Achter de scene ligt alles klaar voor een vlugge klerenwissel, maar ook om eventuele ongelukjes te verhelpen: veiligheidsspelden indien de kledij het zou laten afweten, plakkkers voor wie zich bezeert, haarspelden om een kapsel bij te sturen … aan alles is gedacht.
Een mierennest
Wanneer ik de eerste keer in CC Den Amer binnen kom zijn de medewerkers van de productie er al enkele dagen aan het werk: decor, verlichting, geluid, organisatie achter de schermen. De kinderen zijn nog maar enkele uren terug door hun ouders gebracht. Het is enorm druk, net een mierennest : iets meer dan 350 kinderen zoeken hun plaatsje. Maar dat lijkt prima te lukken.
Voor het optreden is het verzamelen geblazen in de zaal: Aike zal de laatste mededelingen doen. Dit zal telkens voor een optreden plaatsvinden. De dansers nog eens wijzen waarop ze zeker moeten letten, maar vooral: hen aanmoedigen het beste van zichzelf te geven.
Op de foto is de ganse groep dansers verzameld in de zaal om te luisteren naar Aike, ergens in het midden.
De kleedkamer van de kleinsten (7-8 jarigen): straks, na het kappen en schminken mogen ze dan die mooie pakjes aantrekken.
Overal hangen berichtjes die het vlotte verloop garandeert. Voor wie betrokken is weet waarover het gaat.
De kleinsten treden maar drie van de zes voorstellingen op. Dan wordt de cast omgewisseld met een andere groep van dezelfde leeftijd, die dezelfde dansjes aangeleerd kregen. Ze kunnen net genoeg lezen om dit bericht te ontcijferen of anders zal de begeleiding het wel voorlezen
Descobrir: de voorbereiding
Met al dat oorlogsgeweld zou ik nog vergeten verslag te doen van het optreden van het Danscentrum Aike Raes.
Omdat er teveel leerlingen les volgen om samen in één keer op het podium te staan, verdeelt het danscentrum de groepen: dit jaar komen ze naar buiten met hun klassieke en hedendaagse dansers en een deel van de jazzdansers plus de verschillende productiegroepen.
Het danscentrum vindt moeilijk een gepaste locatie in het Leuvense. Waar is er ruimte om een 400-tal deelnemers kleedruimte te geven, waar ze ook nog een spelletje kunnen doen in afwachting van het optreden op de scene, voor haar- of schminkbehandeling. Hoe vinden de medewerkers hun plaats om datgene te doen waarvoor ze zich opgegeven hebben: opbouw decor, klank en licht, regie, kleding, retouches (gauw die naad even opnieuw stikken), kassa, begeleiding dansers … en wellicht vergeet ik er nog. Al die mensen willen af en toe iets eten (dus staat er een ploeg klaar voor de catering) en iets drinken (dus een ploeg die de frigo’s op tijd bijvult).
De enige plaats waar de groep terecht kan is de stadsschouwburg in Leuven. Daar is echter de tijd voor decoropbouw en repetities beperkt, om te zwijgen van het parkeerprobleem: hoe worden 400 dansers afgezet in de Bondgenotenlaan, de hoofdstraat van Leuven en terug opgehaald op hetzelfde moment zonder een verkeerschaos te veroorzaken.
Daarom is voor het optreden CC Den Amer in Diest afgehuurd: van maandag 7 april tot zondagnacht 23 april. Een heerlijk ruime parking, binnenin voldoende ruimte om aan alle noden te voldoen en voor het publiek comfortabele zitplaatsen waarbij je van op elke plaats een mooi zicht hebt op de scene (wat in Leuven niet altijd het geval is)
Maar voor alles naar CC Den Amer kan vervoerd worden, is er heel wat voorbereidend werk geleverd met heel veel bereidwillig handen. Na die maanden van voorbereiding kan dan het feest of de stress beginnen, afhankelijk van je plaats in het geheel. Het is echter de bedoeling dat het uiteindelijk voor iedereen een feest wordt: van de jongste dansertjes tot de eindverantwoordelijken die voor een vlot verloop van de show moeten zorgen.


Een van de elementen in de voorbereiding is het zoeken naar een camion die groot genoeg is om alle materiaal in een keer te vervoeren, vooral na de show, dan is het inpakken en wegwezen.
De Groote Oorlog XII
Met de schilderklas nemen we deel aan de herdenking van WO I in Rotselaar, waarvan Werchter een deelgemeente is. De leerkracht heeft ons daarvoor een speciale techniek aangeleerd: het papier of doek bewerken met was, zodat het buiten kan hangen, ook als het regent. En inderdaad, op een proeflapje (proefkader) lopen de waterdruppels ongegeneerd naar beneden. Weer iets dat we bijgeleerd hebben.
Samen met de ‘groep’ iets doen is toch wel leuk. Iedereen is meteen bezig om de opdracht uit te werken. We gebruiken allemaal dezelfde grootte van lijst waarop we ons ontwerp lijmen en bewerken met was. Later zullen alle werken, zij aan zij, als één grote verzameling ten toon gesteld worden. Een soort lappendeken van WO I. Een paar jaren terug hebben we ook nog zo iets gedaan: een foto van mensen die naar Amerika afvaarden om daar hun geluk te zoeken, in stukken verdeeld. Ieder werkte zijn gekozen stuk uit en alle werken werden tenslotte weer samengebracht tot één groot geheel. Toen moest je wel zorgen dat je eigen werk natuurlijk overvloeide in het werk van boven, onder en naast je. Bij zo’n manier van werken worden ego’s opzij gezet en streeft men naar één gemeenschappelijk doel. Het werkt heel enthousiasmerend en brengt de groep samen … zonder dat het kapitalen kost om deskundigen te vergoeden.
Iedereen is enthousiast. We komen naar de academie met boeken of fotokopieën over WOI.
Voor mij is het wel even wennen: vertrekkend van een foto proberen iets presentabel op papier te zetten. Ik vertrek normaal vanuit een idee en probeer dat in zijn essentie weer te geven met lijnen, vlakken, kleuren … voor een fotografische weergave voel ik me onbekwaam. Toch probeer ik iets in die richting uit want ik wil aansluiten bij het grote geheel.
Wat me erg aangrijpt zijn de verwoeste landschappen … die staan voor mij symbool voor de verwoesting van mensen. Het is net of die bomen met hun geknakte en afgescheurde takken, symbool staan voor mensen die tot in het diepste van hun wezen gekwetst werden.
Ik probeer zo’n landschappen uit. Telkens blijf ik in verbijstering kijken hoe verwoestend een oorlog is. De oorlogswapens doorklieven de aarde die normaal oogst moet opbrengen om de mensen te voeden en een volgende generatie te laten leven. Maar die volgende generatie, kinderen van … zullen sneuvelen voor God en Vaderland. De ouders van toen waren niet minder liefhebbende ouders dan ouders van nu. De dood van hun zoon of dochter verwoestte ook het leven van de ouders. Dan worden ‘voor God en Vaderland’ lege woorden.
Toen (1914) gingen de soldaten juichend de oorlog in, overladen met bloemen, drank. De soldaten lieten zich beroezen aan de mythe van: ‘we gaan de vijand verslaan’. Tot enkele jaren later de ontnuchtering kwam als men de balans opmaakte: te veel doden, teveel vernietiging … en wat veranderde er? Zou de hedendaagse samenleving dit nog zo kunnen beleven? Ik hoop van niet.
Voor wie, voor wat, stierf men toen? De verwoording ‘helden’ is zo makkelijk in de mond genomen … als men er zelf niet bij betrokken is. ‘Sneuvelen’ voor het vaderland lijkt me alleen in oude verhalen te kunnen. Wie nu sterft voor een opgezweept ideaal, sterft zinloos … honderd jaar later ‘eert’ men wel die namen, maar wat heeft hun dood teweeg gebracht in de samenleving, dat niet met onderhandelen kon opgelost worden. Dan moet wellicht het egoïsme opzij geschoven worden: de economische voordelen willen delen met anderen als individu, als samenleving.
De Groote Oorlog XI
Mijn opbergruimte staat er netjes bij, de tekentafel is proper gemaakt en alle tekengerief staat weer op zijn plaats. Niets kan me nu nog als verontschuldiging dienen om het tekenen uit te stellen.
Ik heb een vaag idee van wat ik papier wil zetten. Ik probeer een eerste lijn uit en van die ene lijn komt een andere en na wat gommen en bijsturen begint de tekening zichzelf vorm te geven.
Ik wil die drie mensen, waaronder Staf Michiels en de massagraven aanwezig stellen. Ook het branden van de huizen. En ergens wil ik de geëxecuteerden erbij betrekken. Vooral wil ik het sober houden, weg van het anekdotische en theatrale.
Ik werk het ontwerp uit met Oost-Indische inkt. Zo ontdek ik de technische problemen en mogelijkheden. En wanneer ik lijntjes mag trekken voel ik me gelukkig.
Het zullen zes delen worden. De bovenste zullen in kaders van 70 X 50 cm steken, de onderste in kaders van 50 X 40 cm. De kaders geef ik weer met zwarte lijnen. Zo krijg ik reeds zicht hoe het geheel er uit zal zien.
In het midden heb ik drie figuren gezet: de drie mannen die werden neergeschoten. Die figuren lopen uit op een soort berg: de massagraven, met daarin de zee van tranen die geweend en wellicht nog meer niet geweend werden. Links verwijzen de cirkelvormen naar het branden van de huizen. Rechts in de bovenhoek een soort vogelvlucht: de slachtoffers die verdwijnen van deze ruimte.
Ik ben tevreden met het resultaat. Er moet nog wat nagedacht worden over elk onderdeel. Daarom hang ik het ontwerp tegen d emuur. Zo kan ik er dagelijks naar kijken en proberen preciezer te bepalen wat ik wil zeggen en hoe.
De Groote Oorlog X


150414 De Groote Oorlog X
Even iets over de schrijver van ‘Woensdag 19 augustus 1914 Aarschot’.
Jozef De Vroey ijverde ervoor dat de meest pijnlijke bladzijde uit de Aarschotse geschiedenis niet vergeten wordt. 'Op 19 augustus 1914, aan het begin van de oorlog, werden meer dan honderd vijftig Aarschottenaars gefusilleerd. Hendrik De Vroey, de vader van Jozef, was een van de slachtoffers. Jozef was toen pas twee jaar en heeft de vreselijke dag niet bewust meegemaakt, maar op basis van ooggetuigenverslagen kon hij zich wel een scherp beeld van het gebeuren vormen. Het leven van Jozef werd overheerst door de tragische gebeurtenissen en hij heeft zich steeds ingezet om de herinneringen aan de oorlogsmisdaad levend te houden.'
Onder zijn impuls werd het Sint-Rochusmemoriaal gebouwd op de plaats waar zijn vader werd neergeschoten. Daarnaast schreef De Vroey een boek over het gebeuren en tekende hij zijn traumatische herinneringen van zich af. Een selectie hiervan werd vorig jaar nog tentoongesteld in het Stedelijk Museum Aarschot.
Jozef De Vroey stierf in 1999. Hij werd 87 jaar. De Vroey was leraar aan het Sint-Lievenscollege in Antwerpen en het Koninklijk Atheneum in Leuven. (via internet)
Jozef Devroey was even oud als mijn vader en stierf twee jaar later. Voor mij is WO I een gebeurtenis die meer aanwezig is in mijn leven dan ik vermoedde. Tegen die verzwegen achtergrond, wellicht ook voor mijn vader, groeide ik op in een kleine dorpsgemeenschap.
Jozef Devroey moet wel een begenadigd creatieveling zijn geweest. Hij tekende (zie de tekeningen vorige dagen en nu), ging als een geschiedkundige op zoek naar verhalen van mensen en beschreef dit in een boek over de plaatselijke geschiedenis.
Tevens was hij priester-leraar. Wellicht heeft hij vele van zijn leerlingen geïnspireerd met zijn humor en gevoel voor ‘vrede’, zonder te vergeten wat de ’feiten’ waren. Dat stelt hij in zijn boek wel duidelijk: vergeven wel maar vergeten niet.


De Groote Oorlog IX
Om me goed voor te bereiden, ruim ik eerst eens grondig op. Net of ik door uiterlijk orde te scheppen, innerlijk ruimte maak om me intens met deze opdracht bezig te houden.
Nu, ’t was nodig. Het laatste jaar had ik maar vlug alles uit mijn zicht verbannen en gewoon maar opgestapeld. Met het zoeken naar werken voor mijn eindwerk tekenen, kwam alles nog eens boven. Wat niet meer dienst kon doen of werken die ik niet zo gelukt vond, maakte ik klaar om te deponeren in het containerpark.
Ondertussen laat ik mijn gedachten maar hun eigen gang gaan. Soms komt paniek opzetten: hoe kan ik dat gebeuren in Aarschot in een tekening omzetten? Want dat heb ik al beslist: ik wil er een tekening in zes delen van maken.
Ik probeer me zelf dan rustig toe te spreken dat alles op zijn tijd wel in orde zal komen: nu verstand op nul en de boel in orde brengen en later, terug achter mijn tekentafel, iets op papier zetten. En lijn na lijn zal de inspiratie zich wel aandienen … of niet?
'k Mag niet denken aan het blanco papier want dan komt de faalangst me overspoelen. Ook dat hoort erbij en er is maar één remedie die dit kan verhelpen: er aan beginnen.
De Groote Oorlog VIII

Na de executie van Staf Michiels en zijn buren, begint in Aarschot een massaslachting. In totaal worden 173 slachtoffers omgebracht, de laatste groep op 20 augustus. De lijken worden in meerdere ‘putten’ gestopt. Wanneer later de lijken opgegraven worden, blijkt dat sommige beroofd zijn.
Ik probeer me voor te stellen hoe ik zou reageren. Na het moorden worden de lijken in een massagraf gelegd, zonder de minste mogelijkheid om op een of andere manier afscheid te nemen. Je wordt niet alleen geconfronteerd met je vermoorde man of zoon (in sommige families meerdere personen), je wordt niet alleen geconfronteerd met verminkte lichamen door kogels en bajonetten … maar dan moet je nog eens vaststellen dat ze van hun laatste bezittingen beroofd zijn. Voor wie is dat horloge van vader of de portemonnee van de zoon geen relikwie?
Het was de invallende troepen niet genoeg dat ze 173 weerloze burgers executeerden, daarna staken ze ongeveer 400 huizen in brand. Waar moesten de verjaagde bewoners heen toen ze bij terugkomst ontdekten dat er geen huis meer stond?
Het was niet alleen een individueel drama voor de getroffen families, maar de ganse gemeenschap werd getekend. In elke straat waren personen van het ene moment op het andere ‘weg’, huizen onbewoonbaar en veel vrouwen verloren hun man en kinderen hun vader. Veel mensen kregen iets meer dan 30 jaar later nog eens een oorlog over zich heen.
Natuurlijk heb je dan geen woorden meer om wat er gebeurde te vertellen. Het was allemaal zo verschrikkelijk. Liefst wou men vergeten en alleen aan de toekomst denken met ‘nooit meer oorlog’ als slogan.

