Moeder


Ik ken een vrouw , een brave vrouw;
Ze is altijd om me heen:
Ze is vrolijk als ik vrolijk ben,
En treurig als ik ween.
Ze zorgt; ze slaaft; ze werkt; ze zwoegt;
En rust soms dag noch nacht ;
Ze geeft me al wat ik nodig heb;
Ze schud mijn bedje zacht.
Het eerste kusje geeft ze mij
Vroeg in de morgenstond;
De laatste zoen die ’s avonds krijg,
Drukt ze mij op de mond.
En ben ik ziek , dan zie ik wel
In ieder oog een traan,
En haar, trouw zorgend, vroeg en laat
Vlak bij mijn bedje staan.
Wie kent die vrouw, die lieve vrouw,
Die mij zo teer bemint?
Dat is mijn allerbeste Moe ,
En ik, ik ben haar kind!














