

Collages


Tussen de vellen behangpapier ontdek ik een bijna zwart exemplaar. Daar wil ik wat mee beginnen.
Uit het rechtopstaand vlak snij ik bovenaan drie dwarse vlakken, nog bijna lijnen en verschuif ze een paar centimeter. Onderaan snij ik een vlak uit en teken daarin met écoline twee rode lijnen. Wanneer ik het op het papier lijm vind ik de bovenkant nogal zwaar: zie foto onderaan.
Daarom herneem ik dezelfde vorm, maar verklein de zijkanten van de uitgesneden vlakken aan de bovenkant. Daardoor ontstaat er meer licht, wat ik ademruimte noem.

Kantwerk


Als ik nu eens omgekeerd te werk ga: in plaats van papiersnippers naast elkaar te lijmen ga ik snippers uit papier snijden en zo de tekening laten ontstaan.
Ik neem daarvoor papier dat beschilderd is met zwarte acrylverf. Tekeningen die me niet bevallen om een of andere reden, overschilder ik met zwarte acrylverf, zodat de tekening er onder verdwijnt en ik op de zwarte achtergrond iets nieuw kan uitproberen. Papier verloren laten gaan is voor mij een gruwel. Nu gaat zo’n papier dienst doen. Ik snij langs de bovenkant zodat de snede niet kartelt aan de oppervlakte.
Het resultaat lijkt op kantwerk. Wat zou dat geven op een groot oppervlak? Wellicht iets voor de toekomst.
Snippers


Ooit verzamelde ik een aantal vellen uit een presentatieblok met behangpapier. Vandaag heb ik die verzameling naar mijn tekentafel gebracht: ik wil daar wel iets mee proberen.
Het eerste dat me opvalt, is een dikker vel, feitelijk een dun karton met daarop een foto. Dat trekt me aan. Met een breekmes maak ik wat kleine en grote snippers van dat karton. Nu de lijm erbij en ik kan beginnen. Wat is er nu heerlijker dan terug kind te worden, terug de kleuterklas in. Toen knipten we eerst kleine vierkantjes uit glanzend papier en dan plakten we dat op een tekenpapier of wat er voor doorging, want de oorlog was pas voorbij. Zalige uren voor mij toen en nu.
Ik plak niet lukraak. Ik probeer er een vorm van levendigheid in het geheel te krijgen door de snippers op een bepaalde manier te leggen en door rekening te houden met de kleuren. Het resultaat is leuk om zien. Ook dat is tekenen.
Samenvatting


Eerst teken ik vlakken die lijken op vierkanten. Die verbind ik met cirkels die doorheen elk vlak als weggelaten vorm gaan. Om het geheel wat krachtiger te maken haal ik de écoline erbij en teken twee vierkanten er omheen. Het rode vierkant laat ik voor de getekende vormen uitkomen (rood springt altijd naar voor) het blauwe vierkant laat ik achter de vormen verdwijnen.
Voorlopig heb ik het wel gehad om met lijntjes vlakken te tekenen. Ik ben echt benieuwd waar de inspiratie me naartoe brengt. Wat ik wel weet is dat lijntjes trekken heel rustgevend is: al je aandacht moet naar je pen gaan want een fout(je) is niet meer te herstellen. Daarbij kunnen je gedachten zomaar binnen komen en weer verder gaan tot je uiteindelijk niets meer denkt, alleen maar ademt op het ritme van de lijntjes.
Op de bijgaande foto is de linkerzijde niet helemaal opgenomen: de blauwe zijde van het vierkant ontbreekt. Daar ik deze ontwerpen scan is de oppervlakte die kan gescand worden beperkt. Normaal verlies ik wat oppervlakte van de witte marge. Nu valt de zijde van het blauwe vierkant uit de boot (scan).
Als vlinders


Even iets uitproberen met vlakken die vierkantig aandoen. Ik laat ze elkaar raken maar niet overlappen. Ze zijn als het ware op elkaar gestapeld. Alsof een jongleur aan het werk is. Dat is het leuke bij tekenen of schilderen: het moet niet kunnen in de realiteit van vormgeving en soortelijke massa. De vlakken vul ik op met verdunde Oost-Indische inkt. De lijnen trek ik met dezelfde verdunde inkt. Daardoor wordt de tekening zachter.
Strenger en luchtiger


Ik blijf een beetje voortborduren op dat repenwerk. Nu meet ik de repen af met de lat: alle repen even groot en ook zo voor de overlapping. Nu breng ik er meer licht in, door de repen schuin in elkaar te laten overlopen. Op een bepaald moment doet het me denken aan oude filmrollen, waarom weet ik ook niet zo direct. Hoef je nu alles te ‘weten’? Voor mij is het voldoende intens te genieten van elk streepje dat ik trek. Natuurlijk denk ik na waarom ik op een bepaalde manier reageer: emotioneel, met dingen te doen. Maar weet een mens altijd waarom dat zo is? Zolang de gevolgen niet te navrant zijn voor de omgeving dobber ik verder en teken.
Repen


In de vorige tekening laat ik de vlakken in elkaar overlopen zodat ze aan elkaar vast zitten. Dat brengt me naar deze tekening: ik laat de lijnen in elkaar overlopen zodat een afbakening ontstaat. Het doet me denken aan het aanbrengen van een verband bij een kwetsuur. Wel laat ik de overlapping naar boven toe minder streng en dunner worden met een kortere afstand tussen de repen.
Het geheel doet me ondoordringbaar aan, net of alleen de buitenkant mag gezien worden.
Tussendoor


Ik verlaat de vraagstelling van het vlak niet helemaal, maar willen tussendoor wel iets anders uitproberen. Ik teken enkele vlakken op het witte tekenpapier en vul ze op met lijnen waarin beweging zit. Die grillige vlakken hoeven geen randlijnen daardoor krijgt het resultaat iets speels. Wellicht loont het de moeite om daar later eens mee aan de slag te gaan. Nu wil ik bij het ‘vlak’ blijven.
Verder met de cirkel


Ik gebruik de passer niet om cirkels te trekken want daardoor ontstaan putjes in het papier, dus behelp ik me met materiaal dat ronde vormen heeft: potjes, borden. Ik teken eerst het werk met potlood, nadien ga ik er dan met de vrije hand over om de tekening om te zetten naar Oost-Indische inkt. Het lukt niet zo goed: het zou sterker zijn indien de cirkellijn perfect getrokken wordt. Zo leer ik al doende de problemen kennen en zoeken naar een oplossing.
Ik werk met twee soorten geel: donker geel en citroen geel. Waar de vlakken elkaar overlappen gebruik ik een mengeling. Wellicht zou de tekening sterker zijn mochten de lijnen van de vlakken dikker zijn, maar omdat dit het probleem van de cirkellijnen nog duidelijker zal stellen, laat ik het maar zo.
Op zoek naar soberheid


Dan wil ik terug naar mijn beginvraag: wat kan ik met een vlak aanvangen. Om dat uit te proberen moet ik zo sober mogelijk werken. In vorig werk zaten verschillende cirkels, nu probeer ik het met één cirkel. De cirkel staat een beetje uit het midden weggeschoven, daardoor ontstaat er een zekere spanning: waar wil die cirkel heen? De lijnen van het basisvlak staan nu dichter bij elkaar, zodat de geel gekleurde cirkel, half verscholen achter de lijnen, iets geheimzinnigs krijgt.
Het werk heeft een compactheid verkregen en daar hou ik wel van. Wanneer ik een dergelijk werk gemaakt heb voel ik me opgeladen, ik heb weer mijn drive gevonden. ’s Avonds voor TV maak ik schetsen van ontwerpen die bij me opkomen: ik zet vlug iets op papier, zodat ik ’s anderendaags de schikking van lijnen en vlakken kan gebruiken voor een nieuw werk.
Nog even met dikke en dunne lijnen werken


Ik wil toch nog wat experimenteren met dunne en dikke lijnen en er meteen ook vlakken en kleuren inbrengen.
Het wordt een drukke bedoening. Het helle geel vraagt om aandacht en de cirkels vragen om aandacht. Gelukkig dat de zware achtergrondlijnen nog witte ruimte laten, zo krijgt het geheel nog iets van speelsheid.
De inspiratie komt terug


Vreesde ik enkele dagen terug dat mijn inspiratie weg was, nu stroomt ze in overvloed. Ik zou dag en nacht willen werken, maar dat weigert mijn lichaam. In elk geval vullen beelden mijn bewustzijn en stap ik ’s morgens met plezier uit bed om zo snel mogelijk mijn plaats achter de tekentafel in te nemen.
Nu probeer ik het effect van dikke en dunne lijnen uit: het is alsof de dunnere lijnen uit het geheel van dikke lijnen getrokken worden. Doordat er een dun wit vlak ontstaat komt er ruimte in het werk. Ik heb met een brede pen gewerkt, maar dat lijkt geen goede oplossing. De zijkanten zijn teveel gekarteld. Beter zou ik werken met een gewone pen. Eerst de omtreklijnen trekken en dan met een penseel het middenvlak opvullen.
Nu zonder kleur


De vlakken dwars over het blad en daartussen lijntjes. In feite een zeer eenvoudig ontwerp. Maar juist die soberheid trekt me aan. De witte vlakken doen de tekening ademen.
Ik maak nu oefeningen of ontwerpen die volgende maanden op een groot blad uitgewerkt worden voor mijn eindwerk. Ik weet natuurlijk niet of dit ontwerp hetzelfde effect zal hebben op een papier van ongeveer 50 x 60 cm.
Vlakken


Wanneer ik me terug wat ingetekend voel, wil ik me op het ‘vlak’ concentreren. In een eerste voorzichtige poging laat ik de lijntjes nog voldoende ruimte. Ik ervaar plezier bij het lijntjes trekken. En daar is het toch om te doen.
Om het geheel af te ronden haal ik de écoline boven: restjes van de schooltijd van de jongste zoon. Het felle geel en een vaag groen doen dienst. Het verrast me dat de tekening plots veel levendiger wordt.
Terug naar de tekentafel


De vernissages zijn nog niet goed voorbij of de eindejaarsfeesten (drie) en de buurtfeesten (twee) komen er aan. Natuurlijk wil ik geen van die feestjes missen, maar als die allemaal op één week plaats vinden, dan weet je dat wel nadien. Ik voel me zowat sociaal geradbraakt.
Gelukkig dient de vakantie zich nu aan en kan ik me terugtrekken achter mijn tekentafel. Geen betere plaats om te bekomen van al die uithuizigheid. En omdat het voortdurend regent of dreigt te regenen voel ik geen behoefte om in de tuin te werken, zodat ik me vol overgave kan concentreren op een blad tekenpapier en Oost-Indische inkt. Wat zachte muziek als achtergrond en ik voel me ruim verzoend met het leven.
Ik maak eerst wat inleidende oefeningen, om terug voeling te krijgen met de tekenmaterie. Gewoon lijntjes trekken helpt om de concentratie op te bouwen en dat is nodig. Over twee maanden begin ik mijn laatste jaar tekenen en maak ik daar een eindwerk. Nu leef ik met het aanvoelen over geen inspiratie meer te beschikken. Niet dat het lijntjes trekken me terug op mijn tekenvoeten zet, maar ik beleef het als een vorm van meditatie en stilaan voel ik het ‘buitengebeuren’ wegzinken.
Op zoek naar rust in mezelf zal ik de inspiratie wel tegenkomen, dat hoop ik.
Kijken 2 - Rudi Fuchs


Kijken 2
Een leesboek
Rudi Fuchs
Rudi Fuchs, geboren in 1942, heeft een goed gevulde loopbaan. Hij studeerde kunstgeschiedenis en na zijn afstuderen bekleedde hij in verschillende musea directiefuncties, was hij gastconservator van verschillende tentoonstellingen en schreef hij als kunstcriticus voor het Eindhovens Dagblad; daarna werkte hij als columnist voor De Gids en NRC-Handelsblad. Ondertussen schreef hij boeken over o.a. Appel, Rembrandt en de Nederlandse schilderkunst.
Sinds 2009 schrijft Rudi Fuchs stukjes in De Groene Amsterdammer over kijken naar kunst. Een eerste verzameling van deze stukjes verscheen in 2011 in ‘Kijken’. Een tweede verzameling verscheen nu in april 2013.
In ‘Kijken 2’ neemt Fuchs de lezer mee langs verscheidene musea. Hij probeert te beschrijven hoe hij naar de kunstwerken kijkt. Hoe is zo’n werk opgebouwd? Hij probeert verfstreep na verfstreep te ontcijferen om te ontdekken hoe de schilder te werk is gegaan. Niet alleen laat hij de lezer meegenieten van de technische opbouw van een werk, evenzeer stelt hij de vraag wat de kunstenaar inspireerde om een werk op die specifieke manier op te bouwen. Meteen krijg je dan wat kunstgeschiedenis mee: wat is kenmerkend voor de visie van een bepaalde periode op een kunstwerk.
Hij weet de lezer te boeien vanaf de eerste bladzijde. In een vaak speelse taal en met een ontspannende humor, leidt hij de leek naar de wereld van het kijken naar kunst.
Meestal gebruikt hij reproducties van twee kunstwerken. Omdat het ene kunstwerk bij hem het beeld van het ander oproept en hij daardoor beter uitgelegd krijgt wat hij bedoelt of omdat de twee werken elkaar versterken of omdat hij de lezer in een werk wil inwijden waarbij dat andere werk kan dienst doen als opstapje. Daarbij plaats hij vaak werken uit verschillende periodes naast elkaar: een ‘Mater Dolorosa’ uit 1510 en een werk van Domenico Bianchi van 2011. Wat kunnen die twee gemeen hebben? Dan vergelijkt Fuchs het lijnenspel van Bianchi met de Mater Dolorosa: ‘Kijk bij Bianchi nog eens naar dat wankele motief in het beweeglijke blauw en volg dan, met dezelfde aandacht voor kleine en sierlijke beweeglijkheden, de vloeiende, donkerblauwe contour van Maria’s sluier en mantel en kijk naar de plooien van haar onderkleding. Wat hier bijwerk lijkt, rondom dat verstilde gezicht, was voor de kunstenaar, denk ik, het eigenlijke hoofdwerk.’ (p. 99)
Fuchs pretendeert in zijn stukjes niet dat hij de definitieve ‘waarheid’ formuleert. Hij nodigt gewoon uit om met hem mee te kijken, hem even te volgen in de associaties die de werken bij hem oproepen, om hem te volgen in de mogelijkheden die hij aftastend de kunstenaar toebedeelt. Het is een eigenzinnige wijze van naar kunst te kijken, maar als lezer geniet je van zijn originele invalshoeken. Hij brengt ook teksten aan of verwijzingen naar kunstenaars uit de literaire wereld. Daardoor kan je beter invoelen wat een kunstenaar in een bepaalde periode zocht door op die bijzondere wijze te werken. Bij een doek van Edouard Manet ‘De pier van Boulogne-sur-Mer’ van 1868: Hij had geen topografische interesse, hij was een heel andere realist namelijk, van het toevallig vluchtige dat een kenmerk was van de modernité zoals die, in 1863, in Le peintre de la vie moderne werden beschreven door Baudelaire, die een vriend was van Manet. Maar hoe je dat moet schilderen, die moderne blik op het leven, moest eerst worden uitgevonden. Op dat gebied was Manet, een nerveuze voorganger van de impressionisten, een echte pionier (p.201).
Het is een ‘leesboek’ maar ook een ‘kijkboek’. Wanneer je het lezen en kijken met aandacht doet, komt er een wereld op je af van puur genieten. Natuurlijk is dit geen boek om in één keer uit te lezen. Integendeel. Het is een boek dat lang op de leestafel mag liggen om het bij gelegenheid ter hand te kunnen nemen en nog maar eens met Rudi Fuchs op weg te gaan naar een volgend museum of een volgend werk. Ondertussen geniet je dan van zijn ‘taal’. In de beschrijving van twee werken van Saenredam ‘De Mariaplaats met de Mariakerk in Utrecht’ van 1659 en ‘Mariaplaats en Mariakerk in Utrecht’ van 1662 laat Fuchs je even binnenkijken bij zijn werk als schrijver: ‘Waarom zo? Omdat hij, schreef Seymour Slive, loved minute detail. Omdat ikzelf bij het schrijven graag met woorden zit te pielen, begrijp ik dat wonderlijke genoegen om iets precies vast te leggen maar al te zeer.’ (p. 67)
Fuchs schrijft niet alleen erg genuanceerd, hij probeert ook zijn liefde voor het kijken naar kunst mee te geven. In geen enkel stukje ontdek je een negatieve kritiek, alsof Fuchs alleen die werken uitgekozen heeft die hem aanspreken, waar hij alleen met lof over kan praten. Dat geeft je als lezer een stimulerend gevoel, alsof je Fuchs bij elk werk hoort zeggen: kijk eens hoe prachtig, geniet ervan, het is ervoor gemaakt.
Het boek is uitgegeven bij Ludion, maar een ISBN nummer is niet te ontdekken. Ook zonder dat nummer zal je het wel vinden. Het mag gerust op het lijstje bijgeschreven worden van de betere cadeaus.
Antwoord op
Ook dit doek is 2m x 2m. Hier heb ik me vooral in woorden uitgeleefd. Het is een therapeutisch gebeuren. Ik ga op zoek naar woorden die me gevormd hebben, door gedichten die we aangeleerd kregen, liederen die we zongen, bidprentjes die werden uitgedeeld. Soms wist ik alleen nog maar een zinnetje … en dan helpt internet schitterend. Laag over laag, woord over woord komen de teksten op het doek terecht. De laatste laag woorden zijn leesbaar. Woorden van verzet.
Antwoord op
Dan kijk ik terug naar mezelf, na al die jaren van leven. Laag na laag werd mijn bewustzijn gevormd, vooral door woorden. Opvoeden betekende aangepast lid worden van de samenleving:
godsdienstig: ’s zondags naar de mis en ’s vrijdags vis
voor zonden was er de biechtstoel
monarchistisch: nooit een kritisch woord over het koningshuis
ondanks het bloedend koloniaal verleden
gezagsgetrouw: gehoorzaamheid aan de ouders, kerk en staat
terwijl over het seksuele misbruik niet mocht gesproken worden
je kende je plaats als vrouw: kinderen baren en als je naar buiten ging een hoed op
en zwijgen sierde
Verloren in de ruimte
De tentoonstelling in Herselt ligt meer dan een jaar op voorhand vast. Omdat de gang ruimte biedt voor grote werken zijn Christel en ik aan de slag gegaan met grote doeken: 2m x 2m. We hebben een rol gekocht en verdeeld van 10m op 2m. Er zitten dan wel geen lijsten aan, maar daardoor kan jet het doek oprollen (op een plastieken buis uit een doe het zelf zaak) en neemt het weinig plaats in om het weg te bergen. Ik neem het schilderen op groot doek mee in de thematiek van mijn eindwerk. Heerlijk werken!
Tot je plots beseft dat woorden hun vertrouwde inhoud verliezen, de grond weerbarstig is als rots, zonder wortels confronteer je een ruimte die opnieuw leefbaar moet worden. Waar haal je de kracht?

