurft bij de paarden van Jan Fierens uit de

            Bist en weduwe Apers uit de Hertstraat.

 

1918 – 21 juni : Overlijden van Jan Constant Moons, de hoofdonderwijzer van de

            gemeentelijke jongensschool.

            Jan Moons was te Leest geboren op 19 november 1878.

 

1918 – “...In den nacht van 24 op 25 juni zijn er ter plaatse Kauter, nabij de Winkelstraat

            op het land van Jan Lauwens, aardappelen uitgesteken door 2 dieven, die verrast

            werden door de patrouillerende nachtwacht en de gestelen aardappelen, 35 kg,

            moesten achterlaten.

            Een der dieven is herkend, het betreft de vluchteling Cyriel Van Neste, alhier

            verblijvende met zijn gezin, Winkelstraat nr. 7.”

            Burgemeester Bernaerts verzocht de Ortskommandant te Mechelen om dergelijke

            diefstallen te bestraffen, daar hij zelf niet bij machte was om dit te doen en het

            Belgische gerecht onwerkzaam was.

 

1918 – 1 juli :

            “...De hengsten in de gemeente bestaande, zijn besneden op bevel der Duitse

            overheid, behalve het hengstje (pony) van vrouwe August De Prins uit de

            Alemstraat.”

 

1918 – 4 juli :

            “...De genaamden Coppens Pieter uit Vilvoorde werd heden op heterdaad betrapt

            bij het stelen van aardappelen.”

 

1918 – 6 juli :  Vraag van de burgemeester aan de Duitsers om levering van 1.000 kg

            carbuur, “voor de verlichting van de gemeente, waaronder huizen, gemeentehuis,

            kerk, scholen, enz..”

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 00:00 Reageer op dit bericht

1917 – 3 november : Een spionagenetwerk werd opgezet door de Hombekenaar Louis

            Nuytiens en de Leestenaar  Frans Jacobs. Het bestond er in de legertrafieken  over

            het spoor te noteren. Ze deden dit werk in de herberg “De Leeuw van

            Vlaanderen” te Hombeek, die zeer gunstig gelegen was tegenover de bareel en

            het station. De dochter Trees Stroobants (zie foto) bood hun haar diensten aan.

            Op 8 mei 1918 zou zij echter gearresteerd worden als spionne en op 20 september

            veroordeelde het krijgsgerecht te Antwerpen haar ter dood.

            De familie schakelde relaties in om haar te redden en met de hulp van de gravin

            de Merode kwam ze op 11 november op vrije voeten. (KH)

            Tot de  Leestse tak van dit spionagenetwerk hoorde buiten Frans Jocobs ook

            diens broer Gust Jacobs en Frans Hendrik Boonen, allen landbouwers uit de

            Kouter..

            Gust had een deursleutel van de grafkelder van de Empains op het Leestse

            kerkhof  en hij gebruikte deze locatie als schuilplaats.

            De Leestenaars smokkelden ook brieven naar het front en terug.

            Frans Hendrik Boonen en Frans Jan Baptist Jacobs werden in de lente van 1918

            aangehouden en als spionnen opgesloten in de gevangenis van Antwerpen.

            Eerstgenoemde werd al na enkele weken vrijgelaten wegens ziekte,

            laatstgenoemde kreeg enkele dagen voor de wapenstilstand de doodstraf, maar

            die werd gelukkig nooit uitgevoerd.          

 

1917 – 13 november : Lijnzaadvoorraad in de gemeente :

            Frans Vanden Sande 32 kg

            Pieter Van Roosbroeck 12 kg

            Alfons Geerts 12 kg.

 

1917 – 27 november :

            “...Op het gemeentehuis werden neergelegd door de gendarmeriepost van

            Hombeek, omtrent 20 kg rogge (graan) en 2 pakjes gedroogde tabaksbladeren,

            dewelke volgens hun verklaring in beslag genomen werden bij een vluchteling

            verblijvende in de gemeente, in de Molenstraat.”

 

1917 – 30 november :

            “...De personen hier onder aangewezen worden bericht dat zij op den 30

            november 1917, om 2-1/2 ure namiddag (Duitsche tijd) te Antwerpen, kaai nr.

            28 (nabij de Noordstatie) aan de Duitsche Overheid moeten aanbieden, hunne

            paarden waarvan de nrs hieronder zijn aangewezen.

            De paarden moeten een goed halster aanhebben, waaraan eene 2 meters lange

            sterke touw gehecht, den numero van het paard moet aan het halster gehecht

            zijn.

            Nr. van het paard :

            7 – ruin ; vaal van Spruyt Jan Baptist, Laerestraat.

            23 – merrie; bruin van Scheers Joseph, Tinneschuurstraat.

            26 – merrie; witgrijs van kinderen Buelens.

            75 – ruin, bruin, poney van Verbruggen Eugeen, Thisseltbaan.

            69 – merrie, bruin van Verbeeck Karel.

            223 – ruin, blauwgrijs, van Verhoeven Polycarpus, Capellebaan.

                        Leest, den 28 november 1917.”

 

1917 – 3 december : De kolenvoorraad van de weduwe Alfons Maes was geheel uitgeput.

            De weduwe deed een dringende vraag aan burgemeester Bernaerts die ze doorgaf

            aan de Zivil Kommissaris te Mechelen.

            De kolen moesten dienen tot werking van hare graanmolen.

 

1917 – 3 december :

            “...de woningen in deze gemeente tijdens den oorlog in 1914 afgebrand of

            beschadigd zijn hersteld en in gebruik genomen, ter uitzondering van 2 woningen,

            staande Molenstraat, nrs 2 en 3, waarvan deels de muren nog rechtstaan.

            Deze zijn eigendom van Jan J. Vloeberghen, landbouwer te Leest en

            rechthebbenden...” (GA-3/12/1917)

 

1917 – 6 december : Jozef Selleslagh werd aangesteld als opvolger van de overleden

            Lodewijk Wauters, als nieuwe patentzetter.

 

1917 – 7 december : De wacht van de Duitse soldaten, bestaande uit 13 manschappen en

            gevestigd in Steinemolen, zat zonder kolen.

            Daar ook de gemeente in kolengebrek verkeerde, vroeg de burgemeester de

            Duitsers om levering van 1.000 kg, om 10 zakken hout en 5 liters petroleum.

 

1917 – 8 december : Burgemeester Bernaerts verzocht de Zivil Kommissaris om levering

            van “kussens teekeningen en ander gerief”, voor vijf kantwerksters uit Moorslede,

            die zich het kantwerken kunnen herbeginnen waardoor ze meer loon zouden

            bekomen en ook de aankomende vrouwelijke jeugd het kantwerken kunnen

            aanleren.”

 

1917 – Op 17 december werd Frans De Muyer, “ontsmetter uit Mechelen”, door het

            gemeentebestuur gecontacteerd om het huis van Alfons Apers te komen

            ontsmetten. In dat gezin was een kind overleden aan kroep.

 

1917 – 18 december : Frans Selleslagh, koopman uit de Kapellebaan, kreeg een

            uitnodiging van het gemeentebestuur om op woensdag 19 december

            “Om 9-1/2 ure (torenuur), aankomst van den stoomtram aan de katelijne poort

            te Mechelen, zijn schurfachtig paard tot onderzoek aan te bieden aan Mr

            Colette opziener veearts d.d. provincie Antwerpen.”

 

1917 – 21 december :

            “...8 schriftelijke reklamen zijn ingediend tegen de gedane schattingen op

            tabaksbeplantingen.

            Alle andere tabakplanters der gemeente hebben mondeling gereklameerd

            tegen de schatting van de opbrengst hunner tabakplantingen.

           De plantingen zouden te laattijdig gedaan zijn en de gronden niet erg geschikt

            om opbrengst te leveren, ook zijn vele plantingen niet volwassen geworden en

            door de wind stukgeslagen.” (GA-21/12/1917)

 

1917 – Op 31 december werd Emiel Meulemans, bankbeambte te Leest, benoemd tot

            ontvanger van het plaatselijk Weldadigheidsbureel met 120 fr jaarwedde.

            Frans Joseph De Maeyer volgde Lodewijk Wauters op als gewoon lid.

 

1917 – Einde dat jaar ging de gemeente een lening aan bij de “Spaar- en Leengilde”,

            teneinde verschillende oorlogsonkosten te kunnen vereffenen :

            6.500 fr voor onkosten in de soepbedeling aan schoolkinderen en vluchtelingen.

            1.725 fr voor aankoop van  suiker.

            1.700 fr voor aankoop van geleien en marmeladen.

            2.500 fr voor onderhoud van het wachthuis der Duitse soldaten op ’t kasteel

                      “de Mot.”

            2.600 fr voor wedden en lonen van de gemeentebeambten en onderwijzend

                      personeel.   

            (GA-31/12/1917)

 

1917 – De onderhoudskosten gedaan door de gemeente aan steen- en andere wegen

            beliepen voor het jaar 1917  608 fr. (GA-16/3/1919)

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:54 Reageer op dit bericht

1917 – Op 15 oktober 1917 sneuvelde te Diksmuide aan de Ijzer de Leestenaar Theofiel

            Ferdinand Albert Van Hoof.

            Hij werd geboren te Leest op 11 januari 1892 als zoon van Frans Edward “Sooi”,

            de waard uit “de Groene Linde” op de Dorpsplaats en Marie Louise “Wiske”

            Huys.

            Theophiel was vrijwilliger bij het 6e Linieregiment en werd begraven te Oeren, nu

            Alveringem West-Vlaanderen.

 

1917 – Op 16 oktober diende het gemeentebestuur een naamlijst in van de plaatselijke

            schapenhouders met aangifte van de wolvoorraad.

            Frans De Laet, Jozef Rheinhard, Cesar Jacobs en de weduwen Meulemans en

            Hellemans waren goed voor 6 schapen en 13-1/2 kg wol.

 

1917 – 20 oktober : De gemeente Leest kreeg van de Haverzentrale het bevel tot levering

            van 4.000 kg haver.

 

1917 – 26 oktober :

            “...De Raad, overwegende dat de schaarsheid der huisbrandkolen groot is, besluit

            de gezinnen welke zullen bevonden worden van kolen voorzien te zijn, kunnen bij

            de algemene verdeling van kolen, niets meer genieten, zo lang bij hen voorraad

            zal gevonden worden. Misbruiken zullen bestraft worden.” (GR)

 

1917 – 30 oktober : Aangifte van vlaswinning, in het oogstjaar 1917, werd gedaan door

            volgende personen :

            Frans Vanden Sande, Groteheidestraat 33 aren 700 kg.

            Alfons Geerts, Groteheidestraat 12 aren 100 kg.

            Piet Lodewijk Van Roosbroeck, Groteheidestraat 9 aren 50 kg.

           Samen 54 aren en 850 kg geschatte opbrengst ruw vlas. (GA)

 

1917 – Op 31 oktober kwam er nog een vluchteling uit Moorslede toe. Het betrof Gaston

            Mylle, een landbouwwerkman. Hij trok in bij de weduwe Spruyt in de

            Winkelstraat.

 

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:32 Reageer op dit bericht

1917 – 12 mei : Louisa (Wiske) Van Hoof-Huys landbouwster en waardin van “In de Groene Linde”op het Leestse dorpsplein diende bij burgemeesterBernaerts volgende klacht in :

“...Op 11 mei 1917, omtrentrent 10 uren voormiddag ging mijn zoon Jozef  Van Hoof, landbouwer, naar ons land, en in den Kauter heeft zekeren Edward Coeckelbergh, landbouwer te Leest Dorp, die in den Kauter aan het werk was, zijn zoon toegeroepen, wacht ik moet u spreken. Bij mijn zoon gekomen wilde Coeckelbergh hem doen bekennen dat hij den dader was van de teekeningen en smaad die op de poort van Coeckebergh geschreven stonden.Mijn zoon loochende, en Coeckelbergh heeft verwondingen toegebracht aan mijn zoon zijne hand en aan zijn oor, met een aspergiemes.In de nabijheid waren Frans Boonen, August Spruyt, Jozef Verlinden en Isidoor Vloebergh, allen landbouwers te Leest.”

Burgemeester Bernaerts stuurde de klacht naar de procureur des konings te Mechelen. De afloop is ons onbekend.  

 

1917 – “...in den nacht van 16 op 17 mei is uit het kot van Constant De Wit, landbouwer Winkelstraat, een zwijn van 6 maanden oud, wegende omtrent 60 kilos, gestolen.Uit het vooronderzoek bleek dat het kot bij middel van valsche sleutel moet geopend zijn.

Het dier is op omtrent 600 meters afstand van de woning, in het veld, ingevolge de bevonden overblijfsels, geslacht geworden. Alle gedane zoekingen hebben geenen uitslag van ontdekking gegeven.”
           (Proces-Verbaal van veldwachter Van Hoof)

 

1917 – “In den nacht van 17 op 18 mei was pachter Ferdinand Van der Hasselt uit de Kapellebaan het slachtoffer, althans zijn stierke van omtrent 7-1/2 maanden oud, werd hem ontstolen.”
           (Proces-Verbaal veldwachter Van Hoof)

 

1917 – 18 mei : “...de tarwe, circa 40 aren, van landbouwer Karel Verbeeck uit de Tisseltbaan, is bevroren en zal geene opbrengst geven.

Karel Verbeeck vraagt toelating om die 40 a te mogen beplanten met raapkool.”
           (Brief gemeente)

 

1917 – 26 mei : De schoolhoofden Moons en Hellemans ontvingen volgend schrijven :

“...Ingevolge bevel der Duitsche Overheid moeten alle plakschriften door deze Overheid uitgegeven, gedurende 3 maanden aangeplakt blijven.Ik verzoek u dus, van aan de leerlingen uwer school te willen mededeelen, dat

 alle beschadigingen van plakschriften streng zullen gestraft worden.”

 

1917 – Op 31 mei vroeg de burgemeester aan de Zivil Kommissaris om levering van :

“ 1750 kg carbure voor de verlichting van woningen en 250 kg carbure voor de verlichting van werkhuizen van schrijnwerkers, klompenmakers, smederijen en handelshuizen, en voor de verlichtingen van rijtuigen van melkhandelaars en andere vervoerders.

Voor de verlichting van openbare gebouwen zoals burelen van het gemeentehuis,kabinet des burgemeesters, kerkgebouwen en scholen : 125 kg carbure...”

 

1917 – Juni 1917 : Een Duits bevel over “Wol, matrassen en kussens”, luidde : “...Gij zijt hierbij uitgenodigd de voorwerpen die gij in bezit of in bewaring hebt en die, krachtens de verordening van 23 mei 1917, van den Generaal-Gouverneur en krachtens mijn uitvoeringsbekendmaking van 22 juli 1917 moesten afgeleverd worden, tegen gereed geld al de tot vulsel van matrassen en kussens gebezigde wol, hetzij zuiver of met andere bestanddelen, bv.paardshaar, zeegras vermengd, af te leveren...Wordt aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven, dan zullen de af te leveren wol,     matrassen en kussens door dwang afgehaald en de in gebreke zijnde personen gestraft worden.Tot huiszoekingen zal worden overgegaan.”

De Generaal-Gouverneur van België, Dr von Kohler. (MK)

Te Leest verschenen in juni 1917 plakschriften om opgave te doen van het aantal matrassen.

Burgemeester Bernaerts was de enige die hier op inging. Hij gaf zeven matrassen aan -in wol met paardhaar gemengd.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 00:00 Reageer op dit bericht

1917 – 1 juni : Op bevel van de Duitse Overheid werd Henri De Prins uit de

            Blaasveldstraat verplicht zijn vlas onmiddellijk te bewerken.

            “Ingeval van weigering moet het vlas door het vlasbureau van Lokeren opgekocht

            worden en na de bewerking moet het juiste gewicht ten gemeentehuize

            aangegeven worden...”

 

1917 – Dezelfde dag 1 juni hernieuwde burgemeester Bernaerts zijn dringende vraag om

            kolen :

            “...de kolen zouden moeten komen van de mijn Strepij-Bracquegnies, en per spoor

            tot in Hombeek-Statie.

            Aangezien den kolenvoorraad van weduwe Bonifacius Lauwers, maalderes,

            geheel uitgeput is, en zij het broodgraan der gemeente-inwoners moet malen

            met haren stoomgraanmolen, vragen wij om toelating tot verzending van 15

            ton kolen...

            Moest de verzending voor 15 juni niet gedaan worden, dan zal het grootste deel

            der bevolking in broodnood zijn...”

 

1917 – 7 juni : Om 11 uur zou in het gemeentehuis een vergadering plaatsvinden, waarin

            aan alle Leestse handelaars en winkeliers mededeling zou gedaan worden

            “omtrent de modaliteiten van de voortzetting van hunne handel”.

            Niemand kwam echter opdagen.

            Nochtans had de burgemeester bij middel van plakschriften en via afkondiging na

            de  hoogmis de plaatselijke neringdoeners verwittigd dat er “tot voortzetting van

            hunnen handel, aanvraag diende gedaan te worden”.

            Het betrof hier maatregelen om de woekerij in levensmiddelen tegen te gaan.

 

1917 – Op 9 juni vroeg Corneel De Wit toelating tot het omploegen van 5 are tarwe die

            door de vorst vernietigd was, en deze oppervlakte te herplanten met koolraap.

 

1917 – 14 juni : Aardappeldiefstallen –

            Op het land van Frans Van Roey, tegen de Winkelstraat aan, werden 2-1/2 are

            oppervlakte aardappelen (Krugers) te velde gestolen en op het land van Pieter Jan

            Gobien ter plaatse Rennekouter, 4 are 60 ca (vroege).

 

1917 – 30 juni : Brief van het Gemeentebestuur Leest : Philip Jaak CORTEBEECK,

            geboren Leest 11 april 1878 wonende Koeistraat nr. 8 vestigde zich in ‘t

            gesticht De Cuyper te Stabroek.

 

1917 – In juli werden de landbouwers van Leest verplicht aanmelding te doen

            “wanneer zij beginnen met het dorsen van hun graan...”

 

1917 – 14 juli : Het gemeentebestuur verkocht 20 kg aangeslagen aardappelen aan 22

            centiemen het kg.

 

1917 – Op 26 juli werden op het gemeentehuis 55 aangiften van tabakplantingen

            neergelegd.     

 

1917 – “...Op 1 Oogst 1917 zijn er 669 kilos Soda vervoerd van Willebroek naar Leest.”

 

1917 – Op 5 augustus kwamen er te Leest 79 vluchtelingen toe.

            Bijna allemaal waren ze afkomstig uit Moorslede West-Vlaanderen.

            Ze werden geplaatst bij inwoners der gemeente.

 

1917 – Op 8 augustus werden er te Leest verschillende bomen aangeslagen van volgende

            eigenaars : Weduwe Cnops-Wauters, Notaris Van Melckebeke uit Mechelen,

            Baron de Wykersloot Brussel, Alfons Piessens Leest, Weduwe Vloeberghen en

            kinderen Leest, Baron de Vinck Brussel, Benoit Van Ingelgem Mechelen,

            Graaf de Ramaix Antwerpen, Coemans Mechelen, Montens Antwerpen en

            W. Apers Leest.

 

1917 – 15 augustus : Begin van het zomerverlof  voor de Leestse gemeentescholen en dit

            tot 20 september.

 

1917 – 16 augustus : De burgemeester stuurde een lijst met 98 aangiften van

            tabakbeplantingen naar de Ontvanger der Rechtstreekse belastingen te Mechelen.

 

1917 – Op 21 augustus  stelde veearts Van Passen een vermoedelijk geval van schurft

            vast bij “den poney” van  Louis Van Aken.

 

1917 – 22 augustus :

            “...in de gemeente Leest bestaan er geene lukshonden, wel waak- en trekhonden

            waarop nooit ene belasting is gehouden.”

1917 – 23 augustus : Bevel van de bezetter :

            “...Afgekeurd vlees van noodslachtingen moet onmiddellijk overgebracht worden

            naar de krengbenuttiging.”

 

1917 – Eind augustus werden er eindelijk maatregelen getroffen tegen de nachtelijke

            diefstallen op de velden.

            Burgemeester Bernaerts stuurde een lijst met 50 namen van landbouwers naar de

            Zivil-Kommissaris “dewelke aanvraag gedaan hebben om toelating te bekomen

            om bij nachte de velden te bewaken.”

 

1917 – 12 september  - Aardappelsmokkelaars :

            “...de gemeente Leest heeft heden 400 kg aardappelen aangeslagen.

            200 kg daarvan werden vervoerd door een zekere Jan Frans Verdoodt, wonende

            Pikkerij Hombeek en 200 kg vervoerd door Victor De Boelpaep, wonende te

            Humbeek Dorp.

            Deze aardappelen waren gekocht aan 65 fr de 100 kg.

            Volgens de verklaringen van de smokkelaars hadden zij deze aardappelen gekocht

            bij Petrus Van den Eede uit de Tisseltbaan.”

 

            Daags nadien werden 1150 kg aardappelen aangeslagen.

            500 kg ervan werden vervoerd door een zekere Edward De Boelpaep. Ze waren

            afkomstig van de weduwe Vloeberghen uit de Koeistraat.

            De overige 650 kg werden door de burgemeester aangeslagen bij twee Duitse

            soldaten, die ze vervoerden met een wagen bespannen met twee zwarte paarden.

            De aardappelen waren 25 fr de 100 kg betaald.

 

1917 – 20 september : De Leestse kolenverkopers werden heden ten gemeentehuize

            geroepen, alwaar hen mededeling werd gedaan van de voorschriften der Duitse

            Overheid.

            De kolenhandelaars in die dagen waren :

            Alfons Apers uit de Tisseltbaan.

            Vrouwe Joseph Apers, Mechelbaan.

            Weduwe Laurent Meulemans, Dorp.

            Pieter Van den Eede, Tisseltbaan.

            Karel Van Praet, Tisseltbaan.

 

1917 – 30 september : Te Leest verbleven, vluchtelingen inbegrepen, 310 gezinnen.

 

1917 – Vanaf 1 oktober 1917 werd door het “comiteit” aan de bevolking voedsel

            uitgedeeld : bloem, rijst, vlees en spek uit Amerika “Wilsonspek” genoemd.

            Ook waren er soepbedelingen, deze werden door de gemeente begroot op 20 liter

            per dag en 108 fr per week.

            Om deze onvoorziene onkosten het hoofd te bieden besloot het gemeentebestuur

            een lening van 4.000 fr aan te gaan bij de Spaar- en Leengilde, aan 4% per jaar

            en terug te betalen een jaar na het sluiten van de vrede.

            (GR-26/10/1917)

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:13 Reageer op dit bericht

 

1917 – 31 januari : Pieter Corneel Brugghemans en Henri Van Praet, landbouwers

            uit de Alemstraat, deden aangifte van de verkoop van vlas en klodden aan de

            aangestelde opkoper.

            “...respectievelijk 38 kg vlas (gezwingeld) en 14 kg klodden door Brugghemans en

            23 kg gezwingeld vlas en 15 kg klodden door Van Praet.” (GA)

 

1917 – 1 feburari : Meester Jan Dumont verliet Leest voorgoed en vestigde zich te Evere.

            “...vanuit Leest vertrok hij met 300 kg aardappelen waarvan 100 kg

            plantaardappelen en 8 kg boter, door hem sedert augustus ingezoten.

            Zijn gezin zal te Evere bestaan uit 4 personen...”

            Met zijn patatten vergezelde hem een dankbrief van het Leestse gemeentebestuur:

            “...onzen oprechten dank voor Uwe zoo nauwgezette als eervolle waarneming van

            het ambt van hoofdonderwijzer onzer gemeenteschool, gedurende omtrent veertig

            jaren. Wij zeggen eervol, en met rede, want de opvoeding der jeugd was steeds

            uwe grote bezorgdheid, ook uw school was altijd bij wedstrijden op de eerste

            plaatsen.

            Nogmaals dank dus, en welverdiende rusttijd gunnen wij u van harte nog vele

            jaren...” (GA)

 

1917 – Op 12 februari deed de burgemeester de gemeentescholen sluiten “tengevolge

            van het volkomen gebrek aan steenkolen...” (GA)

 

1917 – 15 februari : Brief tot de Zivil-Kommissaris :

            “...tot antwoord aan uw schrijven, zo doen ik U kennen dat de Vlaamsche taal

            altijd gebruikt wordt in de vergaderingen van gemeenteraad en schepencollege

            en in de andere handelingen en geschriften des bestuurs.

            Dit gebruik is in voege sedert 16/1/1822 en niet eene beraming werd genomen,

            dit gebruik verplichtende daar al de raadsleden alleen het Vlaamsch kundig

            zijn.

            Het Vlaamsch is ook de voertaal in de school, voor de leerlingen der hoogste

            afdeling wordt er weinig Fransche taal aangeleerd.

            Het gemeentebestuur gebruikt nooit de Fransche taal, dan tot beantwoording van

            brieven, uitgaande van gemeentebesturen van de franssprekende streken...”     

 

1917 – Op 16 februari kreeg maalderes “Vrouwe” Alfons Maes schriftelijke machtiging

            van de Ernte Commission tot het malen van graan.

 

1917 – Op 21 februari werden er gevallen van schurft waargenomen bij de paarden van

            August Cnops, Corn. Van den Brande en Jozef Scheers.

            Daarvan stuurde het gemeentebestuur een kennisgeving naar de gemeentebesturen

            van Mechelen, Hombeek, Heffen, Blaasveld, Tisselt en Kapelle o/d Bos.

 

1917 – 23 februari : Burgemeester Bernaerts werd verplicht een maandelijks verslag in te

            dienen over de toestand van de oogst te Leest en ook in de omliggende

            gemeenten.

 

1917 – 24 februari : Te Leest opereerden 35 verschillende “melkopkoopers”, waarvan 14

            Leestenaars. De melk werd uitgevoerd naar Mechelen, Antwerpen en/of Brussel.

            (GA)

 

1917 – 25 februari : De burgemeester richtte een dringend verzoek tot de Zivil

            Kommissaris tot het bekomen van kolen. Als losplaats werd Statie Hombeek

            aangeduid.

 

1917 – 27 februari : “Door de overvloedige regens zijn de aardappelkuilen onder water

            gelopen en de aardappelen verrot.” (Brief Jaak Bernaerts)

 

1917 – 4 maart : Leest sloot zich aan bij de andere gemeenten van “den kreis” Mechelen,

            “tot het doen van gezamentlijken aankoop van levensmiddelen en andere   

            benoodigheden voor de bevolking.” (GR)

 

1917 – Op 6 maart werd bij hoogdringendheid en op bevel van veearts Van Passen, een

            koe afgemaakt “ingevolge een ongeval bij ’t kalven”.

            De koe hoorde toe aan Jn. Jozef Vloeberghen.

            Het vlees is op de vrijbaénk in de gemeente aan de inwoners tegen 2 fr de kilo

            verkocht geworden”.

 

1917 – 13 maart : Uit een brief van Jaak Bernaerts aan het Belgisch Inlichtingsbureeel

            voor Krijgsgevangenen en geinterneerden, Leermarkt 9 te Mechelen :

            “...tot gevolg van uw schrijven doen ik u kennen dat den genaamden Desmedt,

            geinterneerd te Soltan, geene familie heeft in staat hem het tweede pak

            maandelijks te leveren.

            De gemeente zal dus die kosten tot haren last nemen..

            ...dat de ouders der krijgsgevangenen Selleslagh Egied en Van den Heuvel Frans

            in staat zijn het noodige te doen.

            Dat de ouders van Van Steen Theophiel onvermogend zijn, zodat de gemeente de

            bekostiging van het maandelijksche genogide pak dragen zal voor dezen...”

 

1917 – 15 maart : Leest telde 3.482 stuks vee.

 

1917 – Op 24 maart kreeg het schoolhoofd toelating van de Duitse Overheid “de klassen

            te hernemen in onverwarmde lokalen”.

            Tevens werd hem verzocht de klassen tijdens de Paasvakantie open te houden

            om de verloren tijd enigzins goed te maken.

 

1917 – 29 maart : 13 are tarwe van Karel Steenmans uit de Tisseltbaan zijn door vorst

            geheel vernietigd.

 

1917 – 1 april : Zwijnenstand der gemeente Leest : 20 kweekzwijnen, 191 mestvarkens

            en 40 scheutelingen (lopers).

 

1917 – 8 april : Omtrens 16u30 ontstond er brand in het karhuis van Pieter Jan Lemmens

            uit de Scheerstraat.

            Een partij droog hooi en strooi, klein landbouwersgereedschap en 400 kg

            plantaardappelen  werden vernield.

            De oorzaak van de brand bleef onbekend.

 

1917 – 8 april : De “privaatputten” van de gemeentescholen werden verpacht  aan

            Arthur Buelens voor 15 fr per jaar en Jan Publie voor 34 fr per jaar.

            (Repertorium der gemeenteakten)

 

1917 – In de nacht van 9 op 10 april stal men uit de schuur van Frans De Prins uit de

            Alemstraat 200 kg aardappelen, 200 kg graan, 15 kg haver en 50 kg guano.

            Van de daders geen spoor.

 

1917 – In de nacht van 18 op 19 april was landbouwer Scheers het slachtoffer.

            De buit : 400 kg eetaardappelen.

 

1917 – Op 2 mei kwam er een bevelschrift van de Kreischef uit Mechelen waarin hij

            de inlevering eiste van prikkeldraad en effendraad.

            De weideafsluitingen mochten slechts twee draden behouden.

 

1917 – 10  mei : De Duitse Overheid weigerde toelating te verstrekken aan Gaston

            Busschot uit de Blaasveldstraat “tot verkoop en vervoer van 6 liters melk

            dagelijks naar Antwerpen.”

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:06 Reageer op dit bericht

1917 – 11 januari : Jan Constant Moons werd door de voltallige raad benoemd tot

            hoofdonderwijzer in vervanging van Jan Dumont.

            Daarvoor ontving hij 2.100 fr jaarwedde, het genot van een woonst met hof en een

            bestuursvergoeding van 100 fr. (GA)

            Jan Constant Moons was  te Leest geboren op 19 november 1878 en getrouwd

            met de zuster van Constant Buelens.

            Hij woonde in de Koestraat. Amper gehuwd in 1913, overleden beide echtgenoten

            korte tijd na mekaar in 1918.

 

1917 – 16 januari : “...bij de weduwe Vloeberghen, Koeistraat Leest, is heden het

            volgende in beslag genomen en nedergelegd ten gemeentehuize door de Duitsche

            soldaten : 750 kg aardappelen, 450 kg rogge, 75 kg haver en 35 kg meel.” (GA)

 

1917 – 20 januari : De weduwe Spruyt uit de Winkelstraat weigerde 1.450 kg

            aardappelen, bij haar aangeslagen door “Duitsche soldaten Controleurs”, af te

            leveren in het gemeentehuis.

            Als reden gaf zij op “dat zij eerst mijnheer de Zivil-Kommissaris wou spreken.”

            (GA)

 

1917 – 25 januari : Bij Karel Lodewijk Van Aken in de Kleinheidestraat werd 850 kg

            haver in beslag genomen. (GA)

 

1917 – 25 januari : Met negen stemmen op negen werd Victor Jozef Selleslagh verkozen

            tot hulponderwijzer.

            Zijn jaarwedde : 1.200 fr plus 150 fr verblijfsvergoeding.

            Victor Selleslagh was tijdelijk dienstdoende onderwijzer te Tisselt. (GA)

Stan Gobien, zelf hoofdonderwijzer en inspecteur in 1996 in een brochure “Reünie van de Leestse vijftigjarigen” over meester Selleslagh :

“...Meester Selleslagh was ook een speciale figuur. Hij was een rasechte optimist en een filosoof en daarbij een grappenmaker als geen ander.

Tijdens de catechismuslessen kon hij uitspraken doen die geen ander kon nadoen.

Wanneer iemand zijn catechismusles niet had geleerd en toch probeerde een en ander van het antwoord te geven, kon dat natuurlijk niet letterlijk zoals het  in het boekje stond. Was meester Selleslagh in een serieuze bui dan zei hij : “half en half, maar toch niet heel.” Was de meester in een filosofische bui dan werd het een of andere spreuk die voor ons erg aangebrand leek. De hele klas riep dan : “Heu !!!” Nog geen drie seconden later vloog dan de deur open stond meester De Leers daar en hij riep dan : “Wat is dat hier nu weer !!!” of “Is ’t hier weer kermis ???”

Meester Selleslagh trok zich daar niets van aan en koos – toen meester De Leers weg was – een nieuw slachtoffer waarvan hij met zekerheid wist dat die ook zijn catechismusles niet kende. Toen die zijn tekst wat had gebrabbeld en toen het inderdaad kant noch wal raakte, toverde hij een van zijn andere geijkte spreuken uit zijn mond. De hele klas brulde dan nog luider dan voorheen : “Heu!!! Heu !!!” Meester De Leers kwam toen niet meer opdagen. Dat wist de meester en dat wisten wij ook !

Er werd destijds nogal wat kattekwaad in de klas uitgestoken. Meester Selleslagh vloog dan naar de boosdoener. Deze zag de wervelwind naderen en sprong de bank uit en rende tussen de banken door de klas. De meester zette natuurlijk de achtervolging in. De andere leerlingen supporterden en joelden en de meester probeerde de belhamel uit te schakelen door hem bij de kraag te pakken en een pak voor zijn broek te geven. Sommige leerlingen waren hem echter te vlug af en toen hij moe werd van de achtervolging probeerde hij een andere tactiek : hij zou het opgejaagd wild uitschakelen door een rake trap. Velen ons ons hebben op deze manier een trap onder hun achterste gekregen.

Daarna vlogen de stouteriken in de hoek tot aan de speeltijd.
Wij zullen echter nooit te weten komen of meester Selleslagh het echt meende of toneel speelde. Vermoedelijk beschouwde hij het als een toneelspel.

De lei en de griffel bleven nog bestaan, maar in het derde en vierde leerjaar hadden we ook al een kladboek om er onze oefeningen in te schrijven. We schreven nog steeds met een ballonpen, waarmee we hadden leren schrijven aan het einde van het eerste leerjaar.

Ballonpennen moeten er destijds door het Leestse gemeentebestuur met duizenden gekocht zijn en meester De Leers moet hectoliters schoolinkt hebben gemaakt...”

 



1100103-d8f22c03adce64d8ca9909305a66feb4.jpg

1100103-cb403374ec36c39fe6d7bbba39054b82.jpg
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:00 Reageer op dit bericht

 

1917 – Dat jaar was de winter zeer streng. De aardappelen bevroren in de kelders en men

            moest rapen eten om de honger te stillen. In deze winter werd men ook

            geconfronteerd  met de zogenaamde “Spaanse griep” die veel slachtoffers maakte,

            ook in Hombeek.” (KH)

 

1917 – 4 januari : Dertien personen uit de gemeente werden weggevoerd naar Duitsland.

            Het grootste deel zou echter reeds in februari worden weergezonden.

            In het gemeentearchief vonden we daarover volgende gegevens :

 

 Lijst der weggevoerden – Opgeeisten van Leest gedurende de bezetting.

 

A. Weggevoerden naar Duitsland.

 

1. Spruyt August, arsenaalwerkman, Tisseltbaan.

2. Van der Taelen Piet Frans, arsenaalwerkman, Dorp.

3. Rottiers Joseph, arsenaalwerkman, Tiendeschuurstraat.

4. Leemans Willem Lodewijk, staatswerkman, Tiendeschuurstraat.

5. Fierens Emiel,  arsenaalwerkman, Tiendeschuurstraat.

6. Lauwens Antoon Jozef, landbouwer Kapellebaan.

7. Van Muylder Victor, staatswerkman, Kapellebaan.

8. Geerts Alfons Juliaan, landbouwer, Blaasveldstraat.

9. Geerts Corneel Frans, dagloner te Leest, alsmede landbouwer te Tisselt, Moer.

10. Alewaters Karel Lodewijk, landbouwer Tisseltbaan.

11. Teughels Jaak, werkman, Dorp.

12. Geerts Antoon, arsenaalwerkman, Molenstraat.

13. Potoms Lodewijk, verhuisde naar Blaasveld.

 

B.

 

“Boonen Frans en Jacobs Frans Jan Baptist, landbouwers te Leest Kouter, zijn aangehouden geweest als spioenen voor het Engelsch leger, en opgesloten in ’t gevang te Antwerpen.

De eerstvermelde is na eenige weken gevang, tengevolge van ziekte vrijgelaten, de tweede gemelde Jacobs, werd eenige dagen voor de wapenstilstand tot de doodstraf veroordeeld, maar zijn vonnis is niet uitgevoerd.”

(GA-5/10/1920)

 

“Joseph Rottiers, nr. 3 op bovenstaande lijst, was geboren te Opdorp op 16 mei 1887.µ

Hij was spoorbaanwerker bij de staatsspoorwegen en werd door de Duitse bezetter weggevoerd naar het kamp van Soltan, alwaar hij drie maanden verbleef zonder te willen werken. Daarna werd hij overgevoerd naar Elsederutten alwaar hij onder bedreiging van slagen en verhongering gedwongen werd te werken in de steengroeven en ijzerertsmijnen tot 8 juli 1917, dit zonder loon.

Joseph Rottiers  werd weggevoerd omdat hij weigerde voor de Duitsers aan de spoorbaan te werken.

Te uitgeput om nog te kunnen werken, werd hij teruggestuurd naar België.

(GA-13/2/1923)

 

Willem Lodewijk Leemans, nr. 4 op de lijst, werd geboren te Leest op 26/10/1890 als zoon van Antoon en van Maria Clotildis Van den Branden.

Hij zou weerkomen op 8 juli 1917.

(GA-13/12/1922)

 

Voor Antoon Geerts, nr. 12 op de lijst, schreef burgemeester Bernaerts op 6 maart 1917, volgende brief naar de heer Voorzitter van het Meldeambt te Mechelen :

“...Antoon M. Geerts, werkman en wonende Molenstraat nr.8, is op 4 januari 1917 overgevoerd geworden naar het kamp van Soltan (Duitsland).

Hij is gehuwd met Van Kerckhoven Joanna Octavia, oud 36 jaren, en was, bij zijne wegvoering, vader van 4 kinderen, die geboren zijn in 1905, 1907, 1912, en 1913.

Zijne vrouw is op 5 maart 1917 bevallen van een vijfde kind, hetwelk den last van dit gezin nog vergroot en de hulp des vaders in dezen ogenblik vraagt.

Deze weggevoerde is altijd van goed gedrag geweest, goed huisvader, spaar- en werkzaam, en zijne terugzending wordt door zijn gezin en familieleden zeer betracht.

Van eene landbouwersfamilie voortspruitende heeft hij altijd zijne bezigheid in de landbouwerij gevonden sedert den duur van den oorlog.

In de hoop, Mijnheer, dat deze vraag gunstig onthaal verwerve, bied ik u mijne groeten aan...”

 

Julien Geerts, nr. 8 op de lijst, vertelde later zelf :

“Ik vertrok op 4 januari 1917 vanop Nekkerspoel en kwam als laatste van allen terug op 15 juli 1917, na 6 maanden en 11 dagen.

Wie zes maanden had gedaan in Duitsland kreeg na de oorlog een decoratie, ik was er nog juist bij.

We verbleven in het kamp te Soltan. Daar waren de Leestenaars samen, maar om te werken moesten we uit elkaar.

Eerst werd ik tewerkgesteld in een steengroeve bij Melsdorf boven Kiel.

We moesten er kiezel uithalen. Nadien heb ik in een melkerij gewerkt te Mecklenburg en op het laatste zat ik in een houtfabriek te Luneburg waar ze triplex maakten.

Het eten dat we kregen was niet fameus : van die “groene kraag”, beten gelijk we zeggen, gemengd met mosselen of vis ; daar is geen enkele koe die dat gewild zou hebben. Ze gaven ons ook “Choukroute”, witte kolen uit vaten.

We kregen ook pap van zogezegde “gebarsten tarwe”, geen enkele maag wou dat verteren : dat kwam er uit gelijk het er in ging !”.

(LG, blz.264,265)

 

Jan August Maes, tijdens de oorlog in Hombeek wonend, was te Heffen geboren op 18 april 1885. Later kwam hij naar Leest wonen in de Tiendeschuurstraat.

Hij was gehuwd met Maria Jozefina Leemans.

Omdat hij rijwielmaker was, een beroep dat toen onmogelijk uit te voeren was, en bijgevolg werkloos, werd hij op 4 januari naar Soltan gevoerd.

Na drie maanden verplaatste men hem naar Elsederutten tot 26 juli 1917, de dag zijner terugzending naar zijn vaderland.

(GA-6/2/1923)

 

1917 – Op 8 januari richtte de burgemeester een nieuw verzoek tot de Zivil Kommissaris

            omtrent de herstelling van de Zennebrug.

            “...de tijdelijke brug, door de gemeente aangesteld tot doorgang van voetgangers

            op de vernietigde brug, komt in zeer slechten toestand en loopt dagelijks

            onder water, het hout verrot, zodanig dat er ongelukken kunnen uit voortspruiten.

            Kan de nieuwe brug niet kortelings geplaatst worden om de verantwoordelijkheid

            der gemeente te dekken bij ongevallen...”

 

            Dat jaar zou de nieuwe brug er komen. Ze werd gelegd door de Duitsers, de oude

            werd  ontmanteld.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:45 Reageer op dit bericht

1916 – Op 7 oktober nam de burgemeester opnieuw de pen ter hand om een versoepeling

            te vragen van een reeks Duitse verordeningen.

            Zo moest het gerst voor 15 september gedorst worden, de late aardappelen werden

            onmiddellijk opgeeist en de levering van 1/3 van het in te leveren graan werd

            bevolen voor 31 oktober. Tevens moesten de Leestse boeren overgaan tot het

            dorsen van het broodgraan.

            “...de naleving van die verordeningen heeft reeds, -en zal nog schade toebrengen

            aan de landbouwers, en ontreddert de gehele landbouwbewerking, te meer, vele

            landbouwers, -alhoewe niet wederspannig tot naleving der verordeningen en

            bevelen zullen kunnen bestraft worden, alle werken kunnen niet gelijktijdig met

            goed gevolg gedaan worden.

            Door die omstandigheden is de winning der veevoedergewassen veel moeten

            verwaarloosd worden.

            De landbouwers worden aangezet tot het bebouwen en beplanten van alle

            gronden en van den anderen kant worden zij belet, - bijzonder door het bevel

            tot het onmiddellijk graandorschen op dezen ogenblik, - hunne landen tijdig te

            kunnen bewerken en bezaaien...”

 

1916 – 22 oktober : Vergadering in de gemeentelijke jongensschool, Scheerstraat, om aan

            de landbouwers “mededeeling te doen van hunne verplichting van inlevering der

            botervoortbrengst.”

 

1916 – Dezelfde dag 22 oktober, liet de burgemeester “op de gewone plaats na de

            hoogmis” afkondigen, dat alle mannelijke werklozen verplicht waren zich te

            laten inschrijven ten gemeentehuize.

            Burgemeester Bernaerts handelde hier op bevel van de bezetter.

            Herhaalde malen werd hem om een lijst van de werklozen verzocht. Deze vraag

            werd ook aan het plaatselijk “Hulp- en Voedingskomiteit” en aan de pastoor

            gesteld.

            De Duitsers zouder er echter nooit in slagen te Leest zo’n lijst op de kop te tikken,

            de werklozen werden immers naar Duitsland gestuurd.

 

1916 – 25 oktober : De eigenaars van door de oorlog zwaar beschadigde gebouwen,

            ontvingen volgende brief :

            “Ingevolge schrijven van den heer Kreischef van Mechelen, zullen er tot de

            herstelling van oorlogsbeschadigde gebouwen, subsidiën tot een maximumbedrag

            van 15.000 franken, zonder verplichting tot schadeloosstelling of terugbetaling,

            toegestaan worden.

            Bij het schatten der toelagen is in den regel daarvan uit te gaan, dat gij

            inbegrepen de kosten van plansopstelling en van architectenhonoaria, hoogstens

            drijvierden der kosten dekt, die tot herstelling van den eigendom in den toestand

            van zijne beschadiging noodig zijn.

            De aanvragen tot ondersteuning moeten persoonlijk bij den huidigen heer Zivil

            Kommissaris te Mechelen ingebracht worden, die den vrager de nadere beslissing

            zal mededeelen...”

 

1916 – Op 16 november 1916 overleed Jozefina Augusta Selleslagh, geboren te Leest op

            27 maart 1915, aan “tuberculose ontsteking der hersenvliezen”, volgens

            bewijsschrift van dokter De Becker.

 

1916 – Einde november deed de Duitse Krijgsraad in alle steden en dorpen van ons land

            een bericht aanplakken om de werklieden voor hen te doen werken :

            “ Werklieden,

            de Krijgsraad duldt geen werklozen, of onvoldoende bezigheden meer. Wij raden

            aan u als vrije arbeiders aan te geven, om de dag te voorkomen waarop gij zult

            gedwongen worden.”

            In Mechelen verscheen dit bevel op 23 november langs de straten.

            Niettegenstaande deze oproep kwam zich daar niemand aanbieden, ondanks het

            hoge loon dat verder op het plakkaat vermeld stond.

            Enige dagen later verscheen daar een tweede bevel : “alle burgers, zonder

            onderscheid van 17 tot 45 jaar, moesten zich bij de Krijgsraad aanbieden, op

            straf van met geweld naar Duitsland gevoerd te worden...”

            Vanuit Leest zouden zes personen vrijwillig naar Duitsland vertrekken.

            Twee onder hen waren vluchtelingen uit Moorslede die in de gemeente verbleven.

            Dertien Leestenaars zouden verplicht worden tewerkgesteld in Duitsland.

 

1916 – 1 december : De Leestse maalders kregen bericht dat er opnieuw mocht gemalen

            worden, dit van 07u00 tot 19u00.

            Overtredingen zouden worden bestraft.

 

1916 – 8 december  : In de gemeenteraad werd het reglement op het kosteloos

            geneeskundig toezicht in de scholen goedgekeurd.

            Dokter Van Assche uit Hombeek werd benoemd tot geneeskundig opziener in de

            gemeentelijke meisjesschool en dokter De Becker uit Tisselt in de jongensschool.

            De dokters moesten iedere maand de Leestse jeugd onderzoeken en ontvingen

            daarvoor 2 fr per onderzocht kind.

 

1916 – 13 december : De Duitsers zoeken de jonge mannen op om in Duitsland te werk te

            stellen. Alle jongeren moesten op het “Meldeamt” te Mechelen een stempel halen

            voor vrijstelling. De meesten worden afgewezen. Ze hebben nog het recht hun

            aanvraag voor vrijstelling beter te argumenteren en bezwaar in te dienen.

            (Kroniek van de 20ste eeuw – Hoembekania)

 

1916 – Op zaterdag 16 december werden de eerste arbeiders per trein naar Duitsland

            vervoerd. Op maandag 18 en dinsdag 19 december  vertrokken nieuwe lichtingen.

            Vertrekplaats : station van Nekkerspoel.

            Meer dan 1000 personen vertrokken vanuit Mechelen.

 

1916 -19 december : Alweer schurft, ditmaal wat het paard van Louis Van Aken het

            slachtoffer. (GA)

 

1916 – 28 december -  Gemeenteraadszitting : de pensioenaanvraag van

            hoofdonderwijzer Dumont werd gunstig geadviseerd en zijn ontslag werd

            aangenomen.

            Het schepencollege werd gelast tot het bekendmaken “van het open zijn der

            Plaatse” en de ontslagnemende “in naam des Raads, onze oprechte

            dankbetuiging te doen kennen, voor de eervolle en nauwgezette waarneming

            van zijn Ambt.”

 

1916 – De eerste levering van late aardappelen in december bedroeg samen 34.933 kg.

            De tweede 40.495 en de derde 53.804 kg. (GA)

 

1916 – 31 december  : Brief van de burgemeester tot de Provinzial Ernte Kommission,

            Schuttershofstraat Antwerpen :

            “...Martens Louis, landbouwer Bist, zijn graan is uitgegeseld maar niet geheel

            uitgedorscht. Hij heeft een slag gekregen van een paard waardoor hij onbekwaam

            was tot werken.

            Scheers Joseph, Tinneschuurstraat, heeft geheel zijnen oogst niet kunnen

            dorschen. De reden is dat een zijner paarden is opgeeischt door de Duitsche

            Overheid en dat zijn ander paard mankt en in onbruik is.

            Hij dorscht met molen met paardenkracht bewogen.”

 

            Oudere Leestenaars wisten te vertellen hoe sommige boeren, om hun paarden te

            behouden,  zelf deze dieren verminkten,  door een spijker in hun hoeven te

            hameren.

 

1916 – Einde december verklaarde de burgemeester dat er in de gemeente Leest “geene

            werkeloozen bakkers of geen werkeloozen beenhouwers bestonden, de twee eenige

            bakkers zijn noodig tot het algemeen welzijn der gemeente, en de eenige slachter

            van zwijnen in de gemeente die ook landbouwer is, is noodig tot het algemeen

            welzijn.”

            In de gemeente bevond zich ook geen enkele beenhouwer dixit de burgemeester.

            (GA)

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:43 Reageer op dit bericht

1916 – 5 september : Huwelijk soldaat Lansier Louis De Borger (zie foto)

            Omdat Louis De Borger zo’n flinke ruiter was, verbleef hij de ganse oorlogstijd

            in Calais (Frankrijk). Hij moest er de wilde paarden africhten die uit Amerika

            hier toekwamen.

            Enkel het laatste groot offensief maakte hij mee.

            Tijdens de oorlog leerde hij een Frans meisje kennen , Emma Fauquet.

            Hij nam haar tot zijn vrouw op 5 september 1916.

            Na de oorlog vestigde het echtpaar zich te Battel  om  zich uiteindelijk naar

            Sint-Katelijne-Waver te begeven.

            Louis was een zoon van Pieter Frans De Borger en van Maria Elizabeth De

            Maeyer en  de broer van de gesneuvelde Frans De Borger.

            (LG,blz.255)

 

1916 – “In den nacht van 25 op 26 augustus, ter plaatse Scherpenhoring, nabij de limiet

            met Thisselt, zijn er gestolen op het land van Frans Apers, landbouwer van de

             Tisseltbaan, omtrent 15 aren late aardappelen (industrie).” (GA)

 

1916 – 20 september : Verdenking van schurft bij de paarden van de weduwe Spruyt uit

            de Winkelstraat en Frans Apers uit de Tisseltbaan. (GA)

 

1916 – 22 september : Brief van de burgemeester van Leest gericht aan “den Heere Zivil

            Kommissaris te Mechelen” :

            “...bij deze neem ik de vrijheid namens de inwoners der gemeente Leest, aanvraag

            te doen tot het bekomen van herstelling van de brug over de Senne bij den oorlog

            onbruikbaar gemaakt.

            Deze brug gaf aan onze gemeente rechtstreeks verbinding met Mechelen en nu

            moet men met gespan den omweg doen langs Hombeek

            Door oorlogsomstandigheden werd de Zennebrug verschillende malen vernield.

            Een eerste maal in 1914. Drie jaar lang moest men zich behelpen met een

            houten bruggetje.

            Bij laag water kon men er droogvoets over maar bij hoog water liep het

            bruggetje onder en dan werden de mensen “overgedragen”. De “Witte van

            Nagels”  (Louis Nagels, hij woonde op de Warande) deed dit voor een cent.

            (LG,blz.27)

 

            De gemeente heeft, in de mate harer geldmiddelen, enkel in het verkeer voor

            voetgangers over die brug kunnen voorzien, doch door de strooming bij hooge

            watertij is den doorgang over de brug altijd onmogelijk, ook veroorzaakt de

            overstrooming altijd schade en zijn herstellingen te doen.

            Op het grondgebied van Mechelen zijn de verbeteringswerken aan den weg in

            uitvoering op bevel der Duitsche overheid stop gezet geworden en dien weg blijft

            onbruikbaar.

            De bewoners van het gehucht “Warande” onder Mechelen, bebouwen een groot

            deel land op het grondgebied van Leest, en zijn bijna volkomen afgesloten, om

            hunne te bereiken zijn ze verplicht eenen omweg langs Heffen te maken met halve

            vrachten.

            Het benuttigen van den beerput der landbouwmaatschappij te Leest, overzijde der

            rivier, is onmogelijk te bereiken met beerschuiten tot bevoorrading, ten gevolge

            der brugbelemmering.

            Deze toestanden benadelen grotendeels de landbouw- en groenteteelten, de

            bijzondere voortbrengst der gemeente.

            De herstelling der brug in den zin  dergene van Heffen gedaan, zou veel bijdragen

            tot heropbeuring van de landen, die groot gebrek hebben aan voedingsstoffen.”

 



1100087-b513c34a9554bb8edb087814ad019112.jpg

1100087-26bb2203f50d258f26e28e712be760df.jpg
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:38 Reageer op dit bericht

1916 – 16 mei -  Gemeenteraadszitting :

            Albert Pieter Vital Roosen werd lid van het Weldadigheidsbureel benoemd, in

            vervanging  van Mr Pingnet, ontslaggever.

            “...de Raad besluit éénparig, machtiging te vragen om van het Bureel van

            Weldadigheid van Leest te mogen ontlenen, de som van 2.000 franks, aan 4%

            ’s jaars, om te kunnen voorzien in de betaling der wedden van onderwijzers,

            gemeentebedienden en werklieden, onderhoud- en inrichtingskosten van de

            Duitse Gendarmeriewacht, toelage aan het plaatselijke Hulpkomiteit en

            vernieuwing der vernietigde registers van den burgerlijke stand.

            Gemelde som zal terugbetaald worden, één jaar na het sluiten van den vrede.”

 

1916 – 18 mei : De militaire Gouverneur van de provincie Antwerpen doet het bericht

            aanplakken “dat er aan de zwijnen geene aardappelen als voedsel meer mag

            toegediend worden.”

 

1916 – Zondag 21 mei – L’Information (Brussels dagblad) :

            “Sedert enkele weken moeten heel wat arbeiders- en burgergezinnen het zonder

            aardappelen stellen.

            Het is niet omdat wij in België een tekort hebben aan deze knollen maar wel

            omdat hamsteraars er stocks van opgeslagen hebben en de waren slechts willen

            afstaan tegen betaling van buitenissige prijzen.

            Men verkoopt iedere dag, min of meer in ’t geheim, grote hoeveelheden van 60

            tot 65 frank per 100 kg, hetzij 60 tot 65 centiemen per kilo, wat aan deze eerlijke

            zwarthandelaars een opbrengst oplevert van 500 tot 550 percent.

            Is dit geen schandalige uitbuiting ?

            Is dit geen echte diefstal ?

            En dat gebeurt zomaar ongestraft zonder dat de politie er een stokje voor steekt.

            In zulke omstandigheden kunnen alleen de rijken zich veroorloven aardappelen

            te eten en zij die er het meeste behoefte aan hebben moeten het zonder stellen.

            Na de laatste oogst werden er statistieken opgemaakt en, met inbegrip van de

            verzendingen vanuit Nederland, waren er in België voldoende aardappelen tot de

            volgende oogst.

            Men stelde toen een maximumverkoopprijs vast en de weinig of niet begoede

            bevolking verheugde er zich over aardappelen te kunnen kopen aan redelijke

            prijzen. Maar men heeft geteld zonder rekening te houden met de vlugheid van de

            hamsteraars. Deze hielden hun voorraden verborgen en wachten het gunstigste

            opgenblik af  om buitensporige prijzen te vragen.

            Wie triomfeert er nu ? Wie maakt er zich nu rijk ?

            Wie stuurt de vastgestelde maximumprijzen naar de maan ?

            Dat zijn de hamsteraars !

            En iets wat hen dit jaar zo goed gelukt is zullen ze vast en zeker volgend jaar

            herbeginnen.”  (’t Vaartland nr.2-1976)

 

1916 – 2 juni : Burgemeester Bernaerts verzocht de “Oelzentrale”, rue des Colonies 54 te

            Brussel, om levering van “10 liters naphte”, ten voordele van schrijnwerker

            Noldus Teughels.

            De “naphte moest dienen tot in werking stelling van eenen motor, teneinde

            bevolen werk door de Duitsche overheid te kunnen uitvoeren”.

            Dat werk betrof de afsluitingen en versieringen rond de graven van Duitse

            soldaten  op het kerkhof van Leest.

 

1916 – 5 juni :

            “...vanaf heden zal te Leest geraffineerde en broodsuiker verkocht worden aan

            0,95 c per kg en gekristalliseerde suiker en grezen suiker aan 85 centiemen den

            kilogram.

            In deze prijzen zijn begrepen de onkosten van vervoer van Mechelen naar Leest,

            aankoopprijs van papieren zakken en onkosten van uitverkoop.” (GA)

 

1916 – “Op den 12 juni is de brug, uitsluitelijk voor voetgangers bruikbaar liggende over

            de vernielde Zennebrug te Leest, door het overgaan van het paard van Jan Bt De

            Vleeshouwer, landbouwer uit Londerzeek, beschadigd geworden.

            De herstelling kostte de gemeente 13,25 fr, bedrag dat door De Vleeshouwer in de

            gemeentekas dient gestort te worden via Mr Teughels, gemeenteontvanger.”

            (Brief gemeentesecretaris naar gemeente Londerzeel)

 

1916 – 1 juli : De gemeente  Leest betaalde 14 frank uit aan arbeiders van Mechelen voor

            het opgraven van de lijken van Duitse soldaten.

 

1916 – Op 13 juli ontving de weduwe Petrus Frans Alewaters-Van Winghe uit de

            Alemstraat volgend bericht van de burgemeester :

            “...bij deze doen ik u kennen dat volgens de bestaande Duitsche verordening, de

            erfgenamen of naastbestaanden van eenen overledenen, verplicht zijn, van het

            eenzelvigheidsbewijs van den overledene binnen de 3 dagen na het overlijden in

            te leveren op het Duitsche pasbureau te Mechelen.”

 

1916 – De 10de augustus, rond vijf uur ’s morgens, werd de woning  en inboedel van de

            landbouwer Antoon Stoop uit de Kapellestraat door brand vernield.

            De oorzaak van de brand was onbekend.

 

1916 – 17 augustus : “...het is streng verboden aan de Leestse maalders om vanaf heden

            nog graan te malen. De opschorting van het maalverbod zal later medegedeeld

            worden.”

            Dit verbod kwam uiteraard van de Duitse bezetter. (GA)

 

1916 – Op 22 augustus deed Frans Apers uit de Tisseltbaan aangifte van verrotting en

            verdroging van 31 aren aardappelbeplantingen.

            Deze beplanting was gedaan op uitgehakte bosgrond. (GA)

            Karel Selleslagh uit de Alemstraat werd bestolen. Van zijn veld verdween 500 kg

            aardappelen.

 

1916 – Op 22 augustus telde men te Leest 330 zwijnen. (GA)

 

1916 – 24 augustus : Bede van de burgemeester aan de Provinzial Ernte Kommission om

            toelating tot het malen van graan, van het oogstjaar 1915 :

            “...door het sluiten van den stoomgraanmolen in onze gemeente door de Duitsche

            overheid worden het grootste deel der landbouwers belet, dewelke nog oud graan

            in bezit hadden, in hunnen broodvoorraad tot voeding te voorzien.

            Daar de gemeente 6.600 kg meer graan geleverd heeft dan er wezentlijk moest

            geleverd worden zoo is er volkomen voldaan door onze gemeente en het sluiten

            van onze stoomgraanmolen bedreigt ten onrechte de voeding der landbouwers
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:24 Reageer op dit bericht

1916 – Dat jaar vestigde koster-organist Jozef “Jef” Rheinhard (°Mechelen 23/2/1879

            zich met zijn  familie te Leest.

            Jef was voordien koster in St-Jozef Coloma te Mechelen.            

            Jef cumuleerde zijn kostersfunctie met die van bediende te Brussel. Zo kwam het

            dat het uurwerk op de toren altijd een kwartiertje voorliep, want hij moest elke

            morgen twee missen spelen en zorgen dat hij zijn trein haalde in Hombeek.

            Jef Rheinhard was muzikaal begaafd, hij gaf les in Gregoriaanse zang aan de

            Seminaristen en schreef verschillende melodieën o.a. op teksten van René

            Declerck en andere dichters.

            Jozef Rheinhard was gehuwd met Elizabet Diedens (°Mechelen, 17/3/1880)

            die hem acht kinderen schonk waarvan er drie dochters het klooster binnentraden.

            De koster woonde met zijn gezin achtereenvolgens in de Vinkstraat (toen Koestr.)

            in het huis van meester Moons, de latere woning van Peer Spruyt.

            Rond 1920 nam hij zijn intrek in het huis op de Dorpsplaats, waar zijn voorganger

            Louis Hellemans had gewoond. Enkele jaren later verhuisde hij naar Kouter 6,

            in het huis van de familie Wouters (Moyson).

            Jef Rheinhard overleed te Leest op 14 april 1947.

                      

1916 – In 1916 zou Leest voor het onderhoud aan de openbare wegen 854,85 fr

            uitgeven. (GA-16/3/1919)

 

1916 – Begin 1916 telde de gemeente 294 gezinnen (1670 personen) waarvan er

            244  “zelve aardappelen winnen”. (GA-23/1/1916)

 

1916 – Dat jaar werden er verschillende notelaars omgehakt en aan de Duitse

            overheid afgeleverd. Een zekere Emmerechts uit Hombeek zorgde voor

            het vervoer tot Statie-Hombeek.

            De eigenaars van de bomen ontvingen geen ontvangstbewijzen. (GA)

            Notelaars waren zeer gegeerd omdat de Duitsers van het hout geweerkolven

            maakten.

 

1916 – 5 januari : Bij een koe van landbouwer Henri Somers uit de Rennekouter, werd

            door veearts Van Passen mond- en klauwzeer vastgesteld.

            Een doorgangsverbod, langs de besmette plaats, werd op zichtbare wijze

            aangeplakt. (GA-5/1/16)

 

1916 – 8 januari :

            Vraag van de burgemeester om “een grooten voorraad petroleum te

            bekomen tot verlichting van de inwoners dezer gemeente nodig, alsook voor de

            verlichting der wachthuizen der Duitsche soldaten. Aangezien de gemeente geene

            gaz noch elektrieke verlichting hebben, zoo is de verlichting enkel met petroleum

            mogelijk. Getal huizen in de gemeente : 299.”

 

1916 – 19 januari : 

            “...de maalderij van Alfons Maes is onwerkzaam wegens gebrek aan naphte.”

 

1916 – 27 en 28 januari : Nadat Duitse soldaten in de gemeente de hooivoorraden hadden

            nagezien en geschat, werd het te veel bevonden “strooi en hooi”, samen 40.000

            kg, naar Mechelen gevoerd. (GA)

 

1916 – 11 februari : Bij landbouwer Alexander De Nys uit de Scheerstraat werd 700 kg

            rogge aangeslagen. (GA)

 

1916 – 16 februari : Bij verordening van de militaire gouverneur van Antwerpen werd er

            verboden voortaan nog stro van haver en zomerkoren te gebruiken tot strooisel

            der stallen. (GA)

 

1916 – Op 26 februari, 10 dagen later, verzocht burgemeester Bernaerts de Kreitschef

            te Mechelen om winterkoren te mogen gebruiken als strooisel der stallen

            “...aangezien er in de gemeente geen strooisel zoo als turf, loof-, spellen-, heide-,

            brem-, riet-, mos-, houtwol-, schaveling-, noch snoeisel van mast en sparren

            voorhanden zijn...”

            Deze toelating  kwam er op 4 maart.

            De gemeente mocht nog 4 weken, in zuinige mate, “strooi gebruiken als

            strooisel”.

            Burgemeester Bernaerts dankte de “Zivil Kommissaris” namens de inwoners en

            “een gebrek aan stroo, voor strooisel, zal voor de landbouwers een groot verlies

            zijn, wanneer men nagaat welke vermindering van stalmest-, het bijzonderste

            bemestingsprodukt-, zal voor gevolg  hebben.

            Bij gewoon jaar wordt er, boven het overvloedige en krachtige stalmest door

            goede diervoeding verkregen, ’s minstens nog 100.000 kg scheikundige

            meststoffen gebruikt op de nooit vaagliggende landen.

            In gewoon jaar, werd er alhier 1.500.000 kg meel, koek en zovoorts tot

            veevoeding gebruikt en door het gebrek aan dierlijke voedingsmiddelen, is ook

            het stalmest, van veel mindere voedingsgehalte voor de vruchten.

            Het verbod van stroogebruik, als strooisel, zal dus onmiddellijk den ondergang

            der landbouwerij –de eenige hulpbron der gemeente- veroorzaken...”

 

1916 – Op 2 maart stuurde de burgemeester volgende brief naar “den Heere Kreischef te

            Mechelen :

            “...in het begin der maand april van ieder jaar, wordt er door de gemeente

            overgegaan tot het verhuren van het gras, wassende op de zoomwegen der

            gemeentestraten.

            Om alle moeilijkheden te voorkomen ben ik zoo vrij u te vragen of de gemeente

            dit jaar, zoals vroeger, mag overgaan tot de verpachting van dit gras.

            Dit gras wordt gepacht door kleine landbouwers der gemeente die de middelen

            niet bezitten om aankoop te doen in de vloeibeemden.”

 

1916 – Op 17 april “om half twaalf ure voormiddag torenuur in het dorp te Leest”, ging

            de  maandelijke keuring van paarden en eenhoevige dieren,  tegen snot en andere

            ziekten, door. 

 

1916 – 17 april : Een tweede vermoedelijk geval van schurft is waargenomen door

            veearts Van Passen bij een paard van de weduwe Spruyt uit de Winkelstraat.

 

 

1916 – 25 april :

            “Aan den heer Zivil Kommissaris te Mechelen.

            Volgens de verordening der Duitsche overheid, zijn de duivenhouders verplicht

            van, bij het achterblijven hunner duiven daar aanstonds melding van te doen aan

            den burgemeester, met verplichting voor den burgemeester daarvan onmiddellijk

            met bode kennis van te geven aan de duivenkontrool te Mechelen.

            Daar de gemeente zoo ver uitgestrekt is en er geene gemeenteboden voorhanden

            zijn, ben ik zoo vrij Uld aan te vragen of de door mij te doene kennis bij gewone

            brief mag gedaan worden...”

            Getekend : de burgemeester van Leest. (GA)

 

1916 – In mei werd een nieuwe telling van de Leestse veestapel gedaan met volgend

            resultaat :

            paarden : 145

            rundvee : 889

            zwijnen : 208

            schapen (melkschapen) : 11

            geiten : 33

            ezels : 8

            (GA-25/5/1916)

 

1916 – 13 mei : Bij Frans Van den Sande uit de Groteheidestraat werden 1.390 kg rogge

            aangeslagen door Duitse soldaten en geleverd te Mechelen. (GA)

 

1916 – 13 mei : Dezelfde dag bestatigde veearts Van Passen een “vermoedelijk geval van

            schurft bij den poney” van Jan Baptist Van Crombruggen, een bakker uit het

            Dorp. (GA)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:23 Reageer op dit bericht

1915 – Dezelfde dag, 1 augustus, rond 23 uur, brandde de schuur van pachter Willem

            Slachmuylders (Steinemolen) af :

            “ W. Slachmuylders is gewekt geworden door de wacht der Duitsche soldaten

            en heeft bestatigd dat den brand veroorzaakt was  in de manege waar twee der

            Duitsche soldaten sliepen.

            Slachmuylders had aan de Duitsche soldaten verboden in die manege te slapen,

            aangezien er in de kamer, door hem in zijn pachthof afgestaan, negen man kon

            logeren en ingezien het logeren in die manege gevaarlijk was.

            In de logeerkamer was nog plaats genoeg aangezien er slechts 5 soldaten

            logeerden.”

            Een onderzoek werd ingesteld door “den Kaiserlijken Krijgschef van Mechelen”.

 

1915 – Op 7 september stuurde de gemeente een door het schepencollege gekontroleerde

            lijst met 278 schattingen van geledene oorlogsschade aan “den bestuurraad van

            Land- en Tuinbouwkomiteit” te Antwerpen.

 

1915 – 16 oktober : De twee Leestse maalders ontvingen volgend schrijven van de

            Provinzial Ernte Kommission : “...ingevolge schrijven van de voorzitter van de

            P.E.K. van den 9e oktober is het streng verboden graan te malen van personen die

            niet zouden voorzien zijn van geleide brieven A, B of C, afgeleverd door den

            burgemeester. Deze moeten voor het toekomende door de maalders gerangschikt,

            genummerd en als bewijs bewaard worden.

            De maalders moeten een maalboek houden...

            Deze maalboeken zijn verkrijgbaar bij de Provinzial Ernte Kommssion.”

 

1915 – Op 20 oktober leverde de “petrolmaatschappij” van Mechelen 700 kg petrol aan

            het officieel magazijn van de gemeente.

            299 huisgezinnen gebruikten “petrol” voor verlichting.

 

1915 – 9 december – Gemeenteraadszitting : Joseph Vloeberghen werd aanvaard als

            nieuwe “tresorier van het kerkfabriek van den H. Nicolaus.”

            Hij diende wel een borgtocht te storten van 600 fr.

            Zijn voorganger was Piet Eduard Vloeberghen.

 

1915 – Einde 1915 waren er in de gemeente 141 paarden en 1 ezel.

            De gemeente beschikte verder nog over 13.125 kg haver, 81.950 kg hooi,

            208.550 kg eetaardappelen en 479.820 kg plantaardappelen.

            Leest telde 1655 inwoners , er werden 62 intredingen genoteerd.

            De onderhoudskosten aan de steen- en andere wegen beliepen voor 1915

            1241,34 fr. 

 

1916 – De praktiserende geneesheren in de gemeente waren dokter De Becker uit Tisselt

            en dokter Van Assche uit Hombeek.

            Eerstgenoemde deed het geneeskundig onderzoek in de jongensschool,

            laatstgenoemde in de meisjesschool. (GA-8/12/1916)

 

1916 – Dat jaar diende de gemeente 4.736 kg tarwe, 86.574 kg rogge en 110 kg masteluin

            (een mengsel van tarwe en rogge) te leveren aan de Duitse bezetter.

            (GA-5/4/1916)

            “Als aandeel in den aankoop van meubelen en bedden voor het 5e Escadron van

            15 dragonders van het Duitsche leger” betaalde de gemeente 504,20 fr.

            (GA-28/11/1925)

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:17 Reageer op dit bericht

1915 – 6 maart  - Eerste gemeenteraad vanaf de bezetting :

            Aanwezig : burgemeester Bernaerts, schepenen V.Diddens en L. Wauters,

            raadsleden J.B.Verbergt, K.L. Van den Brande, J. Selleslagh en secretaris

            August Van den Bossche.

            “...Overwegende dat er ten aanzoeke van het gemeentebestuur zijn verkocht

            geworden, voorwerpen van vee, tijdens de vluchting verloren, en niet meer

            opgeeischt door hunne eigenaars.

            Dat het voorhanden zijnde in kas, van het plaatselijk hulpcomiteit, tot steuning

            der noodlijdenden gering is, om de noodige dringende behoeften te bestrijden;

            besluit éénparig : machtiging te vragen om het plaatselijk hulpcomiteit eene

            toelaag uit te betalen,  van 1152 fr 60 centiemen, voortkomende van

            bovengemelden verkoop.

            Deze vraag werd goedgekeurd door de Bestendige Deputatie op 9 april.

 

1915 – 6 maart : Twee Blaasveldtenaars hadden zich uitgegeven als officiele

            lijkopgravers.

            Te Leest verklaarden ze belast te zijn om de gesneuvelden die buiten het kerkhof

            begraven lagen, op te graven en in diepere grafkuilen te stoppen.

            Het ging echter om lijkroverij.

            De daders werden later door de Duitsers aangehouden en veroordeeld wegens

            lijkontgraving.

            (GA-22/4/1915 en GA-19/4/1915)

 

1915 – Op 1 juni stuurde de burgemeester een brief gericht aan “Mejuffer Caroline Nees,

            onderwijzeres der gemeente Leest verblijvende te Biervliet Zeeuwsch Vlaanderen

            Holland” :

            “...aangezien ik last heb in het algemeen belang, in het onderwijs der kinderen

            onzer gemeente te voorzien, zoo noodig ik u bij deze uit uwe bediening van

            onderwijzeres als hoofd onzer gemeente meisjesschool zonder langeren uitstel

            te komen vervullen.

            Wordt er aan deze uitnodiging door u geen spoedig gevolg gegeven zoo zal er

            in uwe vervanging moeten voorzien worden daar uwe voortdurende afwezigheid

            en stilzwijgen nadeel aan het onderricht der jeugd veroorzaakt.”

 

1915 – Op 1 juli werd er in de gemeentelijke meisjesschool een tweede klas ingericht.

            De lessen werden er gegeven door Irma Ackermans, een gediplomeerde uit de

            Normaalschool van O.L.Vrouw Waver.

            Haar salaris bedroeg 1.000 fr per jaar.

            Irma Ackermans woonde te Mechelen en was getrouwd met schilder Ghesquiere.

            Ze zou te Leest les blijven geven tot aan haar dood op 21 februari 1933.

 

1915 – 3 juli : Pastoor Beuckelaers ontving volgend schrijven via burgemeester

            Bernaerts van “d’Heer Prasident der Zivilverwaltung der Provincie Antwerpen” :

            “..Het is gebeurd, dat de sleutel van den kerktoren aan eenen Officier, die deze

            tot dienstelijke doeleinden wilde besteden, door den pastoor met de woorden

            geweigerd werd : “Je ne donne pas la permission de se servir de mon église pour

            faire des observations contre mon pays.”

            Deze houding van den pastoor is onaannemelijk.

            Ik verzoek u in evereenstemming met de pastoren uwer gemeente aanwijzing

            te geven, dat de toegang tot de kerktorens ieder tijd aan militaire personen

            toegestaan wordt.

            Ik moet u doen opmerken dat in geval van weigering de toegang met geweld zal

            moeten verkregen worden en tegen de tegenstrevende personen streng zal

            voorgegaan worden.

                          Der Pradisent der Zivilverwaltung, I.A. Bormann.”

 

1915 – 31 juli : De gemeenteraad stemde het reglement op de seizoenverloven der

            gemeentescholen :

            “Artikel 1. De verloven kunnen verleend worden door de schoolhoofden, aan de

            leerlingen van den 3e en 4e graad om hun te laten deelnemen aan de

            seizoenwerken hierna aangeduid :

            a. Voor het planten der aardappelen van 20 maart tot den 20ste april.

            b. Voor steken van aspergiën en snijden van erwten, van 1 mei tot 24 juni.

            c. Voor hooibewerking van 1 tot 30 juni.

            d. Voor inoogsten van aardappelen, van 1 juli tot den 14 augustus.

           

            Artikel 2. De verloven, aan elke leerling verleend in den loop van een schooljaar,

            zullen in geen geval een totaal van 35 dagen mogen overtreffen.

 

            Artikel 3. De aanvragen tot verlof zullen gedaan worden, minstens 24 uren  op

            voorhand, mondeling of schriftelijk, door de familiehoofden die veranwoordelijk

            zijn voor de opvoeding der kinderen.

            ...

            De andere verlofdagen worden bepaald als volgt :

            De groote vacantie van 15 oogst tot den 20 september, de Paaschvacantie van

            witten donderdag tot beloken Paaschen.

            Nieuwjaar, Lichtmis, 2 februari, St Jozef 19 maart, Ons Lieve Vrouwe Boodschap

            25 maart, maandag en dinsdag der kermissen van Sinksen en Sint Nikolaas,

            Ons Heer Hemelvaart, Sakramentsdag, Sint Pieter en Paulus, 21 juli ;

            Onze Lieve Vrouw onbevlekt ontvangen 8 december, Allerheiligen, Allerzielen,

            Sint Niklaas 6 december, gedurige aanbidding 19 december, 1e en 2de Kerstdag.”

            In dezelfde zitting paste men de wedden van het onderwijzend personeel aan.

            Jan Dumont (41 jaar dienst) kwam op 2.700 fr jaarwedde.

            Jan Constant Moons (16 jaar dienst) 2.000 fr.

            Caroline Nees (34 jaar dienst) 2.100 fr.

            Mathilde Hellemans (15 jaar dienst) 1.600 fr.

            Hendrika Troch (4 jaar dienst) kwam op 1.200 fr.

 

1915 – Op 1 augustus maakte de gemeente een lijst op van het “hoornvee en verkens in

            de gemeente bestaand” :

            Er werden 509 melkkoeien geteld, 230 runderen en 237 “mestverkens en viggen”,

            hetzij één derde minder hoornvee en de helft minder varkens dan het aanwezige

            potentieel in vredestijd.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:07 Reageer op dit bericht

Meer van Kronieken van Leest

↑ Terug naar de berichten