... en dan is het verdwenen
De tweede foto laat nog enkele muren zien, maar die zullen weldra tegen de vlakte liggen. Wanneer het puin geruimd is, zal de grond bewerkt worden tot een vorm van tuin. Als ik nog eens op bezoek ga, zullen mijn ogen wellicht nog even op zoek gaan naar het huis ‘van vroeger’. Nieuwe indrukken zullen zich aan mij opdringen: de groene beplanting, de enorme ruimte, de straat die niet meer te herkennen is.
Inderdaad, mijn kindertijd is voorbij. Tussen toen en nu ligt een leven waarvoor ik dankbaar ben. Naast de vele klappen die ik incasseerde, kreeg ik ook zoveel mogelijkheden: gezondheid, psychische sterkte om met die klappen te leven, mensen die van me houden en waarvan ik mag houden … gewoon het leven zelf, in de rijkdom en beperkingen van het samenzijn met de geliefden en deze samenleving. Ik mag oud worden, voorlopig zonder ernstige kwalen. Elke dag mag ik met enthousiasme opstaan omdat mijn tekentafel wacht of omdat andere boeiende projecten zich aanbieden.
Ik moet niet op de vlucht, moet geen honger leiden, heb een (comfortabel) dak boven mijn hoofd en op het einde van de maand wordt mijn pensioen gestort … ik moet het lot niet delen van die miljoenen mensen die proberen hun schreeuw om leven te realiseren.
Mijn zoon sprong de dood tegemoet. Hoe breng je onder woorden welke weg je dan moet gaan, welke weg broer en zussen moeten gaan? Elke dag duik je, nog warm van het slapen, weer dat verscheurende bewustzijn in: hij is er niet meer. Tot je uiteindelijk kan aanvaarden: inderdaad, hij is er niet meer. En dan ontdek je iets als: ik ben blij dat ik mijn zoon bij mij mocht hebben, dat ik van hem mocht houden de jaren dat hij hier was, dat hij nu bij mij is als een warme aanwezigheid.
Intense vreugde en diep rouwen liggen zo dicht bij elkaar. Beiden zijn aspecten van gelukkig zijn.



