En nu naar huis
We nemen terug die doorschijn-lift om de begane grond te bereiken. We moeten ons even oriënteren om de standplaats van de bus terug te vinden. Daar dienden we om kwart voor zes ten laatste aanwezig te zijn.
De avond dient zich aan. De straat is vol menselijke drukte: wellicht worden nog gauw even boodschappen gedaan na het werk. Ik word getroffen door een bedelende vrouw: in een hoek van een huis gedrumd, waarschijnlijk tegen de kou of is het menselijke gêne, reikt ze haar bekertje. Na Käthe Kollwitz kan ik me er alleen ellendig bij voelen.
We stappen flink door. Ook Christel is tevreden van de dag, we zitten allebei overvol. De realiteit van winkelende mensen, verlichte uitstalramen … doet zo onwerkelijk aan. We hebben allebei dorst … daar zal de gezouten vis van deze middag wel voor iets tussen zitten. In een drankwinkeltje kopen we een frisdrank. Dat helpt om terug met beide voeten op de grond te komen.
Op de parkeerplaats aangekomen staan de bussen al op ons te wachten. Goed zo, kunnen we rechtstreeks de bus op en … zitten. Heerlijk.
Daar ik slecht hoor is het voor mij niet gemakkelijk om een gesprek gaande te houden. Gelukkig is er voldoende licht om mijn lectuur van deze morgen voort te zetten. Zo kan ik me op woorden concentreren in plaats van naar een donker wordend landschap te staren.
Christel staat me in Aarschot al op te wachten: haar bus was als eerste terug aan het beginpunt gekomen. We praten nog wat na in de auto, maar veel hebben we elkaar niet meer te zeggen.
Thuis wacht Karel gelukkig op mij in een warme ruimte en met een aandachtig oor. Ik sluit de dag af met een erg goed gevoel. Vooral Käthe Kollwitz blijft nazinderen. Wat een pracht van een vrouw en een grote kunstenares.










