Naar de inhoud

Lut De Rudder

akke.beakke.be

Fuga van de dood XV

en jij kom zing nu en speel

 

Weer wordt een individu aangesproken. Dat maakt de opdracht zo onmenselijk: hoe kan je muziek maken terwijl je lotgenoten ten onder gaan? De ruimte om deze onmogelijkheid aan te voelen kregen de muzikanten niet: het was spelen of sterven. Het toont de almacht van het systeem aan met daarin de plaats van de individuele beul.

 

 

Fuga van de dood XVI

hij grijpt aan zijn riem naar het ijzer

hij zwaait het

zijn ogen zijn blauw

 

Het verhaal krijgt een nieuw element toegevoegd. Welk ijzer de beul vastgrijpt weten we niet. Wel dat: hij het zwaait, als voorbereiding tot? De afstandelijkheid waarmee de schrijver de bedreiging oproept doet naar adem snakken. Daarbij geeft de schrijver een detail van de beul, dat de bedreiging nog accentueert: zijn ogen zijn blauw. De beul is van het Arische ras, waardoor het fanatieke, het extremistische zich aanwezig stelt.

 

Fuga van de dood XVII

steek dieper die spade hé jij daar

 

Met het bewijs van overmacht voor ogen krijgt het bevel van ‘steek dieper die spade’  een bijkomende spanning: graven zullen ze tot ze er bij neervallen. Willekeurig haalt de beul iemand te voorschijn uit de anonieme massa. Met zijn zwaaiend ijzer bedreigt hij de man. Alleen angst blijft over en te graven tot het lijf leeg is.

 

Fuga van de dood XVIII

en jij speel door nu ten dans

 

Net of door de greep naar het ijzer de muzikant het spelen even onderbroken heeft. Wellicht hield de muzikant even de adem in van angst voor wat komen zou. Hij moet verder spelen: elke menselijke reflex onderdrukken, alsof er niet een mens maar een machine de muziek uitvoert

Fuga van de dood XIX

zwarte melk der vroegte we drinken je ’s avonds

we drinken je ’s middags en ’s morgens

we drinken je ’s avonds

we drinken en drinken

 

De wanhoop keert voor de derde keer terug. De ‘zwarte melk’ groeit uit tot een bezwerende formule. De tijd verdwijnt en het kampleven herleidt zich tot een aaneenschakeling van nu-momenten die ten onder gaan in de steeds aanwezige doodsangst.

Fuga van de dood XX

een man heeft een huis

je goudgele haar Margarete

je asgrauwe haar Sullamith

 

De beul zelf is doortrokken van het conflict dat groeit uit de rassentheorie over het Arische superras en de andere rassen die nauwelijks menselijke wezens bevatten. Hij draagt die tegenstelling, dat dodelijke drama met zich mee. Wil hij er mee geconfronteerd worden?

Fuga van de dood XXI

hij speelt met de slangen

 

Zal het onbewuste hem nu confronteren met het vernietigende waarvan hij een van de uitvoerders is? Of negeert hij die seinen en overschreeuwt hij zijn diepere weten?

Fuga van de dood XXII

hij roept speel zoeter de dood

 

De beul weet dat hij een dodelijk spel opvoert, maar volhardt in zijn houding. Hij roept, niet tegen een bepaald iemand, maar als een algemeen bevel: speel zoeter de dood. De muziek is niet bestemd voor de slachtoffers, zij zullen verdwijnen in een graf of in de oven. De muziek moet het dodelijke werk draaglijk maken voor de beul. Daarom moet de muziek ‘zoet’ klinken en niet opstandig of vol rouwen. 

Fuga van de dood XXIII

de dood is een meester uit Duitsland

 

Duitsland is niet meer de plaats waar de geliefde woont, maar het gebied dat de dood verspreidt. Het systeem is zo geperverteerd dat de dood de plak zwaait. De dood beveelt de gemeenschap, de soldaten, de kampbewakers.  

Fuga van de dood XXIV

hij roept strijk zwaarder de snaren

dan stijg je als rook in de lucht

 

Hier komt een soort wanhoopskreet van de beul zijn intrede doen. De muziek moet luider klinken om het kampleven er in te laten verdwijnen. Dan komt een soort bevrijdend beeld voor de beul van de rook in de lucht. Verwees het beeld van hoop voor de gevangene naar imaginaire ‘luchten’ hier wordt de concrete lucht boven de verbrandingsovens opgeroepen. Daarin zullen de rook en asresten van de lijken te vinden zijn en dan is alles voorbij.

Fuga van de dood XXV

dan heb je een graf in de wolken daar lig je niet krap

 

De beul breidt zijn niets ontziend sadisme uit. Hij  verwijst naar het hoopgevende beeld van het gat in de luchten dat de gevangenen hanteren en verandert het tot ‘een graf in de wolken’. Om de hoop, de ontsnappingsmogelijkheid van de gevangenen te vernietigen koppelt hij daar dan ‘daar lig je niet krap’ aan toe. Je hoort hem zo lachen om zijn eigen vinding, wat kan hij het toch mooi zeggen. Hij is voor niets of niemand bang, hij bezit de macht te beschikken over leven en dood.

Fuga van de dood XXVI

zwarte melk der vroegte we drinken je ’s nachts

we drinken je ’s middags de dood is een meester uit Duistland

 we drinken je ‘s avonds en ’s morgens we drinken en drinken

 

Voor de laatste maal haalt de dichter het thema van de wanhoop aan maar plaatst daar ‘de dood is een meester uit Duitsland’ tussen. Daardoor wordt de oorzaak van hun lijden benoemd waardoor een vorm van aanklacht, verzet wordt geboren. In hun vernietiging brengen ze de kracht op hun moordenaars in het gezicht te kijken en daar getuigenis van af te leggen.

Fuga van de dood XXVII

de dood is een meester uit Duitsland zijn ogen zijn blauw

 

Vanuit het wij-verwoorden van het wanhoopsthema schakelt de schrijver over naar de objectieve verslaggeving. Dezelfde woorden krijgen nu een andere geladenheid. Na eerst de subjectieve aanklacht ‘de dood is een meester uit Duistland’ komt nu de objectieve vaststelling van die aanklacht, aangevuld met ‘zijn ogen zijn blauw’. De moordenaars worden duidelijker omschreven: de nazi’s die de blauwogige Ariër tot een god uitroepen. De angst verplaatst zich van het ‘wij’ van de gevangenen naar ontzetting in de wereldgemeenschap. Voor het tribunaal van de mensheid zal deze opvatting, deze wijze van denken en omgaan met de medemens veroordeeld worden.

Fuga van de dood XXVIII

hij raakt je met loodzware kogel hij raakt je nu rauw

 

De schrijver gebruikt nu de vertrouwelijke aanspreekvorm ‘je’. Hierdoor krijgt de kwetsbaarheid van de mens meer aandacht. Je voelt hoe de kogel een warm lichaam doorboort, hoe zo’n lichaam aan flarden geschoten wordt. Geen verweer mogelijk, de kogel is ‘loodzwaar’.

Fuga van de dood XXIX

een man heeft een huis

je goudgele haar Margarete

 

De beul vlucht de veiligheid van het huis binnen waar hij soelaas probeert te vinden bij het beeld van de geliefde. Een vierde maal wordt dit beeld opgeroepen, maar ook nu kan de man niet tot bezinning komen. Hij moet zichzelf verder sleuren in het dodelijke spel dat ook hem zal vernietigen.

Fuga van de dood XXX

hij hitst al zijn honden tegen ons op.

 

Het verhaal wordt zo ondraagbaar dat de slangen en het oproepen van de honden niet meer verteld hoeft te worden om tot de finale te komen: hij hitst de honden op tegen de gevangenen, speciaal daartoe opgeleide honden die gevangenen verscheuren. De gevangenen zelf doen het verhaal: hij hitst de honden tegen ‘ons’ op. En de man gebruikt ‘al’ zijn honden voor de actie, alles wat tot vernietiging kan leiden wordt in stelling gebracht, tot de vele dodenmarsen op het einde van het regime.

 

Fuga van de dood XXXI

hij schenkt ons een graf in de lucht

 

Hier spreken de gevangenen weer. Klonk in het aanvangsbeeld van ‘het graf in de luchten’ nog een vorm van hoop, van vrijheid, nu zijn ze alle hoop verloren. Ze kunnen alleen hun lot ondergaan als onafwendbaar. Zelfs een graf in de aarde zal hen niet meer geschonken worden. Ze zullen gewoon verdwijnen zonder een spoor na te laten.

Fuga van de dood XXXII

hij speelt met de slangen al dromend

 

 De man weet dat zijn wereld verloren is. Met de slangen is geen geliefde meer verbonden. Hij verkeert in een half bewuste toestand. Ook voor hem is geen uitweg meer.

Fuga van de dood XXXIII

de dood is een meester uit Duitsland

 

Het grauwe inzicht van de waarheid dient zich aan. De man weet dat het nazisme alleen maar tot dood leidt. Zijn wereld is ten einde.

Fuga van de dood XXXIV

je goudgele haar Margarete

je asgrauwe haar Sullamith

 

 

De tegenstelling Margarete – Sullamith kwam reeds eerder aan bod, als een eerste bewustwording. Nu vat deze tegenstelling nog eens het drama samen van de Holocaust. Overvloed, vruchtbaarheid van de Arische vrouw, rampspoed voor de Joodse vrouw, en door haar van alle vrouwen, mannen en kinderen die door genocide bedreigd werden en worden. Alleen een rauw huilen rest ons. Een wereld ging ten onder. Nu moeten de overlevenden de moed vinden om een nieuwe wereld op te bouwen wetend dat alleen de medemens evenwaardigheid toekennen uitkomst biedt.

Meer van Lut De Rudder

↑ Terug naar de berichten